Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4364

2026-04-01 Civiel recht 11919618 \ UC EXPL 25-7994 VL/58599
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-04-01
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11919618 \ UC EXPL 25-7994 VL/58599
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Factoringovereenkomst. Nakoming. Vorderingen grotendeels toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.904 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer: 11919618 \ UC EXPL 25-7994 VL/58599




Vonnis van 1 april 2026




in de zaak van




FREELANCEFACTORING.COM B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Freelance,
gemachtigde: mr. C. de Graeff,



tegen





[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1
Freelance heeft [gedaagde] op 7 oktober 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde] heeft schriftelijk op de dagvaarding gereageerd. Vervolgens heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling bepaald.



1.2
De mondelinge behandeling heeft op 25 februari 2026 plaatsgevonden. Namens Freelance was mevrouw [A] , [functie] , aanwezig. Zij werd bijgestaan door mr. C. de Graeff. Ook [gedaagde] was aanwezig. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om onderling betalingsafspraken te maken. De zaak is daarom een week aangehouden. Partijen hebben op 3 en 4 maart 2026 per e-mail laten weten dat zij niet tot overeenstemming zijn gekomen. De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen. Op 5 maart 2026 heeft (de gemachtigde van) Freelance een inhoudelijke e-mail aan de rechtbank verzonden. De kantonrechter weegt de inhoud van deze e-mail niet mee in haar beslissing, omdat de mondelinge behandeling op 25 februari 2026 al was gesloten.







2De kern van de zaak


2.1
Partijen hebben op 19 maart 2025 een factoringovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten, op basis waarvan [gedaagde] twee van zijn vorderingen op opdrachtgevers heeft verkocht aan Freelance. De vorderingen vertegenwoordigen een waarde van € 10.256,25. De betreffende twee opdrachtgevers weigeren echter aan Freelance te betalen. De één stelt dat zij [gedaagde] al heeft betaald en de ander betwist de factuur. Freelance wil daarom dat [gedaagde] de twee vorderingen terugkoopt en een nominale boete betaalt, vermeerderd met rente en kosten. Volgens Freelance is [gedaagde] daartoe verplicht op grond van de overeenkomst. [gedaagde] erkent dat hij € 10.256,25 aan Freelance moet terugbetalen en heeft daarvan al € 1.000,00 en € 925,63 voldaan. [gedaagde] vindt de bijkomende kosten echter te hoog en wil voor het restantbedrag een betalingsregeling. De kantonrechter wijst de vorderingen van Freelance toe.






3De beoordeling




[gedaagde] moet de vorderingen terugkopen




3.1
Partijen zijn het erover eens dat Freelance op grond van de overeenkomst gerechtigd is de overgedragen vorderingen terug te verkopen aan [gedaagde] . [gedaagde] is vervolgens gehouden tot terugbetaling van het aankoopbedrag, verminderd met eventuele deelbetalingen door de debiteur (de opdrachtgever van [gedaagde] ) en vermeerderd met diverse kosten.




[gedaagde] moet het aankoopbedrag terugbetalen





3.2
Het aankoopbedrag was € 10.256,25. [gedaagde] heeft hiervan op 28 april 2025 € 1.000,00 betaald. Om die reden vordert Freelance in deze procedure nog € 9.256,25 van het aankoopbedrag.



3.3
Partijen zijn het er ook over eens dat [gedaagde] , op 16 mei 2025, nog een bedrag van € 925,63 aan Freelance heeft betaald. Dit bedrag strekt in mindering op de vordering van Freelance, met inachtneming van de wettelijke regelgeving over toerekening van betalingen. Dat betekent dat de betaling eerst in mindering strekt op kosten, dan op de verschenen rente en ten slotte in mindering op de hoofdsom en de lopende rente.




[gedaagde] moet wettelijke rente betalen





3.4
Freelance vordert € 311,60 aan ontstane wettelijke handelsrente en de wettelijke handelsrente over € 8.330,62 vanaf de dag van de dagvaarding tot het moment dat het volledige bedrag is betaald. Voor de berekening van de verschenen handelsrente is Freelance uitgegaan van de vervaldata van de facturen die [gedaagde] aan Freelance had verkocht. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter niet juist.



3.5
De grondslag van de vordering van Freelance is retrocessie. De vordering van Freelance op [gedaagde] ontstaat pas op het moment van de retrocessie. Freelance heeft [gedaagde] op 30 april 2025 aangemaand voor het bedrag van € 9.256,25. In deze brief heeft Freelance aan [gedaagde] een betalingstermijn van acht dagen gegeven. [gedaagde] is dus vanaf 9 april 2025 in verzuim en vanaf dat moment is de wettelijke handelsrente gaan lopen. De kantonrechter zal daarom de wettelijke handelsrente toewijzen over € 9.256,25 vanaf 9 april 2025. Bij de berekening van de verschuldigde rente moet rekening worden gehouden met latere betalingen, zoals de betaling door [gedaagde] op 16 mei 2025 van € 925,63 en met de hiervoor genoemde wettelijke regeling van toerekening van dergelijke betalingen.




[gedaagde] moet € 9.256,25 aan boete betalen





3.6
Freelance vordert een nominale boete van € 9.256,25 op grond van artikel 11 lid 4 van de overeenkomst. [gedaagde] heeft verzocht de boete te matigen; hij vindt het veel te hoog en wijst erop dat in artikel 7 lid 3 onder c van de overeenkomst een boetebepaling is opgenomen op grond waarvan hij als boete maar 5% verschuldigd zou zijn. De kantonrechter is het eens met Freelance dat de boete van 5% is afgesproken voor een situatie waarin het tot retrocessie komt, terwijl de boete van artikel 11 daar los van staat en een sanctie is voor het schenden van garanties. Freelance voert hiertoe aan dat [gedaagde] de garanties van artikel 8 onder e: ii, vi, xiv, xvi heeft geschonden. Freelance heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat zij de overtuiging heeft gekregen dat [gedaagde] met opzet een onjuiste factuur heeft gestuurd en zelf, vanaf een zelf aangemaakt e-mailadres gelijkend op dat van de opdrachtgever, akkoord heeft gegeven op de factuur. [gedaagde] heeft dit niet onderbouwd betwist. Hij erkende dat er fouten zijn gemaakt en voerde een moeizaam te volgen verhaal aan over een persoon die die e-mail verstuurd zou kúnnen hebben, zonder nader toe te lichten wie deze persoon is en hoe deze persoon aan de daarvoor benodigde gegevens zou zijn gekomen. Vastgesteld kan daarmee echter worden dat er van de zijde van [gedaagde] onjuiste en misleidende informatie is verstrekt aan Freelance, waarmee [gedaagde] in elk geval de garantie van artikel 8 onder e-vi heeft geschonden.



3.7

[gedaagde] heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die ertoe zouden lijden dat de boete naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in dit geval niet kan worden toegewezen of moet worden gematigd. Hij heeft slechts herhaaldelijk aangegeven dat “er fouten zijn gemaakt” die “moeten worden hersteld” en hij een betalingsregeling wil afspreken. Freelance is echter nooit verplicht geweest een betalingsregeling af te spreken en de kantonrechter is niet bevoegd om een betalingsregeling op te leggen. De gevorderde boete zal worden toegewezen.




[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen





3.8
Freelance vordert € 1.388,44 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. De kantonrechter ziet geen termen aanwezig om (ambtshalve) tot matiging van de gevorderde vergoeding over te gaan. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





3.9

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Freelance worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


120,78







- griffierecht


€


1.461,00







- salaris gemachtigde


€


864,00


(2 punten × € 432,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.589,78











3.10
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard





3.11
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.






4De beslissing


De kantonrechter



4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan Freelance te betalen de totaalsom van het navolgende:


een bedrag van € 9.256,25, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 9 april 2025 tot het moment dat het volledige bedrag is betaald, rekening houdend met betalingen vanaf 9 april 2025,


minus de door [gedaagde] gedane betaling van € 925,63 op 16 mei 2025, waarbij de betaling moet worden toegerekend volgens het bepaalde in artikel 6:44 BW,





4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan Freelance te betalen een bedrag van € 9.256,25 aan boete,



4.3
veroordeelt [gedaagde] om aan Freelance te betalen een bedrag van € 1.388,44 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding tot het moment dat het volledige bedrag is betaald,



4.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.589,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.5
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,



4.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



4.7
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.




Artikel 7.1 en 7.2 van de overeenkomst.


Artikel 7.2 van de overeenkomst.


Artikel 6:44 van het Burgerlijke Wetboek (hierna: BW).


Artikel 7 van de overeenkomst.