Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4361
2026-04-01
Civiel recht
11877588 \ UC EXPL 25-7182 VL/58599
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiser heeft trackingsysteem verhuurd aan gedaagden (VOF en twee vennoten). Gedaagden erkennen betalingsverplichting maar doen beroep op betalingsregeling. Betalingsregeling was echter vervallen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.388 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11877588 \ UC EXPL 25-7182 VL/58599
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[eiser]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. Heeren,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonend in [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
[eiser] heeft [gedaagden c.s] op 1 september 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. De heer [A] heeft namens [gedaagden c.s] op de rolzitting van 17 september 2025 gereageerd op de dagvaarding. [eiser] heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend en [gedaagden c.s] heeft een conclusie van dupliek ingediend. De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling bepaald. [eiser] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog twee producties overgelegd.
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 maart 2026 plaatsgevonden. Namens [eiser] was de heer [B] , financieel directeur, aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. M. Heeren. Beiden waren online via Teams aanwezig. Namens [gedaagden c.s] is niemand verschenen. [eiser] heeft antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2De kern van de zaak
2.1
[eiser] verhuurde een trackingsysteem aan de vennootschap onder firma [bedrijf] (hierna: de vof), waarvan de heer [gedaagde sub 1] en mevrouw [gedaagde sub 2] de twee vennoten waren. De vof is inmiddels opgehouden te bestaan. Voor het gebruik van het trackingsysteem was de vof € 202,92 per kwartaal verschuldigd. Er is een betalingsachterstand ontstaan en [eiser] wil dat [gedaagden c.s] € 3.246,72 aan haar betaalt, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagden c.s] erkent dat hij dit bedrag moet betalen, maar volgens hem bestaat tussen partijen een betalingsregeling van € 25,00 per maand waar [gedaagden c.s] zich aan houdt. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe.
3De beoordeling
De vordering van [eiser]
3.1
vordert, na vermindering van eis, € 3.821,01 inclusief de tot 14 augustus 2025 verschenen rente en een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Hoofdsom € 3.246,72
Tot 14 augustus 2025 verschenen rente € 1.499,62
Buitengerechtelijke incassokosten € 449,67
Na sommatie in mindering voldaan -/- € 1.250,00
-/- € 125,00
Totaal € 3.821,01
De betalingsregeling is komen te vervallen
3.2
[gedaagden c.s] heeft de hoogte en de verschuldigdheid van de hoofdsom niet betwist. Wel stelt hij dat partijen een betalingsregeling van € 25,00 per maand waren overeengekomen, die [gedaagden c.s] ook nakomt en wil blijven nakomen. Volgens [eiser] is deze betalingsregeling komen te vervallen, omdat [gedaagden c.s] zich hier niet aan hield.
3.3
De kantonrechter overweegt als volgt. Volgens [eiser] is de betalingsregeling op 26 mei 2025 geëindigd, omdat [gedaagden c.s] in de maanden maart t/m mei 2025 niet € 25,00 heeft overgemaakt aan [eiser] . Zij onderbouwt dit met een betalingsoverzicht. Omdat [gedaagden c.s] stelt dat hij wél heeft betaald, is het aan hem om dit te onderbouwen met betalingsbewijzen. [gedaagden c.s] heeft echter slechts betalingsbewijzen overgelegd van 10 september 2025, 30 september 2025 en 27 oktober 2025. Hiermee heeft [gedaagden c.s] niet onderbouwd dat hij in de maanden maart t/m mei 2025 de betalingsregeling is nagekomen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de betalingsregeling op 26 mei 2025 is geëindigd. Dit betekent dat [gedaagden c.s] het openstaande bedrag in één keer is verschuldigd. De gevorderde hoofdsom van € 3.246,72 zal worden toegewezen.
[gedaagden c.s] moet de (verschenen) wettelijke rente betalen
3.4
[eiser] vordert de tot 14 augustus 2025 verschenen rente van € 1.499,62 en de wettelijke rente over 3.246,72 vanaf 14 augustus 2025 tot het moment dat het volledige bedrag is betaald. [gedaagden c.s] heeft deze vorderingen niet betwist. Deze vorderingen zullen worden toegewezen, met inachtneming van de gedane betalingen, zie rechtsoverweging 3.6 van dit vonnis.
[gedaagden c.s] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.5
[eiser] vordert € 449,67 voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit en zal worden toegewezen, met inachtneming van de gedane betalingen, zie rechtsoverweging 3.6 van dit vonnis.
Betalingen door [gedaagden c.s]
3.6
[gedaagden c.s] heeft na sommatie een bedrag van € 1.250,00 en € 125,00 betaald aan [eiser] . Uit artikel 6:44 lid 1 BW volgt dat een betaling in de eerste plaats in mindering wordt gebracht op de kosten, waaronder de buitengerechtelijke incassokosten, vervolgens in mindering op de rente en ten slotte in mindering op de hoofdsom. In totaal moet [gedaagden c.s] dus nog € 3.821,01 betalen, bestaande uit € 3.246,72 aan hoofdsom en € 574,29 aan tot 14 augustus 2025 verschenen wettelijke rente. De buitengerechtelijke incassokosten zijn volledig voldaan.
[gedaagden c.s] moet de proceskosten betalen
3.7
[gedaagden c.s] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,11
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(3 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.647,11
[gedaagden c.s] wordt hoofdelijk veroordeeld
3.8
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel de heer [gedaagde sub 1] als mevrouw [gedaagde sub 2] kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.9
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.821,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 3.246,72, met ingang van 14 augustus 2025, tot de dag dat het volledige bedrag is betaald,
4.2
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.647,11, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden c.s] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
Omdat [gedaagden c.s] na datum dagvaarding nog €125,00 heeft betaald, heeft [eiser] haar eis tijdens de mondelinge behandeling verminderd met € 125,00.
Productie 5 bij dagvaarding.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11877588 \ UC EXPL 25-7182 VL/58599
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[eiser]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. Heeren,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonend in [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
[eiser] heeft [gedaagden c.s] op 1 september 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. De heer [A] heeft namens [gedaagden c.s] op de rolzitting van 17 september 2025 gereageerd op de dagvaarding. [eiser] heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend en [gedaagden c.s] heeft een conclusie van dupliek ingediend. De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling bepaald. [eiser] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog twee producties overgelegd.
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 maart 2026 plaatsgevonden. Namens [eiser] was de heer [B] , financieel directeur, aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. M. Heeren. Beiden waren online via Teams aanwezig. Namens [gedaagden c.s] is niemand verschenen. [eiser] heeft antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2De kern van de zaak
2.1
[eiser] verhuurde een trackingsysteem aan de vennootschap onder firma [bedrijf] (hierna: de vof), waarvan de heer [gedaagde sub 1] en mevrouw [gedaagde sub 2] de twee vennoten waren. De vof is inmiddels opgehouden te bestaan. Voor het gebruik van het trackingsysteem was de vof € 202,92 per kwartaal verschuldigd. Er is een betalingsachterstand ontstaan en [eiser] wil dat [gedaagden c.s] € 3.246,72 aan haar betaalt, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagden c.s] erkent dat hij dit bedrag moet betalen, maar volgens hem bestaat tussen partijen een betalingsregeling van € 25,00 per maand waar [gedaagden c.s] zich aan houdt. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe.
3De beoordeling
De vordering van [eiser]
3.1
vordert, na vermindering van eis, € 3.821,01 inclusief de tot 14 augustus 2025 verschenen rente en een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Hoofdsom € 3.246,72
Tot 14 augustus 2025 verschenen rente € 1.499,62
Buitengerechtelijke incassokosten € 449,67
Na sommatie in mindering voldaan -/- € 1.250,00
-/- € 125,00
Totaal € 3.821,01
De betalingsregeling is komen te vervallen
3.2
[gedaagden c.s] heeft de hoogte en de verschuldigdheid van de hoofdsom niet betwist. Wel stelt hij dat partijen een betalingsregeling van € 25,00 per maand waren overeengekomen, die [gedaagden c.s] ook nakomt en wil blijven nakomen. Volgens [eiser] is deze betalingsregeling komen te vervallen, omdat [gedaagden c.s] zich hier niet aan hield.
3.3
De kantonrechter overweegt als volgt. Volgens [eiser] is de betalingsregeling op 26 mei 2025 geëindigd, omdat [gedaagden c.s] in de maanden maart t/m mei 2025 niet € 25,00 heeft overgemaakt aan [eiser] . Zij onderbouwt dit met een betalingsoverzicht. Omdat [gedaagden c.s] stelt dat hij wél heeft betaald, is het aan hem om dit te onderbouwen met betalingsbewijzen. [gedaagden c.s] heeft echter slechts betalingsbewijzen overgelegd van 10 september 2025, 30 september 2025 en 27 oktober 2025. Hiermee heeft [gedaagden c.s] niet onderbouwd dat hij in de maanden maart t/m mei 2025 de betalingsregeling is nagekomen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de betalingsregeling op 26 mei 2025 is geëindigd. Dit betekent dat [gedaagden c.s] het openstaande bedrag in één keer is verschuldigd. De gevorderde hoofdsom van € 3.246,72 zal worden toegewezen.
[gedaagden c.s] moet de (verschenen) wettelijke rente betalen
3.4
[eiser] vordert de tot 14 augustus 2025 verschenen rente van € 1.499,62 en de wettelijke rente over 3.246,72 vanaf 14 augustus 2025 tot het moment dat het volledige bedrag is betaald. [gedaagden c.s] heeft deze vorderingen niet betwist. Deze vorderingen zullen worden toegewezen, met inachtneming van de gedane betalingen, zie rechtsoverweging 3.6 van dit vonnis.
[gedaagden c.s] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.5
[eiser] vordert € 449,67 voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit en zal worden toegewezen, met inachtneming van de gedane betalingen, zie rechtsoverweging 3.6 van dit vonnis.
Betalingen door [gedaagden c.s]
3.6
[gedaagden c.s] heeft na sommatie een bedrag van € 1.250,00 en € 125,00 betaald aan [eiser] . Uit artikel 6:44 lid 1 BW volgt dat een betaling in de eerste plaats in mindering wordt gebracht op de kosten, waaronder de buitengerechtelijke incassokosten, vervolgens in mindering op de rente en ten slotte in mindering op de hoofdsom. In totaal moet [gedaagden c.s] dus nog € 3.821,01 betalen, bestaande uit € 3.246,72 aan hoofdsom en € 574,29 aan tot 14 augustus 2025 verschenen wettelijke rente. De buitengerechtelijke incassokosten zijn volledig voldaan.
[gedaagden c.s] moet de proceskosten betalen
3.7
[gedaagden c.s] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,11
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(3 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.647,11
[gedaagden c.s] wordt hoofdelijk veroordeeld
3.8
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel de heer [gedaagde sub 1] als mevrouw [gedaagde sub 2] kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.9
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.821,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 3.246,72, met ingang van 14 augustus 2025, tot de dag dat het volledige bedrag is betaald,
4.2
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.647,11, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden c.s] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
Omdat [gedaagden c.s] na datum dagvaarding nog €125,00 heeft betaald, heeft [eiser] haar eis tijdens de mondelinge behandeling verminderd met € 125,00.
Productie 5 bij dagvaarding.