Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4238
2026-07-09
Bestuursrecht
UTR 25/7459
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beëindiging en terugvordering van de bijstandsuitkering na ontvangen van een erfenis. Verweerder heeft niet af hoeven zien van de terugvordering, omdat geen dringende redenen zijn gebleken.
Citeert (3)
- ECLI:NL:CRVB:2019:862 Centrale Raad van Beroep 05-03-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:862 Centrale Raad van Beroep 05-03-2019
- ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6498 Centrale Raad van Beroep 16-01-2007
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.536 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7459
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.A. Dayala),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, het college
(gemachtigde: V. Staat).
Samenvatting
1. Het college heeft de bijstandsuitkering van eiseres beëindigd en de onverschuldigd verstrekte bijstand van eiseres teruggevorderd. Eiseres is het niet eens met de terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college niet ten onrechte de bijstandsuitkering van eiseres heeft teruggevorderd.
Procesverloop
2. Met het besluit van 11 april 2025 (het primaire besluit) heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres met terugwerkende kracht per 29 april 2023 beëindigd en teruggevorderd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.1.
Met het besluit van 24 november 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de beëindiging en terugvordering gehandhaafd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontving vanaf 5 juni 2013, op grond van de Participatiewet (Pw) een bijstandsuitkering voor de kosten van levensonderhoud naar de norm voor een alleenstaande. Eiseres is door [erflater] tot erfgenaam benoemd. Op [datum] 2023 is [erflater] overleden. Eiseres heeft het college in 2023 geïnformeerd dat zij een erfenis zal ontvangen. Op 11 februari 2025 heeft eiseres het college bericht dat zij haar erfdeel ter hoogte van € 162.860,61 op 23 januari 2025 heeft ontvangen. Daarbij heeft zij het college verzocht om de bijstandsuitkering per 1 februari 2025 te beëindigen.
3.1.
Met het primaire besluit heeft het college de bijstandsuitkering met terugwerkende kracht vanaf [datum] 2023 beëindigd. Het college heeft daarbij, op grond van artikel 58, tweede lid, sub f, onder 1 van de Pw en onder verwijzing naar vaste rechtspraak, de datum van het overlijden van de erflater als peildatum gehanteerd. Het college stelt daarom vast dat eiseres over de periode van [datum] 2023 tot 1 februari 2025 een bedrag van € 26.669,88 onverschuldigd betaald heeft gekregen. Dit bedrag moet eiseres terugbetalen. Met het bestreden besluit heeft het college de peildatum en de terugvordering gehandhaafd.
Peildatum
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte de datum van het overlijden van de erflater als peildatum heeft gehanteerd. Zij kon tot 23 januari 2025 namelijk niet over de erfenis beschikken en deze niet gebruiken om in haar levensonderhoud te voorzien. Een intrekking van de bijstand over een periode dat zij nog niet daadwerkelijk over de erfenis kon beschikken, ontbeert - volgens eiseres - een wettelijke grondslag. Daarnaast stelt eiseres dat het college in strijd met haar eigen beleid handelt. Uit het beëindigingsrapport blijkt expliciet dat bij een erfenis de belanghebbende in de regel daar niet direct over kan beschikken en dat de bijstandsuitkering wordt voortgezet totdat de belanghebbende wel over de erfenis kan beschikken. Verder voert eiseres aan dat het college de onderzoeksplicht heeft geschonden door niet te onderzoeken op welk moment zij feitelijk over de erfenis kon beschikken.
4.1.
Aan artikel 58, tweede lid, sub f, onder 1 van de Pw ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand. Deze wetsbepaling biedt dan ook een zelfstandige terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering over worden gegaan.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de erflater op [datum] 2023 is overleden. Volgens vaste rechtspraak ontstaat de aanspraak op een erfdeel op het tijdstip van overlijden van de erflater. Het college heeft deze datum dan ook niet ten onrechte gehanteerd als peildatum. Omdat de hoogte van de erfenis hoger is dan het vrij te laten vermogen heeft het college de bijstandsuitkering daarom ook niet ten onrechte met ingang van [datum] 2023 beëindigd. Dat het college de onderzoeksplicht heeft geschonden door niet te onderzoeken op welk moment eiseres feitelijk over de erfenis kon beschikken volgt de rechtbank dan ook niet.
Terugvordering
6. Eiseres stelt zich ook op het standpunt dat het college ten onrechte niet heeft afgezien van de terugvordering. Er is geen sprake van een schending van de inlichtingenplicht. Eiseres heeft dus te goeder trouw gehandeld en treft geen enkel verwijt. De terugvordering is in dat geval een bevoegdheid, waar het college in dit geval geen gebruik van had moeten maken. De gehanteerde redenering leidt, volgens eiseres, tot onredelijke consequenties. Erfgenamen worden systematisch geconfronteerd met terugvorderingen over perioden waarin zij feitelijk niet konden beschikken over hun erfenis. Dit is niet verenigbaar met het karakter van de bijstand al laatste vangnet. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat het college vanwege dringende redenen geheel of gedeeltelijk van de terugvordering had moeten afzien. Eiseres is namelijk geregistreerd gedupeerde van de toeslagenaffaire. In beroep heeft eiseres een verklaring van [A] , [functie] van [bedrijf] , van 23 maart 2026 overgelegd. Met deze verklaring onderbouwt eiseres haar standpunt dat sprake is van onaanvaardbare sociale gevolgen.
7. Niet in geschil is dat eiseres de inlichtingplicht niet heeft geschonden. Ook is de hoogte van de terugvordering niet in geschil. De rechtbank begrijpt dat eiseres zich op het standpunt stelt dat sprake is van dringende redenen zodat het college moet af zien van terugvordering.
Dringende redenen
8. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van dringende reden op grond waarvan het college had moeten afzien van de terugvordering. Eiseres heeft niet onderbouwd dat de terugvordering van de te veel betaalde bijstand voor haar tot een onevenredige benadeling leidt. De rechtbank betrekt in dat kader de verklaring van de [functie] van [bedrijf] van 23 maart 2026. Hieruit blijkt dat eiseres hulp nodig heeft en dat zij die hulp ook krijgt. Eiseres krijgt hulp bij de (financiële) administratie en mentale ondersteuning, ook met betrekking tot de opvoeding van haar zoon. Voorts krijgt zij ook traumabehandeling van [bedrijf] . Hieruit blijkt dat eiseres hulp heeft ingeroepen voor de door haar beschreven problematiek. Daarnaast volgt de rechtbank het college in haar standpunt dat eiseres het causale verband tussen het niet willen betalen van de terugvordering en de door haar aangevoerde problematiek niet aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien is eiseres sinds 27 juni 2023 aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire en is er in dat kader geen sprake van (nieuwe) schulden. Gelet op deze omstandigheden heeft het college niet hoeven aannemen dat er sprake is van dringende redenen op grond waarvan moet worden afgezien van de terugvordering. Het beroep op dringende redenen slaagt niet.
9. Eiseres heeft zich in het beroepschrift verder op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit in strijd met de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is genomen. De rechtbank overweegt dat eiseres haar standpunt niet heeft onderbouwd en dat niet is gebleken dat daar sprake van is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie ECLI:NL:CRVB:2019:862.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2019:862 en ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6498.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7459
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.A. Dayala),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, het college
(gemachtigde: V. Staat).
Samenvatting
1. Het college heeft de bijstandsuitkering van eiseres beëindigd en de onverschuldigd verstrekte bijstand van eiseres teruggevorderd. Eiseres is het niet eens met de terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college niet ten onrechte de bijstandsuitkering van eiseres heeft teruggevorderd.
Procesverloop
2. Met het besluit van 11 april 2025 (het primaire besluit) heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres met terugwerkende kracht per 29 april 2023 beëindigd en teruggevorderd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.1.
Met het besluit van 24 november 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de beëindiging en terugvordering gehandhaafd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontving vanaf 5 juni 2013, op grond van de Participatiewet (Pw) een bijstandsuitkering voor de kosten van levensonderhoud naar de norm voor een alleenstaande. Eiseres is door [erflater] tot erfgenaam benoemd. Op [datum] 2023 is [erflater] overleden. Eiseres heeft het college in 2023 geïnformeerd dat zij een erfenis zal ontvangen. Op 11 februari 2025 heeft eiseres het college bericht dat zij haar erfdeel ter hoogte van € 162.860,61 op 23 januari 2025 heeft ontvangen. Daarbij heeft zij het college verzocht om de bijstandsuitkering per 1 februari 2025 te beëindigen.
3.1.
Met het primaire besluit heeft het college de bijstandsuitkering met terugwerkende kracht vanaf [datum] 2023 beëindigd. Het college heeft daarbij, op grond van artikel 58, tweede lid, sub f, onder 1 van de Pw en onder verwijzing naar vaste rechtspraak, de datum van het overlijden van de erflater als peildatum gehanteerd. Het college stelt daarom vast dat eiseres over de periode van [datum] 2023 tot 1 februari 2025 een bedrag van € 26.669,88 onverschuldigd betaald heeft gekregen. Dit bedrag moet eiseres terugbetalen. Met het bestreden besluit heeft het college de peildatum en de terugvordering gehandhaafd.
Peildatum
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte de datum van het overlijden van de erflater als peildatum heeft gehanteerd. Zij kon tot 23 januari 2025 namelijk niet over de erfenis beschikken en deze niet gebruiken om in haar levensonderhoud te voorzien. Een intrekking van de bijstand over een periode dat zij nog niet daadwerkelijk over de erfenis kon beschikken, ontbeert - volgens eiseres - een wettelijke grondslag. Daarnaast stelt eiseres dat het college in strijd met haar eigen beleid handelt. Uit het beëindigingsrapport blijkt expliciet dat bij een erfenis de belanghebbende in de regel daar niet direct over kan beschikken en dat de bijstandsuitkering wordt voortgezet totdat de belanghebbende wel over de erfenis kan beschikken. Verder voert eiseres aan dat het college de onderzoeksplicht heeft geschonden door niet te onderzoeken op welk moment zij feitelijk over de erfenis kon beschikken.
4.1.
Aan artikel 58, tweede lid, sub f, onder 1 van de Pw ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand. Deze wetsbepaling biedt dan ook een zelfstandige terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering over worden gegaan.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de erflater op [datum] 2023 is overleden. Volgens vaste rechtspraak ontstaat de aanspraak op een erfdeel op het tijdstip van overlijden van de erflater. Het college heeft deze datum dan ook niet ten onrechte gehanteerd als peildatum. Omdat de hoogte van de erfenis hoger is dan het vrij te laten vermogen heeft het college de bijstandsuitkering daarom ook niet ten onrechte met ingang van [datum] 2023 beëindigd. Dat het college de onderzoeksplicht heeft geschonden door niet te onderzoeken op welk moment eiseres feitelijk over de erfenis kon beschikken volgt de rechtbank dan ook niet.
Terugvordering
6. Eiseres stelt zich ook op het standpunt dat het college ten onrechte niet heeft afgezien van de terugvordering. Er is geen sprake van een schending van de inlichtingenplicht. Eiseres heeft dus te goeder trouw gehandeld en treft geen enkel verwijt. De terugvordering is in dat geval een bevoegdheid, waar het college in dit geval geen gebruik van had moeten maken. De gehanteerde redenering leidt, volgens eiseres, tot onredelijke consequenties. Erfgenamen worden systematisch geconfronteerd met terugvorderingen over perioden waarin zij feitelijk niet konden beschikken over hun erfenis. Dit is niet verenigbaar met het karakter van de bijstand al laatste vangnet. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat het college vanwege dringende redenen geheel of gedeeltelijk van de terugvordering had moeten afzien. Eiseres is namelijk geregistreerd gedupeerde van de toeslagenaffaire. In beroep heeft eiseres een verklaring van [A] , [functie] van [bedrijf] , van 23 maart 2026 overgelegd. Met deze verklaring onderbouwt eiseres haar standpunt dat sprake is van onaanvaardbare sociale gevolgen.
7. Niet in geschil is dat eiseres de inlichtingplicht niet heeft geschonden. Ook is de hoogte van de terugvordering niet in geschil. De rechtbank begrijpt dat eiseres zich op het standpunt stelt dat sprake is van dringende redenen zodat het college moet af zien van terugvordering.
Dringende redenen
8. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van dringende reden op grond waarvan het college had moeten afzien van de terugvordering. Eiseres heeft niet onderbouwd dat de terugvordering van de te veel betaalde bijstand voor haar tot een onevenredige benadeling leidt. De rechtbank betrekt in dat kader de verklaring van de [functie] van [bedrijf] van 23 maart 2026. Hieruit blijkt dat eiseres hulp nodig heeft en dat zij die hulp ook krijgt. Eiseres krijgt hulp bij de (financiële) administratie en mentale ondersteuning, ook met betrekking tot de opvoeding van haar zoon. Voorts krijgt zij ook traumabehandeling van [bedrijf] . Hieruit blijkt dat eiseres hulp heeft ingeroepen voor de door haar beschreven problematiek. Daarnaast volgt de rechtbank het college in haar standpunt dat eiseres het causale verband tussen het niet willen betalen van de terugvordering en de door haar aangevoerde problematiek niet aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien is eiseres sinds 27 juni 2023 aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire en is er in dat kader geen sprake van (nieuwe) schulden. Gelet op deze omstandigheden heeft het college niet hoeven aannemen dat er sprake is van dringende redenen op grond waarvan moet worden afgezien van de terugvordering. Het beroep op dringende redenen slaagt niet.
9. Eiseres heeft zich in het beroepschrift verder op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit in strijd met de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is genomen. De rechtbank overweegt dat eiseres haar standpunt niet heeft onderbouwd en dat niet is gebleken dat daar sprake van is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie ECLI:NL:CRVB:2019:862.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2019:862 en ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6498.