Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4273

2026-07-02 Bestuursrecht; Belastingrecht UTR 25/5687
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-02
Publicatiedatum
2026-07-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/5687
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gemachtigde heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd of gemotiveerd onderbouwd waarom een hogere kostenvergoeding dan het Hof hanteert redelijk zou zijn. De rechtbank ziet daarom reden om aan te sluiten bij een kostenvergoeding voor het taxatierapport van € 35,70.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.167 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 25/5687


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),


en




de heffingsambtenaar van de gemeente Oudewater, de heffingsambtenaar.




Inleiding


1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 22 februari 2025 de waarde van de onroerende zaak van eiser per waardepeildatum 1 januari 2024 vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het belastingjaar 2025. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser tegen de WOZ-beschikking voor het belastingjaar 2025 gegrond verklaard. Daarbij heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde lager vastgesteld, de aanslag dienovereenkomstig verminderd en aan eiser een kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase. Dit bedrag bestaat onder meer uit een vergoeding voor het indienen van een taxatierapport vastgesteld op € 36,60 (incl. btw).



1.1.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.




Beoordeling door de rechtbank



Het geschil



2. De bij uitspraak op bezwaar verminderde WOZ-waarde is niet langer in geschil. De rechtbank beoordeelt slechts de hoogte van de kostenvergoeding, in het bijzonder de kostenvergoeding voor het taxatierapport dat eiser heeft laten opstellen. De overige bestanddelen van de kostenvergoeding zijn evenmin in geschil.

3. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte de kostenvergoeding voor het taxatierapport heeft gematigd. Volgens eiser dient het taxatierapport van [bedrijf] B.V. vergoed te worden in lijn met de Richtlijn van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties op € 128,26 (2 uur x 53,- te vermeerderen met btw). Volgens gemachtigde omvat het taxatierapport meer dan alleen een korte controle of geautomatiseerde berekeningen. Zo bevat het taxatierapport een analyse van de referentietransacties, KOUDV(L)-correcties, foto’s en een integrale waardering. Bij de totstandkoming van dit taxatierapport worden verschillende stappen doorlopen en is daadwerkelijk tijd besteed aan het selecteren, analyseren en corrigeren van de referenties en het verwerken van de door belanghebbende verstrekte gegevens. Iedere stap vergt dan ook tijd voor analyse, berekening, documentatie en onderbouwing. Daarnaast wordt het rapport zorgvuldig uitgewerkt in een controleerbare taxatiematrix, voorzien van brongegevens en foto’s. Deze werkzaamheden vergen samen volgens gemachtigde ongeveer 2 uur. Verder wordt ook in de rechtspraak bevestigd dat een afwijking van de Richtlijn niet is gerechtvaardigd.

4. De heffingsambtenaar betwist de stelling van eiser dat bij het opmaken van het taxatierapport de werkzaamheden samen 2 uur hebben geduurd. Volgens de heffingsambtenaar is er sprake van eenzelfde situatie als in de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 26 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4986 en dient bij deze uitspraak aangesloten te worden.



Beoordeling van het geschil



5. De rechtbank ziet aanleiding om zich bij haar oordeel aan te sluiten bij het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:421. In dit arrest heeft het Hof namelijk geoordeeld over de hoogte van de kostenvergoeding van een taxatierapport opgesteld door [bedrijf] B.V. De rechtbank is van oordeel dat het taxatierapport van eiser op een vergelijkbare wijze is opgesteld als het taxatierapport in dit arrest. Het standpunt en de onderbouwing van de gemachtigde van eiser komt immers overeen met hetgeen is aangevoerd bij het Hof.

6. In hetgeen eiser heeft gesteld ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026. Gemachtigde van eiser heeft namelijk geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd of gemotiveerd onderbouwd waarom een hogere kostenvergoeding dan het Hof hanteert redelijk zou zijn. De rechtbank volgt het Hof dan ook dat een vergoeding voor het taxatierapport met toepassing van de Richtlijn zodanig bovenmatig is, dat deze onredelijk zou zijn. Daarbij merkt het Hof terecht op dat de Richtlijn per 22 december 2025 is ingetrokken, zonder vaststelling van een overgangsregeling. Bovendien volgt de rechtbank het Hof dat eiser met hetgeen hij heeft ingebracht onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat gemiddeld (afgerond) twee uren aan een taxatierapport wordt gewerkt. De rechtbank ziet daarom reden om aan te sluiten bij een kostenvergoeding voor het taxatierapport van € 35,70. Nu de heffingsambtenaar meer dan dit bedrag (€ 36,60) heeft toegekend, is het beroep ongegrond.





Conclusie en gevolgen


7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr.D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Staatscourant. 2018, 28796


Staatscourant 2025, nr. 44501.