Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4337

2026-06-30 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht UTR 25/6623-T
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-07-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/6623-T
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser met de overgelegde informatie onvoldoende heeft onderbouwd dat van een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag moet worden uitgegaan dan de dag dat eiser zich opnieuw heeft ziekgemeld. De rechtbank komt verder tot de conclusie dat zij twijfelt aan de juistheid van de berekening van het WIA-dagloon. De rechtbank draagt daarom het Uwv op de hoogte van het WIA-dagloon opnieuw te berekenen met inachtneming van de beschikbare loongegevens.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.280 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 25/6623-T


proces-verbaal van de tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen





[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.G.B. Bergenhenegouwen),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: R. van den Brink).





Inleiding


1. In deze zaak beoordeelt de rechtbank of het Uwv de hoogte van het dagloon juist heeft vastgesteld en of moet worden uitgegaan van een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag dan 17 mei 2023.



1.1.
Eiser is fulltime werkzaam geweest als [functie] bij [bedrijf] B.V. (de werkgever). Op 17 mei 2023 heeft hij zich ziekgemeld. Met het besluit van 7 april 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiser meegedeeld dat hij met ingang van 14 mei 2025 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), gebaseerd op 80 tot 100% - maar niet duurzaam – arbeidsongeschiktheid. De hoogte van de uitkering heeft het Uwv berekend naar een (geïndexeerd) dagloon van € 167,45 en het WIA-maandloon is vastgesteld op € 3.642,04.



1.2.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Eiser heeft het Uwv op 28 oktober 2025 in gebreke gesteld. Vervolgens heeft eiser op 18 november 2025 een beroep niet tijdig ingediend.



1.3.
Met de beslissing op bezwaar van 13 november 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Met het besluit van 26 november 2025 heeft het Uwv zijn beslissing op bezwaar van 13 november 2025 gewijzigd. Eiser heeft aangegeven het beroep te willen voorzetten. Het beroep van eiser wordt dan ook geacht mede gericht te zijn tegen de uitspraak op bezwaar van 26 november 2025 (het bestreden besluit).



1.4.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen.



1.6.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk tussenuitspraak gedaan.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser met de overgelegde informatie onvoldoende heeft onderbouwd dat van een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag moet worden uitgegaan dan de dag dat eiser zich opnieuw heeft ziekgemeld. De rechtbank komt verder tot de conclusie dat zij twijfelt aan de juistheid van de berekening van het WIA-dagloon. Zij zal hierna uitleggen waarom zij dat vindt. Voor nu geldt dat zij een tussenuitspraak doet, waarbij zij het Uwv zes weken na verzending van de tussenuitspraak de tijd geeft om het gebrek met betrekking tot de berekening van het WIA-dagloon te herstellen. Het Uwv moet binnen twee weken aan de rechtbank laten weten of hij dat wil doen.

3. De rechtbank stelt voorop dat bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit procesbelang in beginsel blijft bestaan zolang er nog geen besluit is genomen. In dit geval is op 13 november 2025 een beslissing op bezwaar genomen. Dat betekent dat op 18 november 2025, de dag waarop eiser beroep wegens niet-tijdig beslissen heeft ingesteld, reeds beslist was op zijn bezwaar. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden vastgesteld op 22 februari 2021. Dit blijkt volgens eiser uit het bijgevoegde arbeidskundig rapport. Uit dit rapport volgt dat de bedrijfsarts had vastgesteld dat hij ‘niet meer dan 10 uur op een werkdag kon werken, inclusief 2 keer 50 minuten woon-werkverkeer’. Als gevolg hiervan moesten er aanpassingen worden gedaan aan de wijze waarop eiser zijn werk deed om het werk passend te maken. Er was hiermee wel sprake van een structurele verandering in de belastbaarheid van eiser, waardoor hij niet meer als voorheen overuren kon maken.

5. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep leidt de rechtbank af dat het op de weg van eiser ligt om te onderbouwen dat de eerdere ziekmelding in 2021 – ondanks de tussentijdse melding dat hij volledig is hersteld – moet worden aangemerkt als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Voor het aannemen van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag is bepalend sinds wanneer eiser ten gevolge van gezondheidsklachten niet meer in staat was tot het verrichten van zijn werkzaamheden in de voor hem normale omvang.

6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 16 oktober 2025 gerapporteerd dat de specialist van eiser noteert dat eiser op 23 september 2022 nog fulltime werkte. Eiser onderging verder door de tijd meerdere malen een behandeling die met succes verliep zodat er steeds weer een herstel van belastbaarheid zal zijn geweest. Het Uwv heeft hiermee deugdelijk gemotiveerd dat er geen reden is om de eerste arbeidsongeschiktheidsdag verder in het verleden te leggen. De rechtbank is van oordeel dat eiser hier onvoldoende tegenover heeft gezet. Hoewel uit het arbeidsdeskundig onderzoek blijkt dat eiser niet voor meer dan 10 uur kan worden ingepland en binnen de werkgever 4 dagen van 12 uur gangbare werkdagen zijn, kon eiser zijn eigen werk doen voor 5 dagen van 8 uur (max 9 uur). Vervolgens was de verwachting dat het eigen werk binnen 6 weken passend zou zijn. Niet is gebleken dat dit niet het geval is geweest. Dit arbeidsdeskundig onderzoek biedt dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het verleggen van de eerste ziektedag. Eiser is immers weer full time gaan werken. Bovendien blijkt niet uit de overgelegde loonstroken dat eiser dermate minder overuren heeft kunnen werken dat hij zijn werk in de voor hem normale omvang niet meer kon verrichten. De rechtbank concludeert daarom dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat van een eerdere eerste dag van arbeidsongeschiktheid moet worden uitgegaan dan de dag dat eiser zich opnieuw heeft ziekgemeld. Gelet hierop heeft het Uwv de eerste ziektedag terecht op 17 mei 2023 gesteld.

7. De rechtbank heeft wel twijfels over de juistheid van de berekening van het dagloon. Eiser stelt dat zijn dagloon hoger moet zijn, omdat hij in de referteperiode meer loon had moeten ontvangen. Eiser heeft namelijk gedurende een lange periode geen salarisverhoging ontvangen, vanwege een afbouwregeling van zijn persoonlijke toeslag. Uit het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 december 2025 blijkt dat eiser in het gelijk is gesteld met betrekking tot de loonvordering. Het hof heeft geoordeeld dat de afbouwregeling nietig was. De vordering tot betaling van de persoonlijke toeslag is daarom door het hof toegewezen vanaf 12 november 2016. De werkgever is veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 51.994,10 bruto aan achterstallig loon. Eiser had in kalanderjaar 2022 per 4 weken een bedrag van € 523,44 bruto exclusief vakantietoeslag meer moeten ontvangen en in kalenderjaar 2023 een bedrag van € 699,47 bruto per 4 weken exclusief vakantietoeslag. De ex-werkgever heeft aangegeven niet in staat te zijn een apart SV-loon te geven over de referteperiode, omdat deze periode al is afgesloten. Er is geen pensioenpremie ingehouden en er zijn geen onkostenvergoedingen betaald. Het SV-loon per 4 weken zal dus volgens eiser gelijk zijn aan het bruto verschuldigde bedrag aan persoonlijke toeslag inclusief 8% vakantietoeslag per 4 weken.


7.1.
Op grond van artikel 14 van het Dagloonbesluit wordt onder loon verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen. In artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat voor de toepassing van dit hoofdstuk de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Op grond van het artikel 15, tweede lid van dit besluit wordt onder loon als bedoeld in artikel 14 mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Zoals de Centrale Raad eerder heeft geoordeeld (bijvoorbeeld de uitspraken van 23 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV9859, en 11 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4327) leidt hij uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikelonderdeel af dat de besluitgever toepassing hiervan slechts aangewezen acht in situaties waarin duidelijk is geworden dat de werkgever ondanks vordering niet tot betaling overgaat. Daarbij is voldoende dat een belanghebbende aantoont dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren. Omdat het om een uitzondering gaat moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd.

8. De rechtbank stelt ten eerste voorop dat het Uwv niet op dit standpunt heeft geoordeeld in de beslissing op bezwaar. De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat de nabetaling die volgt uit het arrest van het hof in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden en dat eiser op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren. Eiser heeft met het arrest van het hof in voldoende mate de hoogte van het WIA-dagloon bestreden, zodat het Uwv het standpunt van eiser hierover had moeten beoordelen bij het nemen van de beslissing. Het ligt op de weg van het Uwv om te bekijken wat het gevolg is van de door eiser overgelegde informatie voor de hoogte van het WIA-dagloon en daarmee voor de hoogte van de toegekende WIA-uitkering van eiser. Mocht niet exact kunnen worden vastgesteld welk deel van de nabetaling op het refertejaar betrekking heeft, dan zal het Uwv daarvan een inschatting moeten maken, waarbij rekening kan worden gehouden met het gegeven dat eiser in kalanderjaar 2022 per 4 weken een bedrag van € 523,44 bruto exclusief vakantietoeslag meer moet ontvangen en in kalenderjaar 2023 een bedrag van € 699,47 bruto per 4 weken exclusief vakantietoeslag. Het is volgens de rechtbank dan ook niet onmogelijk om een reële inschatting te maken van de nabetaling in de referteperiode. De rechtbank draagt daarom het Uwv op de hoogte van het WIA-dagloon opnieuw te berekenen met inachtneming van de beschikbare loongegevens.

9. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:11 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal het Uwv met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

10. Het Uwv moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.

11. Het Uwv moet zijn bevindingen binnen zes weken na verzending van de
tussenuitspraak aan de rechtbank sturen. De rechtbank zal daarna eiser in de gelegenheid stellen hierop binnen vier weken te reageren.

12. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.





















Beslissing


De rechtbank:


- draagt het Uwv op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr.D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.



Zie de uitspraak van de CRvB van 5 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:36.


Zie hiervoor de uitspraak van de Centrale Raad van 8 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4447.