Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4195
2026-07-01
Civiel recht
10535503 \ UC EXPL 23-3711
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geschil over parkbijdrage op vakantiepark. Kantonrechter neemt gezichtspunten uit andere procedure over en oordeelt dat de in rekening gebrachte parkbijdrage in de jaren 2022-2023 redelijk is
Citeert (9)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:788 Rechtbank Gelderland 15-02-2023
- ECLI:NL:HR:2019:1787 Hoge Raad 15-11-2019
- ECLI:NL:HR:2019:997 Hoge Raad 21-06-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:6401 Rechtbank Gelderland 18-09-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2023:788 Rechtbank Gelderland 15-02-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2019:6401 Rechtbank Gelderland 18-09-2019
- ECLI:NL:GHARL:2017:5164 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-06-2017
- ECLI:NL:RBGEL:2023:788 Rechtbank Gelderland 15-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1041 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-02-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (53.676 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10535503 \ UC EXPL 23-3711
Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van 1 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
1. Groene Heuvels Exploitatie B.V.,
gevestigd in Ewijk ,
gemachtigde: mr. H.C.J. Oomen,
de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging2. Vereniging van bungaloweigenaren De Groene Heuvels ,
gevestigd in Ewijk ,
gemachtigde: mr. H.C.J. Oomen, die zich heeft onttrokken,
eiseressen in conventie in de hoofdzaak,
verweersters in reconventie in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
hierna samen te noemen: GHE en VEBEGH ,
tegen
[procesdeelnemer 3] ,
wonende in [plaats 1] ,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiser in reconventie in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: [procesdeelnemer 3] ,
gemachtigde: mr. D.A. Boor.
en
1. [procesdeelnemer 4] , wonende in [plaats 2] ,
2. [procesdeelnemer 5] , wonende in Frankrijk,
3. De rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Eigenaren Bungalowpark Groene Heuvels , gevestigd in Ewijk ,
4. [procesdeelneemster 6] , wonende in [plaats 3] ,
5. [procesdeelneemster 7] B.V., gevestigd in [plaats 4] , België,
6. [procesdeelnemer 8] , wonende in [plaats 5] ,
7. [procesdeelnemer 9] , wonende in [plaats 5] ,
8. [procesdeelnemer 10] , wonende in [plaats 6] ,
9. [procesdeelnemer 11] , wonende in [plaats 7] ,
10. [procesdeelnemer 12] , wonende in [plaats 7] ,
11. [procesdeelneemster 13] , wonende in [plaats 7] ,
12. [procesdeelnemer 14] , wonende in [plaats 7] ,
13. [procesdeelnemer 15] , wonende in Portugal,
14. [procesdeelneemster 16] , wonende in Portugal,
15. [procesdeelnemer 17] ,
15. [procesdeelnemer 18] , wonende in [plaats 8] ,
16. [procesdeelneemster 19] , wonende in [plaats 8] ,
eisers in het incident,
gemachtigde: mr. D.A. Boor.
1De procedure in het incident en in de hoofdzaak (conventie en reconventie)
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in de hoofdzaak van 16 mei 2023 met producties 1-7
- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties 1-14- de incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging
- de akte antwoord incident voeging van GHE en VEBEGH
- de akte uitlating incident voeging met reactie op de akte antwoord
- de akte inzake voeging dan wel tussenkomst met één productie van [procesdeelnemer 3]
- de akte antwoord incident voeging en tussenkomst van GHE en VEBEGH
- de conclusie van antwoord in reconventie en uitlating voegingsverzoeken met producties 8-13
- de akte overleggen producties 15-21 van [procesdeelnemer 3]
- de akte uitlating en overlegging producties 14-22 en vermindering van eis van GHE en VEBEGH
- de akte overlegging producties 22-26 van [procesdeelnemer 3]
- de akte overlegging producties 1-21 van [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19]
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 15 augustus 2024
- de akte uitlaten van [procesdeelnemer 3] met producties 29-30
- de antwoordakte met producties 23-24
- het faillissement van GHE op 18 maart 2025
- het e-mailbericht van de rechtbank van 24 april 2025 aan de curator (mr. C. Donners) of de procedure van GHE wordt overgenomen
- het bericht van 10 juni 2025, namens de curator, dat de procedure van GHE niet wordt overgenomen
- de akte uitlating producties van [procesdeelnemer 3] met producties 31-34
- de akte overlegging producties van [procesdeelnemer 3] met producties 35-37
- de akte uitlating van [procesdeelnemer 3] met producties 38-40
- de akte overlegging producties 41-43 van [procesdeelnemer 3]
- de akte overlegging producties 25-30 en wijziging eis van GHE en VEBEGH
- het e-mailbericht van 27 maart 2026 van de heer [A] , namens VEBEGH , dat VEBEGH zich in de zaaknummers 10535503 UC EXPL 23-3711 en 10937902 UC 24-1242 terugtrekt als eisende partij.
1.2
Op 1 april 2026 heeft (een voortzetting van) de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de hoofdzaak en het incident. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaak van GHE tegen de heer [B] (zaaknummer 10937902 UC EXPL 24-1242).
1.3
Van de zijde van GHE zijn verschenen de heer [C] en de heer [D] , bijgestaan door mr. Oomen, de gemachtigde van GHE . Namens VEBEGH was niemand aanwezig. Mr. Oomen heeft verklaard dat hij niet meer fungeert als gemachtigde van VEBEGH . Daarom ten onrechte vermelden de processtukken die ten behoeve van de deze voortgezette mondelingen behandeling door mr. Oomen in het geding zijn gebracht dat hij (nog) optreedt mede namens VEBEGH . [procesdeelnemer 3] is verschenen, bijgestaan door mr. Boor.
Van de voegende/tussenkomende partijen waren aanwezig: de heer [procesdeelnemer 18] , mevrouw [procesdeelneemster 19] , de heer [procesdeelnemer 15] en mevrouw [procesdeelneemster 16] , mevrouw [procesdeelneemster 6] en de heer [procesdeelnemer 14] .
1.4
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen op de zitting is besproken.
1.5
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident en de hoofdzaak.
2De beoordeling in het incident en de hoofdzaak
De achtergrond
2.1
GHE exploiteerde (tot haar faillissement), in opdracht van VEBEGH en de besloten vennootschap [onderneming 1] B.V. ( [onderneming 1] ), vakantiepark “ t Broeckhuys ” (voorheen “De Groene Heuvels”) in Ewijk . [onderneming 1] heeft de ondergrond van het park in erfpacht van een derde. [onderneming 1] is geen partij in deze procedure. Op het vakantiepark staan 205 bungalows.
2.2
[procesdeelnemer 3] heeft op 25 juli 2020 een vakantiebungalow op het vakantiepark gekocht, die op 10 september 2020 aan hem is geleverd. In de akte van levering staat dat de koop van de vakantiebungalow gepaard gaat met een verplicht lidmaatschap bij VEBEGH . De grond onder de bungalow heeft [procesdeelnemer 3] in ondererfpacht van [onderneming 1] .
2.3
VEBEGH verenigt het grootste gedeelte (160) van de bungaloweigenaren op het vakantiepark. Een deel van de eigenaren is lid van de in 2017 opgerichte Eigenarenvereniging Bungalowpark Groene Heuvels (EBGH).
In de algemene ledenvergadering van VEBEGH wordt jaarlijks de hoogte van de parkbijdrage vastgesteld. VEBEGH bracht maandelijks bij alle bungaloweigenaren (dus ook de eigenaren die geen lid zijn van VEBEGH ) parklasten in rekening (tot 2022). Vanaf 2022 is GHE met die taak belast.
2.4
[procesdeelnemer 3] heeft zijn lidmaatschap bij VEBEGH per 1 mei 2021 opgezegd. Hij is lid geworden van EBGH, van welke vereniging hij ook bestuurslid ( [functie] ) is.
2.5
Er bestaat al ruim tien jaar een discussie tussen een aantal bungaloweigenaren (onder wie [procesdeelnemer 3] ) en GHE en VEBEGH over de (verantwoording van de) hoogte van de parkbijdrage en de besteding ervan. Dit geschil heeft geleid tot meerdere gerechtelijke procedures.
2.6
[procesdeelnemer 3] en een aantal andere bungaloweigenaren (die lid zijn van EBGH) hebben de betaling van de door GHE en VEBEGH gefactureerde bijdragen geheel of gedeeltelijk opgeschort. [procesdeelnemer 3] heeft daarbij verzocht om een verifieerbare onderbouwing van de parkbijdrage.
2.7
Op 3 mei 2023 heeft GHE conservatoir beslag gelegd op het ondererfpachtrecht met bungalow van [procesdeelnemer 3] . Op 16 mei 2023 hebben GHE en VEBEGH deze procedure gestart. Zij eisen, kort gezegd, dat [procesdeelnemer 3] wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande parkbijdrage.
2.8
GHE en VEBEGH hebben ook andere bungaloweigenaren gesommeerd om hun openstaande parkbijdrage te voldoen. Met [procesdeelnemer 3] (en die bungaloweigenaren) is afgesproken dat zij in afwachting van de uitkomst van deze procedure 57% van de gefactureerde parkbijdrage en aanvullende kosten zullen voldoen.
2.9
Sinds juli 2024 werken VEBEGH en EBGH samen. Voor het vakantiepark is een nieuwe juridische structuur opgezet waardoor het geschil voor de toekomst beëindigd kan worden. Er is op 31 oktober 2025 een convenant opgesteld tussen zes stakeholders, waaronder VEBEGH en EBGH.
2.10
GHE verkeert sinds 18 maart 2025 in staat van faillissement. De curator heeft de procedure van GHE niet overgenomen zoals bedoeld in artikel 27 lid 1 van de Faillissementswet (Fw). VEBEGH heeft zich op 26 maart 2026 uit de procedure teruggetrokken.
Het incident tot voeging en tussenkomst
Voeging
2.11
De bungaloweigenaren [procesdeelnemer 4] , [procesdeelnemer 5] , [procesdeelneemster 6] , [procesdeelnemer 10] , [procesdeelnemer 15] en [procesdeelneemster 16] , [procesdeelnemer 12] en [procesdeelneemster 13] , [procesdeelnemer 11] , [procesdeelnemer 8] , [procesdeelnemer 9] , [procesdeelnemer 17] , [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] (hierna: [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] ), en de rechtspersonen EBGH en [procesdeelneemster 7] , hebben gevorderd dat het hen wordt toegestaan zich aan de zijde van [procesdeelnemer 3] te voegen.
2.12
Een partij die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangige procedure kan vragen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een dergelijk belang is voldoende dat de partij die voeging vraagt nadelige gevolgen kan ondervinden van een ongunstige uitkomst van de procedure voor de partij aan de zijde van wie hij zich wil voegen. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die (1) de toe- of afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of (2) het gezag van gewijsde van de eindbeslissingen in die procedure zullen kunnen hebben voor degene die de voeging vraagt.
2.13
Ten aanzien van de rechtspersonen [procesdeelneemster 7] en EBGH is het vereiste belang bij voeging niet komen vast te staan. GHE en VEBEGH hebben onweersproken gesteld dat [procesdeelneemster 7] de openstaande parkbijdrage (finaal) heeft betaald op het moment dat zij haar vakantiebungalow notarieel overdroeg aan een derde partij. Dat [procesdeelneemster 7] op dit moment nog een belang heeft bij dit geding is niet gebleken.
Voor EBGH geldt het volgende. EBGH stelt dat zij 82 bungaloweigenaren op het vakantiepark vertegenwoordigt en dat zij om die reden een eigen belang heeft, maar zij heeft nagelaten de individuele belangen van de door haar vertegenwoordigde bungaloweigenaren te concretiseren. Dat had zij wel moeten doen. Zonder nadere toelichting van EBGH op dit punt kan er geen belang worden vastgesteld.
2.14
De in 2.11 genoemde bungaloweigenaren hebben daarentegen wel een zelfstandige/individueel belang. Deze bungaloweigenaren hebben net als [procesdeelnemer 3] de betaling van een deel van de parkbijdrage opgeschort totdat, zo stellen zij, GHE en VEBEGH in rechte hebben aangetoond dat de kostenposten die ten laste van alle parkeigenaren worden gebracht redelijk zijn. Om hun eigen belangen te beschermen scharen zij zich achter [procesdeelnemer 3] . Daarmee is sprake van een belang in de zin van artikel 217 Rv. De vordering tot voeging voor zover die is ingediend door deze bungaloweigenaren is dus toewijsbaar. GHE en VEBEGH hebben gevraagd om aan het toestaan van de voeging de voorwaarde te verbinden dat de voegende bungaloweigenaren zich zullen conformeren aan het vonnis in de hoofdzaak, maar dat zal de kantonrechter niet doen. Een (juridische) noodzaak voor het toevoegen van deze voorwaarde is gesteld noch gebleken.
2.15
Als een vordering tot voeging wordt toegewezen mag de voegende partij, ter ondersteuning van de partij achter wie zij zich schaart, stukken indienen en deelnemen aan de zitting. In dit geval zijn de voegende partijen niet in de gelegenheid gesteld om stukken in te dienen. Namens de voegende partijen is namelijk door mr. [E] (een kantoorgenoot van mr. Boor) aangevoerd, kort gezegd, dat zij zich achter [procesdeelnemer 3] scharen en dat de stellingen van [procesdeelnemer 3] in zijn conclusie van antwoord als hun stellingen moeten worden beschouwd. Dat is ook onderschreven door mr. Boor, de gemachtigde van [procesdeelnemer 3] . De incidentele vorderingen tot voeging/tussenkomst zijn daarom vanwege de proceseconomie gelijktijdig behandeld met de vorderingen in de hoofdzaak. Partijen hebben daar geen bezwaar tegen gemaakt. De voegende partijen zijn via mr. Boor (die mr. [E] heeft opgevolgd) uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 15 augustus 2024 en de voortzetting daarvan op 1 april 2026. Mr. Boor heeft op de mondelinge behandeling, daar naar gevraagd, ook bevestigd dat hij ook voor de voegende partijen spreekt.
2.16
Dat de voegende partijen door deze procesvoering in hun belangen zijn geschaad is gesteld noch gebleken. Overigens heeft mr. Boor, namens voegende partijen [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] , voor de mondelinge behandeling van 15 augustus 2024 een akte overlegging producties ingediend. Deze akte behoort tot de processtukken.
Tussenkomst
2.17
[procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] hebben naast hun vordering tot voeging verzocht om tussenkomst. In een lopende rechtszaak kan een derde partij vragen om te mogen tussenkomen als hij een eigen vordering wil instellen tegen (een van) de procederende partijen en als hij voldoende belang heeft om aan de procedure deel te nemen. Met (toewijzing van) de incidentele vordering tot tussenkomst zouden [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] dus de bevoegdheid krijgen om in de procedure in de hoofdzaak een eigen vordering tegen GHE en VEBEGH in te stellen. Omdat met dit vonnis (ook) wordt beslist in de procedure in de hoofzaak hebben [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] geen belang meer bij de toewijzing van hun vordering tot tussenkomst. Die vordering wordt daarom afgewezen.
Overigens is onduidelijk gebleven welke vordering [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] jegens GHE hadden willen instellen. Zij hebben daar niets over gesteld.
In de hoofdzaak in conventie
2.18
Volgens GHE en VEBEGH staan er voor verleende diensten (parklasten en aanvullende kosten) bedragen open van € 2.186,50 (2021) en € 4.781,96 (vanaf 2022 tot en met maart 2025). Het over 2021 openstaande bedrag moet aan VEBEGH worden betaald en het vanaf 2022 openstaande bedrag aan GHE .
VEBEGH heeft zich teruggetrokken uit de procedure
2.19
Op 27 maart 2026 heeft de kantonrechter een bericht ontvangen van de heer [A] , namens het bestuur van VEBEGH , waarin wordt meegedeeld dat VEBEGH zich terugtrekt als eisende partij in de procedure 10535503 UC EXPL 23-3711 (deze procedure). In de bij het e-mailbericht gevoegde brief van 26 maart 2026 stelt [A] het volgende:
“(…)
De redenen voor deze intrekking zijn als volgt:
De rol van VEBEGH is gedurende deze procedure gewijzigd. Voorheen was zij de entiteit die de parkbijdrage inde; deze rol vervult zij inmiddels niet meer.
De VEBEGH is thans uitsluitend nog formeel partij in deze procedure en ontvangt reeds geruime tijd geen correspondentie of inhoudelijke betrokkenheid meer met betrekking tot de vordering.
Op het park is een verzoeningsproces gaande. Voortzetting van oude geschillen werkt dit proces tegen en houdt bestaande spanningen in stand.
De VEBEGH is niet de houder van de vordering. Indien de vordering zou worden toegewezen, dient het eventueel toegekende bedrag te worden doorgestort aan de curator.
Gezien het voorgaande ziet de VEBEGH geen aanleiding de procedure voort te zetten en trekt zij zich hierbij formeel terug als eisende partij.
Wij verzoeken u tevens om in verband met deze intrekking geen (proces)kosten aan de VEBEGH in rekening te brengen.
(…)”
2.20
Uit deze brief volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat VEBEGH de vordering ten aanzien van [procesdeelnemer 3] intrekt. Intrekking van een vordering moet in beginsel worden opgevat als een vermindering van eis, als bedoeld in artikel 129 Rv, tot nihil. Op grond van dit artikel mag een eiser ( VEBEGH ) zijn eis verminderen zolang de rechter geen eindvonnis heeft gewezen. Instemming of medewerking van de gedaagde ( [procesdeelnemer 3] ) is niet vereist. Dit betekent dat er geen (aan VEBEGH te betalen) vordering meer is die voor beoordeling in aanmerking komt.
2.21
Het betoog van mr. Oomen op de mondelinge behandeling van 1 april 2026 dat de mededeling van de heer [A] namens VEBEGH geen gevolgen heeft omdat VEBEGH een aan de curator gecedeerde vordering niet kan intrekken, maakt dat niet anders. In de eerste plaats is in een laat stadium van de procedure (op de voortzetting van de mondelinge behandeling) gebleken dat mr. Oomen zich heeft teruggetrokken als de gemachtigde van VEBEGH en dus niet langer bevoegd is namens VEBEGH op te treden. Mr. Oomen fungeert evenmin als de advocaat van de curator, nog daargelaten dat de curator de procedure van GHE niet heeft overgenomen en dus ook geen partij is in dit geding. Overigens is de vordering op [procesdeelnemer 3] helemaal niet gecedeerd aan de faillissementsboedel, zo blijkt uit het e-mailbericht van de advocaat van de curator van
16 maart 2026.
2.22
Omdat VEBEGH zich op 26 maart 2026 uit de procedure heeft teruggetrokken en de vordering die betrekking heeft op betaling van de voorlopige parkbijdrage (voor het jaar 2021) aan VEBEGH moet worden aangemerkt als verminderd naar nihil, hoeft er niet beslist te worden op dat onderdeel van de vordering van VEBEGH (en GHE ).
2.23
Hoewel VEBEGH in deze procedure tot 26 maart 2026 met GHE is opgetrokken en dus als eisende partij moet worden aangemerkt, zal de kantonrechter voor de leesbaarheid van het vonnis hierna alleen over GHE spreken.
Ten aanzien van de vordering die ziet op betaling aan GHE
2.24
De curator heeft aangegeven dat hij het geding niet overneemt. [procesdeelnemer 3] heeft op grond van artikel 27 lid 2 Fw ontslag van instantie gevraagd maar hij heeft dat verzoek op de mondelinge behandeling van 1 april 2026 ingetrokken. De kantonrechter zal dus beslissen op de vordering van GHE . In verband met het faillissement van GHE betekent dit dat de procedure tussen GHE en [procesdeelnemer 3] wordt voortgezet buiten bezwaar van de boedel. Een eventuele veroordeling van de gefailleerde (bijvoorbeeld tot betaling van proceskosten) geldt dan niet als een schuld van de failliete boedel.
2.25
Zoals in 2.18 is overwogen vordert GHE (na wijziging van eis) veroordeling van [procesdeelnemer 3] tot betaling aan GHE van € 4.781,96 aan openstaande parkbijdrage en aanvullende kosten in de periode 1 januari 2022 tot en met 1 maart 2025, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 447,80. GHE heeft verwezen naar een uitdraai van de administratie van GHE waarop de openstaande bedragen staan vermeld.
Overigens lijkt GHE er in de akte wijziging eis voor de zitting van 1 april 2026 vanuit te gaan dat de kantonrechter ook andere partijen kan veroordelen naast [procesdeelnemer 3] . Deze partijen zijn echter geen procespartij, zodat alleen daarom al degelijke veroordelingen niet uitgesproken kunnen worden in deze zaak.
2.26
De vordering is gebaseerd op vaste rechtspraak, waarin is aanvaard dat ook een bungaloweigenaar die géén lid is van een vereniging van eigenaren of die niet een overeenkomst heeft gesloten met een exploitant van een vakantiepark bij moet dragen in de parklasten. De kantonrechter onderschrijft dat uitgangspunt. Iedere bungaloweigenaar is op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden bij te dragen in de gemeenschappelijk te maken kosten voor de basisvoorzieningen van het vakantiepark. Niet betalende eigenaren, die wel het genot hebben van de algemene en recreatieve voorzieningen op het park, zouden anders ongerechtvaardigd worden verrijkt ten opzichte van de eigenaren die de parkbijdrage wel betalen.
2.27
Partijen hebben na de mondelinge behandeling op 15 augustus 2024 geprobeerd een oplossing te vinden voor hun geschil. De kantonrechter heeft partijen toen meegegeven dat zij, in het geval zij het niet eens zouden worden, aan de kantonrechter kunnen voorleggen op welk (goed omkaderd) punt zij een beslissing van de kantonrechter wensen. Dat hebben partijen niet gedaan. Wel zijn er (veel) stukken gewisseld die op detailniveau ingaan op de (verantwoording van de) verschillende posten die aan de parkbijdrage en de aanvullende kosten ten grondslag zijn gelegd.
Op de voortgezette mondelinge behandeling hebben beide partijen verklaard dat zij duidelijkheid willen over de vordering van GHE en over wat er wel en niet onder de parkbijdrage valt. Daarover zal de kantonrechter hierna oordelen.
De standpunten van partijen over de hoogte van de parkbijdrage
2.28
GHE factureerde in 2022 aan [procesdeelnemer 3] maandelijks een bedrag van € 263,80, in 2023 een bedrag van € 275,90, in 2024 € 289,45, en in 2025 € 297,68 (alle bedragen inclusief btw). Dit maandelijkse bedrag bestaat uit een post Voorlopige Parkbijdrage, een voorschot Afvalverwijdering, een voorschot Water en Reinigingsheffing Collectief verhurend. Over de voorschotten oordeelt de kantonrechter vanaf 2.46.
2.29
In 2022 bedroeg de Voorlopige Parkbijdrage € 175,00 en in 2023 € 185,00 (beide bedragen exclusief btw).
2.30
GHE heeft ter onderbouwing van de in rekening gebrachte Voorlopige Parkbijdrage gewezen op de uitkomst in een door een aantal bungaloweigenaren aanhangig gemaakte procedure (tegen VEBEGH ) bij de rechtbank Gelderland over de parkbijdragen voor de jaren 2015 en 2016. In die procedure is op 18 september 2019 een tussenvonnis gewezen, waarin een deskundige is benoemd. Na het onderzoek door de deskundige heeft de rechtbank op 15 februari 2023 eindvonnis gewezen waarin, voor zover hier van belang, de volgende verklaringen van recht zijn gegeven:
de parkbijdrage 2015 is naar billijkheid bepaald op een bedrag van € 138,- exclusief btw per maand,
de parkbijdrage 2016 is naar billijkheid bepaald op een bedrag van € 149,90 exclusief btw per maand, en
de parkbijdragen van de daaropvolgende jaren kunnen slechts worden verhoogd met de prijsindex van het CBS voor consumenten.
2.31
GHE heeft onweersproken gesteld dat doorrekening met het door de rechtbank Gelderland bepaalde bedrag vanaf 2016 met de prijsindex van het CBS voor consumenten (CPI) ertoe leidt dat de parklasten in 2023 maximaal € 189,44 (exclusief btw) mogen zijn. Dat is dus méér dan het bedrag van € 185,- dat GHE als voorlopige parkbijdrage bij [procesdeelnemer 3] in rekening heeft gebracht.
2.32
[procesdeelnemer 3] erkent dat hij als bungaloweigenaar, die geen lid is van VEBEGH , gehouden is om bij te dragen in de gemeenschappelijk te maken beheer- en onderhoudskosten van het vakantiepark, maar niet in de exploitatiekosten van het vakantiepark. Hij meent dat de uitspraak van de rechtbank Gelderland niet aan de vordering ten grondslag mag worden gelegd en dat GHE niet aan haar stel- en bewijsplicht heeft voldaan. Artikel 21 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is volgens hem geschonden. GHE is onvoldoende transparant over de besteding van die parkbijdrage en [procesdeelnemer 3] mist een verifieerbare onderbouwing. Subsidiair stelt [procesdeelnemer 3] zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag sterk gematigd moeten worden. Hij heeft bepleit dat de parkbijdrage voor de basisvoorzieningen in redelijkheid gebaseerd zou moeten worden op € 50,00 (exclusief btw). Dat bedrag is genoemd in het in de zaak van bungaloweigenaar [F] gewezen arrest (hierna te noemen: de zaak [F] ). Daarnaast heeft GHE volgens [procesdeelnemer 3] maar een bedrag tussen € 59,- en € 76,- aan parkbijdrage aannemelijk gemaakt (exclusief btw).
Artikel 21 Rv is niet geschonden
2.33
Partijen zijn verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (artikel 21 Rv). De kantonrechter verwerpt het verweer dat GHE die verplichting heeft geschonden. Al voordat GHE en VEBEGH deze procedure tegen [procesdeelnemer 3] hebben gestart is er veel gezegd en geschreven (door andere rechtbanken en gerechtshoven) over de door VEBEGH / GHE bij de bungaloweigenaren in rekening gebrachte parkbijdrage. Ter onderbouwing van deze vordering tot betaling van de openstaande parkbijdrage van [procesdeelnemer 3] heeft GHE in haar dagvaarding dus met name gewezen op de uitspraak van de rechtbank Gelderland. Omdat GHE meende dat zij met die uitspraak een stevige onderbouwing van haar standpunt over de parkbijdrage in handen had, heeft zij de dagvaarding van [procesdeelnemer 3] ingestoken als een incassodagvaarding. Uit het hiernavolgende zal blijken dat dat niet ten onrechte was. Overigens heeft GHE na het uitgebreide verweer van [procesdeelnemer 3] stukken ingebracht die een verdere onderbouwing van haar vordering hebben gevormd. De conclusie dat GHE in strijd met de vereiste volledigheid of waarheidsplicht heeft gehandeld kan dan ook niet worden getrokken.
De uitspaak van de rechtbank Gelderland van 15 februari 2023
2.34
De kantonrechter stelt voorop dat hij moet beslissen op de vordering van GHE tot betaling van openstaande parkbijdrage. In dat verband ligt de vraag voor of de door GHE in 2022/2023 bij [procesdeelnemer 3] in rekening gebracht parkbijdragen van € 175,- (2022) en € 185,- (2023) redelijk zijn.
2.35
[procesdeelnemer 3] heeft gelijk als hij zegt dat de beslissingen van de rechtbank Gelderland over de parkbijdrage alleen gelden tussen de partijen in die procedure. Dat neemt echter niet weg dat de overwegingen die tot die beslissingen hebben geleid wel belangrijke gezichtspunten zijn bij de beoordeling van de vordering van GHE op [procesdeelnemer 3] . In de procedure bij de rechtbank Gelderland ging het immers ook over de hoogte van de parkbijdrage die de bungaloweigenaren, die net als [procesdeelnemer 3] geen lid zijn van VEBEGH , moesten betalen.
2.36
De kantonrechter volgt de rechtbank Gelderland (en het gerechtshof in de zaak [F] ) in het oordeel dat de werkelijke exploitatiekosten van de basisvoorzieningen, die ten goede komen aan de bungaloweigenaren, als grondslag moeten dienen voor de begroting van de parkbijdrage. Iedere bungaloweigenaar is immers onderdeel van een geheel: een vakantiepark met basisvoorzieningen. Alle bungaloweigenaren hebben dus belang bij de instandhouding van het park.
2.37
Voor zover dit tussen partijen in geschil is overweegt de kantonrechter (met de rechtbank Gelderland, maar anders dan het gerechtshof in de zaak [F] ) dat het bij de doorrekening van de werkelijke kosten voor de basisvoorzieningen aan de bungaloweigenaren niet uitmaakt of er sprake is van een verhurende of een niet verhurende bungaloweigenaar. De bungalows en de basisvoorzieningen vormen tezamen het park en de bungalows kunnen in dit opzicht niet ieder op zichzelf beschouwd worden. Alle bungalows zijn immers gelegen aan verlichte wegen op een omheind terrein en aangesloten op voorzieningen als gas, water, licht en riolering, ongeacht de vraag of zij bewoond worden door de eigenaren of door huurders. Ook als de bungalows (tijdelijk) niet zijn bewoond verandert dat niets aan hun ligging in het park en hun aansluiting op de - in het park beschikbare - netwerken. Niet-verhurende eigenaren verdisconteren deze kosten in de waarde van hun woongenot; verhurende eigenaren nemen deze kosten mee in de bedongen huurprijs, waarin het - vergelijkbare - woongenot van de huurders is verdisconteerd. Voor de vraag of een bungaloweigenaar moet bijdragen in de kosten van de basisvoorzieningen, waaronder de kosten van instandhouding van het park in brede zin, doet dus niet ter zake of hij zelf in zijn bungalow verblijft/deze verhuurt/leeg laat staan.
2.38
De rechtbank Gelderland heeft overwogen dat de onder de werkelijke exploitatiekosten (dus beheer en onderhoud) moet worden verstaan de kosten van de volgende basisvoorzieningen: personeel, groenvoorziening, parkbeheer, receptie, energie, waaronder terreinverlichting, ongediertebestrijding, verzekeringen algemeen, internet, kantoorkosten en telefonie. Deze kosten komen voor volledige doorrekening in de parkbijdrage in aanmerking. Een door de rechtbank benoemde deskundige (accountant) heeft het onderzoek aan de hand van de door de rechtbank geformuleerde vragen uitgevoerd. De rechtbank heeft met inachtneming van dit onderzoek en na hoor en wederhoor in rechte vastgesteld tot welke bedragen deze kosten moeten worden doorberekend in de parkbijdrage. Anders dan [procesdeelnemer 3] heeft aangevoerd is het gerechtshof in de zaak [F] van dezelfde kostenposten uitgegaan. Het gerechtshof heeft wel ten aanzien van een aantal posten geoordeeld dat die onvoldoende onderbouwd waren waarna het gerechtshof zelf naar billijkheid een bijdrage heeft vastgesteld, met inachtneming van deze posten, te vermeerderen met een post onvoorzien.
2.39
De in 2.38 genoemde voorzieningen vormen ook in de procedure tegen [procesdeelnemer 3] een belangrijk gezichtspunt. De kantonrechter volgt [procesdeelnemer 3] niet in zijn verweer dat de akte van levering leidend is voor het bepalen van de kostenposten waaraan de eigenaren verplicht zijn bij te dragen en dat de posten huur, opslag voor risico en de algemene kosten géén onderdeel zijn van de verplichte parkbijdrage. In de akte van levering wordt immers geen uitputtende op limitatieve opsomming gegeven van de ten behoeve van het gebruik van de bungalow verleende diensten. Daarnaast lijkt [procesdeelnemer 3] geen rekening te houden met de omstandigheid dat de rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de kosten van de genoemde voorzieningen, die de deskundige heeft onderzocht en bij welk onderzoek géén onregelmatigheden in de boekhouding zijn aangetroffen, werkelijk zijn gemaakt en redelijk zijn. Niet valt in te zien op grond waarvan [procesdeelnemer 3] niet gehouden zou zijn tot een bijdrage in die werkelijke gemaakte en redelijk bevonden kosten voor beheer en onderhoud.
2.40
GHE heeft bovendien een overzicht gegeven van de in 2023 gemaakte kosten, die zijn doorberekend in de parkbijdrage voor 2023. Het gaat dan om de kosten voor personeel (parkbeheer, receptie, loonadministratiekosten en administratie/overige personeelskosten), huisvesting (huur, energiekosten, groenvoorziening, sloten, kosten infra, zakelijke lasten, overige huisvestingskosten, ongediertebestrijding), kantoorbenodigdheden (kosten kopieën, porti, automatiseringskomsten, internet), autokosten en algemene kosten (advieskosten, accountantskosten en abonnementen). Deze posten komen goeddeels overeen met de in 2.38 genoemde voorzieningen. GHE heeft deze posten onderbouwd met facturen. De totale kosten komen uit op een bedrag van € 627.817,02 waarvan 73,32 % aan de bungaloweigenaren wordt doorbelast, wat dus uitkomt op een voorlopige parkbijdrage (voor [procesdeelnemer 3] ) van € 185,- exclusief btw.
2.41
Over de beslissing van de rechtbank Gelderland dat de parkbijdragen alleen in overeenstemming met de prijsindex van het CBS voor consumenten (CPI) kunnen worden verhoogd heeft [procesdeelnemer 3] niets gezegd. Een dergelijke berekeningswijze komt de kantonrechter billijk voor, in aanmerking genomen dat de uitgangspunten voor de berekening van de parkbijdrage hetzelfde blijven. De kantonrechter neemt daarom ook deze beslissing als gezichtspunt over. Als de door de rechtbank Gelderland naar billijkheid bepaalde parkbijdrage met de CPI wordt doorgerekend naar 2023 komt dat uit op een bedrag dat hoger is dan de bij [procesdeelnemer 3] in rekening gebrachte voorlopige parkbijdrage van € 185,- exclusief btw.
2.42
In de door [procesdeelnemer 3] aangevoerde argumenten ziet de kantonrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de parkbijdragen uit 2022 en 2023 geen redelijke en reële representatie vormen van de door GHE gemaakte kosten voor beheer en onderhoud van het vakantiepark. Dat GHE met het (doorbelastings)percentage van ruim 73% een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd is gesteld noch gebleken. Ook is niet gebleken dat er voor wat betreft de opbouw en kosten van de parklasten significante wijzigingen hebben plaatsgevonden ten opzichte van 2015/2016. Reeds daarom bestaat er geen aanleiding om anders tegen de parklasten van 2022/2023 aan te kijken dan de rechtbank Gelderland heeft gedaan voor de jaren 2015/2016.
2.43
Het mag zo zijn dat GHE er niet in is geslaagd om (onderdelen van) bepaalde voorzieningen tot op de komma nauwkeurig te verantwoorden, maar daar gaat het ook niet om. Doorslaggevend is of GHE voldoende heeft gesteld en onderbouwd voor het oordeel dat de in rekening gebrachte parkbijdrage in 2022 en 2023 redelijk is. Dat is het geval en aan nadere bewijslevering wordt niet toegekomen.
2.44
Het voorgaande brengt mee dat een beoordeling van de door [procesdeelnemer 3] en de voegende bungaloweigenaren (op detailniveau) betwiste posten in het midden kan blijven. De kantonrechter merkt hierbij op dat het in zijn algemeenheid niet de taak van de rechter is om als een boekhouder te beoordelen welke kostenposten wel of niet door de beugel kunnen. En al helemaal niet in dit geval, waar de rechtbank Gelderland na uitvoerig debat tussen die partijen én onderzoek door een accountant naar de werkelijke parkkosten op grond van de in 2.38 genoemde voorzieningen, de hoogte van de parkbijdrage naar billijkheid heeft bepaald. Aan de discussie tussen partijen over het doorbelasten van de huur voor hoofd- en bijgebouwen en de omvang van de loonkosten gaat de kantonrechter dan ook voorbij, nog daargelaten dat GHE de argumenten die [procesdeelnemer 3] in dit kader naar voren heeft gebracht genoegzaam lijkt te hebben weerlegd.
2.45
[procesdeelnemer 3] moet de openstaande parkbijdrage aan GHE te betalen. Een beoordeling van de vraag of het onderhoud slecht zou zijn uitgevoerd en of de parkbijdrage aan andere doelen wordt gespendeerd dan waar het voor bedoeld is, kan in het midden blijven. GHE heeft die stellingen van [procesdeelnemer 3] gemotiveerd betwist, maar los daarvan heeft [procesdeelnemer 3] daar geen rechtsgevolg aan verbonden. Deze stellingen kunnen dan ook niets afdoen aan de gegrondheid van de vordering van GHE .
De aanvullende kosten
2.46
Naast de parkbijdrage (de kosten voor beheer en onderhoud) brengt GHE aanvullende kosten in rekening voor afvalverzameling en water. De aanvullende kosten zijn voor alle bungaloweigenaren hetzelfde, wat naar het oordeel van de kantonrechter redelijk is. Verwezen wordt naar 2.37.
2.47
GHE heeft een overzicht gegeven van de kosten voor water en afvalverzameling en de facturen van Vitens en van [onderneming 2] overgelegd. GHE heeft daaruit geconcludeerd dat de bungaloweigenaren te weinig hebben betaald voor water, maar te veel voor het afval. Voor water en afval gezamenlijk hebben zij op jaarbasis € 50,- te weinig betaald.
2.48
Omdat niet ter discussie staat dat de aanvullende kosten op basis van nacalculatie worden verantwoord en afgerekend, overeenkomstig de werkelijk gemaakte kosten, is er geen grond voor het oordeel dat de aanvullende kosten te hoog zouden zijn. Als dat zo is dan is GHE verplicht dat te verrekenen met (toekomstige) voorschotten.
Conclusie ten aanzien van de hoofdsom
2.49
De vordering van GHE tot betaling van de hoofdsom van € 4.781,96 wordt toegewezen. Voor matiging van de parkbijdrage (het subsidiaire verweer van [procesdeelnemer 3] ) bestaat geen aanleiding. Voor zover [procesdeelnemer 3] zich wil beroepen op de in de zaak [F] naar redelijkheid vastgestelde parkbijdrage voor het jaar 2013 van € 50,- exclusief btw overweegt de kantonrechter dat dat hem niet kan helpen. In de zaak [F] waren kostenposten te onduidelijk of onvoldoende onderbouwd om een goede berekening van de parkbijdrage te kunnen maken. Dat is een verschil met de procedure die daarna door een aantal bungaloweigenaren bij de rechtbank Gelderland aanhangig is gemaakt en die heeft geleid tot de naar billijkheid bepaalde parkbijdragen (na deskundigenonderzoek) voor de jaren 2015/2016.
2.50
Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal het bedrag van € 447,80 worden toegewezen.
Vordering ten aanzien van het beslag
2.51
De vordering van GHE om het op 3 mei 2023 gelegde beslag van waarde te verklaren wordt afgewezen. De kantonrechter begrijpt dat GHE daarmee wil bereiken dat beslagen onroerend goed door GHE kan worden uitgewonnen, maar die mogelijkheid wordt reeds met dit vonnis geboden. GHE wordt in de hoofdzaak in het gelijk gesteld en voor opheffing van het beslag bestaat geen aanleiding, zoals hierna zal blijken. Dat betekent dat het gelegde (conservatoire) beslag automatisch een executoriaal beslag wordt nadat het vonnis aan [procesdeelnemer 3] is betekend.
In de hoofdzaak in reconventie
De verklaringen van recht
2.52
[procesdeelnemer 3] heeft de kantonrechter gevraagd voor recht te verklaren dat VEBEGH en/of GHE , althans de exploitant van recreatiepark ‘ t Broeckhuys :
enkel in samenspraak met EBGH, althans met [procesdeelnemer 3] , kan bepalen welke posten onderdeel vormen van een verplichte parkbijdrage voor alle eigenaren en welke bedragen daarvoor in rekening gebracht worden;
jaarlijks uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het voorgaande kalenderjaar afschriften aan het bestuur van EBGH, althans aan [procesdeelnemer 3] , dient te verstrekken van de facturen van de leveranciers en betalingsbewijzen waaruit blijkt welke kosten de exploitant heeft betaald voor de posten die ten grondslag liggen aan de maandelijks gefactureerde parkbijdrage, waaronder maar niet beperkt tot:
energie, water en afval (inclusief het verbruik en toerekening per afvalcontainer)
abonnementen (zoals CAI/Ziggo)
Onderhoud (groen, sloten, schouwen, riolering en pompen, speeltuinvoorziening, CAI voorziening, terreinverlichting, wegen, slagboom)
overheidsheffingen (WOZ, OZB, watersysteemheffing, riool)
kinderboerderij (diervoer, aanschaf, dierenartsen)
zakelijke kosten (administratie, kantoor, rente, afschrijving)
op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag(deel) dat niet hieraan wordt voldaan;
3. kosten die niet gerelateerd zijn aan beheer en onderhoud van het park, waaronder maar niet beperkt tot huur van het complete terrein, waterplas, wegen, infrastructuur, strandvoorzieningen en gedeelte van het hoofdgebouw, juridische kosten, winst en verliesopslag en personeelskosten, niet in de parkbijdrage mag opnemen en doorbelasten aan [procesdeelnemer 3] .
2.53
Deze vorderingen van [procesdeelnemer 3] worden afgewezen. Nog daargelaten de vraag wat zijn belang is bij deze vorderingen – partijen hebben voor de toekomst immers nieuwe afspraken gemaakt – ontbreekt een rechtsgrond. In conventie is geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat de parkbijdrage redelijk is. Het klopt dat een beheerder in beginsel de gemaakte (en doorbelaste) kosten moet kunnen staven en verantwoorden. Dat heeft GHE in de gegeven omstandigheden afdoende gedaan. Anders dan [procesdeelnemer 3] meent vloeit daar niet uit voort dat GHE verplicht is om met EBGH overleg te voeren en overeenstemming te bereiken over de parklasten en aanvullende kosten en afschriften van facturen te verstrekken zoals [procesdeelnemer 3] in de gevorderde verklaringen van recht heeft omschreven. GHE heeft in dit verband terecht opgemerkt dat de bungaloweigenaren de eventuele onredelijkheid van de parklasten en de aanvullende kosten in de ALV van VEBEGH aan de orde kunnen stellen. Iedere bungaloweigenaar kan lid kan zijn van VEBEGH .
2.54
Bovendien zijn de gevorderde verklaringen van recht dermate gedetailleerd geformuleerd dat, áls ze al voor toewijzing in aanmerking zouden komen, toewijzing daarvan tot executie- en uitvoeringsproblemen zal leiden. De kantonrechter volgt GHE dan ook in haar verweer op dit punt.
Het beslag wordt niet opgeheven
2.55
Tussen partijen is tenslotte in geschil of de door GHE en VEBEGH gelegde conservatoire beslag op het kadastrale ondererfpachtrecht en bungalow moet worden opgeheven.
2.56
Op grond van artikel 705 lid 2 Rv wordt de opheffing van een conservatoir beslag onder meer uitgesproken als summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht. Degene die opheffing vordert moet aannemelijk maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, maar er wordt uiteindelijk beslist aan de hand van wat door beide partijen (onderbouwd) naar voren is gebracht. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de vordering een belangenafweging maken.
2.57
Volgens [procesdeelnemer 3] is het door GHE en VEBEGH ingeroepen recht ondeugdelijk, omdat de vordering waarvoor beslag is gelegd onvoldoende is onderbouwd. De kantonrechter volgt [procesdeelnemer 3] niet. De beoordeling in conventie heeft geleid tot de conclusie dat GHE wel degelijk een vordering heeft op [procesdeelnemer 3] . [procesdeelnemer 3] heeft onvoldoende onderbouwd waarom dat niet het geval is en heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een ondeugdelijk ingeroepen recht.
2.58
Een afweging van de belangen van partijen leidt niet tot een andere conclusie. [procesdeelnemer 3] heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat zijn belang zwaarder moet wegen. Dat [procesdeelnemer 3] op een onevenredig zware wijze in zijn belangen is getroffen blijkt dus ook nergens uit.
De vordering tot opheffing van beslag wordt daarom afgewezen.
De proceskosten
In het incident
2.59
Omdat geen van partijen als in het ongelijk gesteld kan worden beschouwd, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De kantonrechter merkt hierbij dat voor een vordering tot voeging/tussenkomst in kantonzaken géén griffierecht wordt geheven.
In de hoofdzaak in conventie
2.60
VEBEGH heeft zich teruggetrokken uit de procedure en zij wordt geacht haar eis te hebben verminderd tot nihil. De kantonrechter ziet geen aanleiding om ten aanzien van VEBEGH een proceskostenveroordeling uit te spreken, omdat de proceskosten aan de zijde van [procesdeelnemer 3] evenzeer zouden zijn gemaakt indien alleen GHE zou hebben gedagvaard. [procesdeelnemer 3] is ten aanzien van de eis van GHE in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van GHE betalen. De proceskosten van GHE worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
107,32
- griffierecht
€
676,00
- beslagkosten
€
693,92
- salaris gemachtigde
€
1.440,00
(4 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.061,24
2.61
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In de hoofdzaak in reconventie
2.62
[procesdeelnemer 3] is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van GHE worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
180,00
(1 punt × factor 0,5 × € 360,00)
Totaal
€
180,00
3De beslissing
De kantonrechter
in het incident
3.1
staat [procesdeelnemer 4] , [procesdeelnemer 5] , [procesdeelneemster 6] , [procesdeelnemer 10] , [procesdeelnemer 15] en [procesdeelneemster 16] , [procesdeelnemer 12] en [procesdeelneemster 13] , [procesdeelnemer 11] , [procesdeelnemer 8] , [procesdeelnemer 9] , [procesdeelnemer 17] , [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] toe zich in de hoofdzaak aan de zijde van [procesdeelnemer 3] te voegen,
3.2
verstaat, onder verwijzing naar 2.15 en 2.16 dat de standpunten van de voegende partijen volledig overeenkomen met de standpunten die door [procesdeelnemer 3] zijn verwoord,
3.3
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, waarbij de voegende partijen worden ontheven uit de verplichting om griffierecht te betalen,
3.4
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak in conventie
3.5
veroordeelt [procesdeelnemer 3] tot betaling van € 4.781,96, te vermeerderen met de buitengerechtelijk incassokosten van € 447,80,
3.6
veroordeelt [procesdeelnemer 3] in de proceskosten van € 3.061,24, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
3.7
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak in reconventie
3.8
wijst de vordering af,
3.9
veroordeelt [procesdeelnemer 3] in de proceskosten van € 180,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
In de hoofdzaak in conventie en reconventie
3.10
veroordeelt [procesdeelnemer 3] tot betaling van de kosten van betekening als [procesdeelnemer 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.11
veroordeelt [procesdeelnemer 3] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.12
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.5, 3.6, 3.9 tot en met 3.11 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
1257
Zie bijvoorbeeld: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2017, zaaknummer gerechtshof 200.172.466, productie 3 van [procesdeelnemer 3] , Rechtbank Gelderland 15 februari 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:788, en rechtbank Limburg 20 maart 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024 (hoger beroep: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 februari 2026, zaaknummer 200.340.176/01, productie 38 van [procesdeelnemer 3] )
Zie productie 37 van [procesdeelnemer 3]
Artikel 217 Rv
Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787
Zie de incidentele conclusie tot tussenkomst c.q. voeging van 2 augustus 2023
Zie de akte uitlating incident voeging van [procesdeelnemer 3] van 2 augustus 2023
Ook artikel 217 Rv
Zie wijziging van eis (van 26 maart 2026)
vgl. het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:997
Zie productie 26 van GHE
Zie productie 30 van GHE
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 augustus 2024
Zie opnieuw productie 30 van GHE
Producties 1 en 2 van [procesdeelnemer 3]
Rechtbank Gelderland 18 september 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:6401
ECLI:NL:RBGEL:2023:788
Zie productie 8 van GHE
Zie randnummer 27 CvA
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2017, zaaknummer 200.172.466, productie 3 van [procesdeelnemer 3]
Zie 5.11 van het tussenvonnis van 18 september 2019 ECLI:NL:RBGEL:2019:6401
Zie 5.14 idem
ECLI:NL:GHARL:2017:5164, r.o. 5.5
Productie 20 van [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19]
Productie 15 van GHE
ECLI:NL:RBGEL:2023:788, r.o. 2.5
Zie producties 9 en 10 van GHE
Zie productie 30 van [procesdeelnemer 3]
Zie producties 23 en 29 van GHE
Zie producties 16 tot en met 18 van GHE
Zie artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
Zie gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1041, productie 11 van [procesdeelnemer 3]
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in het vonnis uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10535503 \ UC EXPL 23-3711
Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van 1 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
1. Groene Heuvels Exploitatie B.V.,
gevestigd in Ewijk ,
gemachtigde: mr. H.C.J. Oomen,
de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging2. Vereniging van bungaloweigenaren De Groene Heuvels ,
gevestigd in Ewijk ,
gemachtigde: mr. H.C.J. Oomen, die zich heeft onttrokken,
eiseressen in conventie in de hoofdzaak,
verweersters in reconventie in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
hierna samen te noemen: GHE en VEBEGH ,
tegen
[procesdeelnemer 3] ,
wonende in [plaats 1] ,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiser in reconventie in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: [procesdeelnemer 3] ,
gemachtigde: mr. D.A. Boor.
en
1. [procesdeelnemer 4] , wonende in [plaats 2] ,
2. [procesdeelnemer 5] , wonende in Frankrijk,
3. De rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Eigenaren Bungalowpark Groene Heuvels , gevestigd in Ewijk ,
4. [procesdeelneemster 6] , wonende in [plaats 3] ,
5. [procesdeelneemster 7] B.V., gevestigd in [plaats 4] , België,
6. [procesdeelnemer 8] , wonende in [plaats 5] ,
7. [procesdeelnemer 9] , wonende in [plaats 5] ,
8. [procesdeelnemer 10] , wonende in [plaats 6] ,
9. [procesdeelnemer 11] , wonende in [plaats 7] ,
10. [procesdeelnemer 12] , wonende in [plaats 7] ,
11. [procesdeelneemster 13] , wonende in [plaats 7] ,
12. [procesdeelnemer 14] , wonende in [plaats 7] ,
13. [procesdeelnemer 15] , wonende in Portugal,
14. [procesdeelneemster 16] , wonende in Portugal,
15. [procesdeelnemer 17] ,
15. [procesdeelnemer 18] , wonende in [plaats 8] ,
16. [procesdeelneemster 19] , wonende in [plaats 8] ,
eisers in het incident,
gemachtigde: mr. D.A. Boor.
1De procedure in het incident en in de hoofdzaak (conventie en reconventie)
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in de hoofdzaak van 16 mei 2023 met producties 1-7
- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties 1-14- de incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging
- de akte antwoord incident voeging van GHE en VEBEGH
- de akte uitlating incident voeging met reactie op de akte antwoord
- de akte inzake voeging dan wel tussenkomst met één productie van [procesdeelnemer 3]
- de akte antwoord incident voeging en tussenkomst van GHE en VEBEGH
- de conclusie van antwoord in reconventie en uitlating voegingsverzoeken met producties 8-13
- de akte overleggen producties 15-21 van [procesdeelnemer 3]
- de akte uitlating en overlegging producties 14-22 en vermindering van eis van GHE en VEBEGH
- de akte overlegging producties 22-26 van [procesdeelnemer 3]
- de akte overlegging producties 1-21 van [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19]
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 15 augustus 2024
- de akte uitlaten van [procesdeelnemer 3] met producties 29-30
- de antwoordakte met producties 23-24
- het faillissement van GHE op 18 maart 2025
- het e-mailbericht van de rechtbank van 24 april 2025 aan de curator (mr. C. Donners) of de procedure van GHE wordt overgenomen
- het bericht van 10 juni 2025, namens de curator, dat de procedure van GHE niet wordt overgenomen
- de akte uitlating producties van [procesdeelnemer 3] met producties 31-34
- de akte overlegging producties van [procesdeelnemer 3] met producties 35-37
- de akte uitlating van [procesdeelnemer 3] met producties 38-40
- de akte overlegging producties 41-43 van [procesdeelnemer 3]
- de akte overlegging producties 25-30 en wijziging eis van GHE en VEBEGH
- het e-mailbericht van 27 maart 2026 van de heer [A] , namens VEBEGH , dat VEBEGH zich in de zaaknummers 10535503 UC EXPL 23-3711 en 10937902 UC 24-1242 terugtrekt als eisende partij.
1.2
Op 1 april 2026 heeft (een voortzetting van) de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de hoofdzaak en het incident. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaak van GHE tegen de heer [B] (zaaknummer 10937902 UC EXPL 24-1242).
1.3
Van de zijde van GHE zijn verschenen de heer [C] en de heer [D] , bijgestaan door mr. Oomen, de gemachtigde van GHE . Namens VEBEGH was niemand aanwezig. Mr. Oomen heeft verklaard dat hij niet meer fungeert als gemachtigde van VEBEGH . Daarom ten onrechte vermelden de processtukken die ten behoeve van de deze voortgezette mondelingen behandeling door mr. Oomen in het geding zijn gebracht dat hij (nog) optreedt mede namens VEBEGH . [procesdeelnemer 3] is verschenen, bijgestaan door mr. Boor.
Van de voegende/tussenkomende partijen waren aanwezig: de heer [procesdeelnemer 18] , mevrouw [procesdeelneemster 19] , de heer [procesdeelnemer 15] en mevrouw [procesdeelneemster 16] , mevrouw [procesdeelneemster 6] en de heer [procesdeelnemer 14] .
1.4
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen op de zitting is besproken.
1.5
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident en de hoofdzaak.
2De beoordeling in het incident en de hoofdzaak
De achtergrond
2.1
GHE exploiteerde (tot haar faillissement), in opdracht van VEBEGH en de besloten vennootschap [onderneming 1] B.V. ( [onderneming 1] ), vakantiepark “ t Broeckhuys ” (voorheen “De Groene Heuvels”) in Ewijk . [onderneming 1] heeft de ondergrond van het park in erfpacht van een derde. [onderneming 1] is geen partij in deze procedure. Op het vakantiepark staan 205 bungalows.
2.2
[procesdeelnemer 3] heeft op 25 juli 2020 een vakantiebungalow op het vakantiepark gekocht, die op 10 september 2020 aan hem is geleverd. In de akte van levering staat dat de koop van de vakantiebungalow gepaard gaat met een verplicht lidmaatschap bij VEBEGH . De grond onder de bungalow heeft [procesdeelnemer 3] in ondererfpacht van [onderneming 1] .
2.3
VEBEGH verenigt het grootste gedeelte (160) van de bungaloweigenaren op het vakantiepark. Een deel van de eigenaren is lid van de in 2017 opgerichte Eigenarenvereniging Bungalowpark Groene Heuvels (EBGH).
In de algemene ledenvergadering van VEBEGH wordt jaarlijks de hoogte van de parkbijdrage vastgesteld. VEBEGH bracht maandelijks bij alle bungaloweigenaren (dus ook de eigenaren die geen lid zijn van VEBEGH ) parklasten in rekening (tot 2022). Vanaf 2022 is GHE met die taak belast.
2.4
[procesdeelnemer 3] heeft zijn lidmaatschap bij VEBEGH per 1 mei 2021 opgezegd. Hij is lid geworden van EBGH, van welke vereniging hij ook bestuurslid ( [functie] ) is.
2.5
Er bestaat al ruim tien jaar een discussie tussen een aantal bungaloweigenaren (onder wie [procesdeelnemer 3] ) en GHE en VEBEGH over de (verantwoording van de) hoogte van de parkbijdrage en de besteding ervan. Dit geschil heeft geleid tot meerdere gerechtelijke procedures.
2.6
[procesdeelnemer 3] en een aantal andere bungaloweigenaren (die lid zijn van EBGH) hebben de betaling van de door GHE en VEBEGH gefactureerde bijdragen geheel of gedeeltelijk opgeschort. [procesdeelnemer 3] heeft daarbij verzocht om een verifieerbare onderbouwing van de parkbijdrage.
2.7
Op 3 mei 2023 heeft GHE conservatoir beslag gelegd op het ondererfpachtrecht met bungalow van [procesdeelnemer 3] . Op 16 mei 2023 hebben GHE en VEBEGH deze procedure gestart. Zij eisen, kort gezegd, dat [procesdeelnemer 3] wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande parkbijdrage.
2.8
GHE en VEBEGH hebben ook andere bungaloweigenaren gesommeerd om hun openstaande parkbijdrage te voldoen. Met [procesdeelnemer 3] (en die bungaloweigenaren) is afgesproken dat zij in afwachting van de uitkomst van deze procedure 57% van de gefactureerde parkbijdrage en aanvullende kosten zullen voldoen.
2.9
Sinds juli 2024 werken VEBEGH en EBGH samen. Voor het vakantiepark is een nieuwe juridische structuur opgezet waardoor het geschil voor de toekomst beëindigd kan worden. Er is op 31 oktober 2025 een convenant opgesteld tussen zes stakeholders, waaronder VEBEGH en EBGH.
2.10
GHE verkeert sinds 18 maart 2025 in staat van faillissement. De curator heeft de procedure van GHE niet overgenomen zoals bedoeld in artikel 27 lid 1 van de Faillissementswet (Fw). VEBEGH heeft zich op 26 maart 2026 uit de procedure teruggetrokken.
Het incident tot voeging en tussenkomst
Voeging
2.11
De bungaloweigenaren [procesdeelnemer 4] , [procesdeelnemer 5] , [procesdeelneemster 6] , [procesdeelnemer 10] , [procesdeelnemer 15] en [procesdeelneemster 16] , [procesdeelnemer 12] en [procesdeelneemster 13] , [procesdeelnemer 11] , [procesdeelnemer 8] , [procesdeelnemer 9] , [procesdeelnemer 17] , [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] (hierna: [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] ), en de rechtspersonen EBGH en [procesdeelneemster 7] , hebben gevorderd dat het hen wordt toegestaan zich aan de zijde van [procesdeelnemer 3] te voegen.
2.12
Een partij die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangige procedure kan vragen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een dergelijk belang is voldoende dat de partij die voeging vraagt nadelige gevolgen kan ondervinden van een ongunstige uitkomst van de procedure voor de partij aan de zijde van wie hij zich wil voegen. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die (1) de toe- of afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of (2) het gezag van gewijsde van de eindbeslissingen in die procedure zullen kunnen hebben voor degene die de voeging vraagt.
2.13
Ten aanzien van de rechtspersonen [procesdeelneemster 7] en EBGH is het vereiste belang bij voeging niet komen vast te staan. GHE en VEBEGH hebben onweersproken gesteld dat [procesdeelneemster 7] de openstaande parkbijdrage (finaal) heeft betaald op het moment dat zij haar vakantiebungalow notarieel overdroeg aan een derde partij. Dat [procesdeelneemster 7] op dit moment nog een belang heeft bij dit geding is niet gebleken.
Voor EBGH geldt het volgende. EBGH stelt dat zij 82 bungaloweigenaren op het vakantiepark vertegenwoordigt en dat zij om die reden een eigen belang heeft, maar zij heeft nagelaten de individuele belangen van de door haar vertegenwoordigde bungaloweigenaren te concretiseren. Dat had zij wel moeten doen. Zonder nadere toelichting van EBGH op dit punt kan er geen belang worden vastgesteld.
2.14
De in 2.11 genoemde bungaloweigenaren hebben daarentegen wel een zelfstandige/individueel belang. Deze bungaloweigenaren hebben net als [procesdeelnemer 3] de betaling van een deel van de parkbijdrage opgeschort totdat, zo stellen zij, GHE en VEBEGH in rechte hebben aangetoond dat de kostenposten die ten laste van alle parkeigenaren worden gebracht redelijk zijn. Om hun eigen belangen te beschermen scharen zij zich achter [procesdeelnemer 3] . Daarmee is sprake van een belang in de zin van artikel 217 Rv. De vordering tot voeging voor zover die is ingediend door deze bungaloweigenaren is dus toewijsbaar. GHE en VEBEGH hebben gevraagd om aan het toestaan van de voeging de voorwaarde te verbinden dat de voegende bungaloweigenaren zich zullen conformeren aan het vonnis in de hoofdzaak, maar dat zal de kantonrechter niet doen. Een (juridische) noodzaak voor het toevoegen van deze voorwaarde is gesteld noch gebleken.
2.15
Als een vordering tot voeging wordt toegewezen mag de voegende partij, ter ondersteuning van de partij achter wie zij zich schaart, stukken indienen en deelnemen aan de zitting. In dit geval zijn de voegende partijen niet in de gelegenheid gesteld om stukken in te dienen. Namens de voegende partijen is namelijk door mr. [E] (een kantoorgenoot van mr. Boor) aangevoerd, kort gezegd, dat zij zich achter [procesdeelnemer 3] scharen en dat de stellingen van [procesdeelnemer 3] in zijn conclusie van antwoord als hun stellingen moeten worden beschouwd. Dat is ook onderschreven door mr. Boor, de gemachtigde van [procesdeelnemer 3] . De incidentele vorderingen tot voeging/tussenkomst zijn daarom vanwege de proceseconomie gelijktijdig behandeld met de vorderingen in de hoofdzaak. Partijen hebben daar geen bezwaar tegen gemaakt. De voegende partijen zijn via mr. Boor (die mr. [E] heeft opgevolgd) uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 15 augustus 2024 en de voortzetting daarvan op 1 april 2026. Mr. Boor heeft op de mondelinge behandeling, daar naar gevraagd, ook bevestigd dat hij ook voor de voegende partijen spreekt.
2.16
Dat de voegende partijen door deze procesvoering in hun belangen zijn geschaad is gesteld noch gebleken. Overigens heeft mr. Boor, namens voegende partijen [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] , voor de mondelinge behandeling van 15 augustus 2024 een akte overlegging producties ingediend. Deze akte behoort tot de processtukken.
Tussenkomst
2.17
[procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] hebben naast hun vordering tot voeging verzocht om tussenkomst. In een lopende rechtszaak kan een derde partij vragen om te mogen tussenkomen als hij een eigen vordering wil instellen tegen (een van) de procederende partijen en als hij voldoende belang heeft om aan de procedure deel te nemen. Met (toewijzing van) de incidentele vordering tot tussenkomst zouden [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] dus de bevoegdheid krijgen om in de procedure in de hoofdzaak een eigen vordering tegen GHE en VEBEGH in te stellen. Omdat met dit vonnis (ook) wordt beslist in de procedure in de hoofzaak hebben [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] geen belang meer bij de toewijzing van hun vordering tot tussenkomst. Die vordering wordt daarom afgewezen.
Overigens is onduidelijk gebleven welke vordering [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] jegens GHE hadden willen instellen. Zij hebben daar niets over gesteld.
In de hoofdzaak in conventie
2.18
Volgens GHE en VEBEGH staan er voor verleende diensten (parklasten en aanvullende kosten) bedragen open van € 2.186,50 (2021) en € 4.781,96 (vanaf 2022 tot en met maart 2025). Het over 2021 openstaande bedrag moet aan VEBEGH worden betaald en het vanaf 2022 openstaande bedrag aan GHE .
VEBEGH heeft zich teruggetrokken uit de procedure
2.19
Op 27 maart 2026 heeft de kantonrechter een bericht ontvangen van de heer [A] , namens het bestuur van VEBEGH , waarin wordt meegedeeld dat VEBEGH zich terugtrekt als eisende partij in de procedure 10535503 UC EXPL 23-3711 (deze procedure). In de bij het e-mailbericht gevoegde brief van 26 maart 2026 stelt [A] het volgende:
“(…)
De redenen voor deze intrekking zijn als volgt:
De rol van VEBEGH is gedurende deze procedure gewijzigd. Voorheen was zij de entiteit die de parkbijdrage inde; deze rol vervult zij inmiddels niet meer.
De VEBEGH is thans uitsluitend nog formeel partij in deze procedure en ontvangt reeds geruime tijd geen correspondentie of inhoudelijke betrokkenheid meer met betrekking tot de vordering.
Op het park is een verzoeningsproces gaande. Voortzetting van oude geschillen werkt dit proces tegen en houdt bestaande spanningen in stand.
De VEBEGH is niet de houder van de vordering. Indien de vordering zou worden toegewezen, dient het eventueel toegekende bedrag te worden doorgestort aan de curator.
Gezien het voorgaande ziet de VEBEGH geen aanleiding de procedure voort te zetten en trekt zij zich hierbij formeel terug als eisende partij.
Wij verzoeken u tevens om in verband met deze intrekking geen (proces)kosten aan de VEBEGH in rekening te brengen.
(…)”
2.20
Uit deze brief volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat VEBEGH de vordering ten aanzien van [procesdeelnemer 3] intrekt. Intrekking van een vordering moet in beginsel worden opgevat als een vermindering van eis, als bedoeld in artikel 129 Rv, tot nihil. Op grond van dit artikel mag een eiser ( VEBEGH ) zijn eis verminderen zolang de rechter geen eindvonnis heeft gewezen. Instemming of medewerking van de gedaagde ( [procesdeelnemer 3] ) is niet vereist. Dit betekent dat er geen (aan VEBEGH te betalen) vordering meer is die voor beoordeling in aanmerking komt.
2.21
Het betoog van mr. Oomen op de mondelinge behandeling van 1 april 2026 dat de mededeling van de heer [A] namens VEBEGH geen gevolgen heeft omdat VEBEGH een aan de curator gecedeerde vordering niet kan intrekken, maakt dat niet anders. In de eerste plaats is in een laat stadium van de procedure (op de voortzetting van de mondelinge behandeling) gebleken dat mr. Oomen zich heeft teruggetrokken als de gemachtigde van VEBEGH en dus niet langer bevoegd is namens VEBEGH op te treden. Mr. Oomen fungeert evenmin als de advocaat van de curator, nog daargelaten dat de curator de procedure van GHE niet heeft overgenomen en dus ook geen partij is in dit geding. Overigens is de vordering op [procesdeelnemer 3] helemaal niet gecedeerd aan de faillissementsboedel, zo blijkt uit het e-mailbericht van de advocaat van de curator van
16 maart 2026.
2.22
Omdat VEBEGH zich op 26 maart 2026 uit de procedure heeft teruggetrokken en de vordering die betrekking heeft op betaling van de voorlopige parkbijdrage (voor het jaar 2021) aan VEBEGH moet worden aangemerkt als verminderd naar nihil, hoeft er niet beslist te worden op dat onderdeel van de vordering van VEBEGH (en GHE ).
2.23
Hoewel VEBEGH in deze procedure tot 26 maart 2026 met GHE is opgetrokken en dus als eisende partij moet worden aangemerkt, zal de kantonrechter voor de leesbaarheid van het vonnis hierna alleen over GHE spreken.
Ten aanzien van de vordering die ziet op betaling aan GHE
2.24
De curator heeft aangegeven dat hij het geding niet overneemt. [procesdeelnemer 3] heeft op grond van artikel 27 lid 2 Fw ontslag van instantie gevraagd maar hij heeft dat verzoek op de mondelinge behandeling van 1 april 2026 ingetrokken. De kantonrechter zal dus beslissen op de vordering van GHE . In verband met het faillissement van GHE betekent dit dat de procedure tussen GHE en [procesdeelnemer 3] wordt voortgezet buiten bezwaar van de boedel. Een eventuele veroordeling van de gefailleerde (bijvoorbeeld tot betaling van proceskosten) geldt dan niet als een schuld van de failliete boedel.
2.25
Zoals in 2.18 is overwogen vordert GHE (na wijziging van eis) veroordeling van [procesdeelnemer 3] tot betaling aan GHE van € 4.781,96 aan openstaande parkbijdrage en aanvullende kosten in de periode 1 januari 2022 tot en met 1 maart 2025, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 447,80. GHE heeft verwezen naar een uitdraai van de administratie van GHE waarop de openstaande bedragen staan vermeld.
Overigens lijkt GHE er in de akte wijziging eis voor de zitting van 1 april 2026 vanuit te gaan dat de kantonrechter ook andere partijen kan veroordelen naast [procesdeelnemer 3] . Deze partijen zijn echter geen procespartij, zodat alleen daarom al degelijke veroordelingen niet uitgesproken kunnen worden in deze zaak.
2.26
De vordering is gebaseerd op vaste rechtspraak, waarin is aanvaard dat ook een bungaloweigenaar die géén lid is van een vereniging van eigenaren of die niet een overeenkomst heeft gesloten met een exploitant van een vakantiepark bij moet dragen in de parklasten. De kantonrechter onderschrijft dat uitgangspunt. Iedere bungaloweigenaar is op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden bij te dragen in de gemeenschappelijk te maken kosten voor de basisvoorzieningen van het vakantiepark. Niet betalende eigenaren, die wel het genot hebben van de algemene en recreatieve voorzieningen op het park, zouden anders ongerechtvaardigd worden verrijkt ten opzichte van de eigenaren die de parkbijdrage wel betalen.
2.27
Partijen hebben na de mondelinge behandeling op 15 augustus 2024 geprobeerd een oplossing te vinden voor hun geschil. De kantonrechter heeft partijen toen meegegeven dat zij, in het geval zij het niet eens zouden worden, aan de kantonrechter kunnen voorleggen op welk (goed omkaderd) punt zij een beslissing van de kantonrechter wensen. Dat hebben partijen niet gedaan. Wel zijn er (veel) stukken gewisseld die op detailniveau ingaan op de (verantwoording van de) verschillende posten die aan de parkbijdrage en de aanvullende kosten ten grondslag zijn gelegd.
Op de voortgezette mondelinge behandeling hebben beide partijen verklaard dat zij duidelijkheid willen over de vordering van GHE en over wat er wel en niet onder de parkbijdrage valt. Daarover zal de kantonrechter hierna oordelen.
De standpunten van partijen over de hoogte van de parkbijdrage
2.28
GHE factureerde in 2022 aan [procesdeelnemer 3] maandelijks een bedrag van € 263,80, in 2023 een bedrag van € 275,90, in 2024 € 289,45, en in 2025 € 297,68 (alle bedragen inclusief btw). Dit maandelijkse bedrag bestaat uit een post Voorlopige Parkbijdrage, een voorschot Afvalverwijdering, een voorschot Water en Reinigingsheffing Collectief verhurend. Over de voorschotten oordeelt de kantonrechter vanaf 2.46.
2.29
In 2022 bedroeg de Voorlopige Parkbijdrage € 175,00 en in 2023 € 185,00 (beide bedragen exclusief btw).
2.30
GHE heeft ter onderbouwing van de in rekening gebrachte Voorlopige Parkbijdrage gewezen op de uitkomst in een door een aantal bungaloweigenaren aanhangig gemaakte procedure (tegen VEBEGH ) bij de rechtbank Gelderland over de parkbijdragen voor de jaren 2015 en 2016. In die procedure is op 18 september 2019 een tussenvonnis gewezen, waarin een deskundige is benoemd. Na het onderzoek door de deskundige heeft de rechtbank op 15 februari 2023 eindvonnis gewezen waarin, voor zover hier van belang, de volgende verklaringen van recht zijn gegeven:
de parkbijdrage 2015 is naar billijkheid bepaald op een bedrag van € 138,- exclusief btw per maand,
de parkbijdrage 2016 is naar billijkheid bepaald op een bedrag van € 149,90 exclusief btw per maand, en
de parkbijdragen van de daaropvolgende jaren kunnen slechts worden verhoogd met de prijsindex van het CBS voor consumenten.
2.31
GHE heeft onweersproken gesteld dat doorrekening met het door de rechtbank Gelderland bepaalde bedrag vanaf 2016 met de prijsindex van het CBS voor consumenten (CPI) ertoe leidt dat de parklasten in 2023 maximaal € 189,44 (exclusief btw) mogen zijn. Dat is dus méér dan het bedrag van € 185,- dat GHE als voorlopige parkbijdrage bij [procesdeelnemer 3] in rekening heeft gebracht.
2.32
[procesdeelnemer 3] erkent dat hij als bungaloweigenaar, die geen lid is van VEBEGH , gehouden is om bij te dragen in de gemeenschappelijk te maken beheer- en onderhoudskosten van het vakantiepark, maar niet in de exploitatiekosten van het vakantiepark. Hij meent dat de uitspraak van de rechtbank Gelderland niet aan de vordering ten grondslag mag worden gelegd en dat GHE niet aan haar stel- en bewijsplicht heeft voldaan. Artikel 21 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is volgens hem geschonden. GHE is onvoldoende transparant over de besteding van die parkbijdrage en [procesdeelnemer 3] mist een verifieerbare onderbouwing. Subsidiair stelt [procesdeelnemer 3] zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag sterk gematigd moeten worden. Hij heeft bepleit dat de parkbijdrage voor de basisvoorzieningen in redelijkheid gebaseerd zou moeten worden op € 50,00 (exclusief btw). Dat bedrag is genoemd in het in de zaak van bungaloweigenaar [F] gewezen arrest (hierna te noemen: de zaak [F] ). Daarnaast heeft GHE volgens [procesdeelnemer 3] maar een bedrag tussen € 59,- en € 76,- aan parkbijdrage aannemelijk gemaakt (exclusief btw).
Artikel 21 Rv is niet geschonden
2.33
Partijen zijn verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (artikel 21 Rv). De kantonrechter verwerpt het verweer dat GHE die verplichting heeft geschonden. Al voordat GHE en VEBEGH deze procedure tegen [procesdeelnemer 3] hebben gestart is er veel gezegd en geschreven (door andere rechtbanken en gerechtshoven) over de door VEBEGH / GHE bij de bungaloweigenaren in rekening gebrachte parkbijdrage. Ter onderbouwing van deze vordering tot betaling van de openstaande parkbijdrage van [procesdeelnemer 3] heeft GHE in haar dagvaarding dus met name gewezen op de uitspraak van de rechtbank Gelderland. Omdat GHE meende dat zij met die uitspraak een stevige onderbouwing van haar standpunt over de parkbijdrage in handen had, heeft zij de dagvaarding van [procesdeelnemer 3] ingestoken als een incassodagvaarding. Uit het hiernavolgende zal blijken dat dat niet ten onrechte was. Overigens heeft GHE na het uitgebreide verweer van [procesdeelnemer 3] stukken ingebracht die een verdere onderbouwing van haar vordering hebben gevormd. De conclusie dat GHE in strijd met de vereiste volledigheid of waarheidsplicht heeft gehandeld kan dan ook niet worden getrokken.
De uitspaak van de rechtbank Gelderland van 15 februari 2023
2.34
De kantonrechter stelt voorop dat hij moet beslissen op de vordering van GHE tot betaling van openstaande parkbijdrage. In dat verband ligt de vraag voor of de door GHE in 2022/2023 bij [procesdeelnemer 3] in rekening gebracht parkbijdragen van € 175,- (2022) en € 185,- (2023) redelijk zijn.
2.35
[procesdeelnemer 3] heeft gelijk als hij zegt dat de beslissingen van de rechtbank Gelderland over de parkbijdrage alleen gelden tussen de partijen in die procedure. Dat neemt echter niet weg dat de overwegingen die tot die beslissingen hebben geleid wel belangrijke gezichtspunten zijn bij de beoordeling van de vordering van GHE op [procesdeelnemer 3] . In de procedure bij de rechtbank Gelderland ging het immers ook over de hoogte van de parkbijdrage die de bungaloweigenaren, die net als [procesdeelnemer 3] geen lid zijn van VEBEGH , moesten betalen.
2.36
De kantonrechter volgt de rechtbank Gelderland (en het gerechtshof in de zaak [F] ) in het oordeel dat de werkelijke exploitatiekosten van de basisvoorzieningen, die ten goede komen aan de bungaloweigenaren, als grondslag moeten dienen voor de begroting van de parkbijdrage. Iedere bungaloweigenaar is immers onderdeel van een geheel: een vakantiepark met basisvoorzieningen. Alle bungaloweigenaren hebben dus belang bij de instandhouding van het park.
2.37
Voor zover dit tussen partijen in geschil is overweegt de kantonrechter (met de rechtbank Gelderland, maar anders dan het gerechtshof in de zaak [F] ) dat het bij de doorrekening van de werkelijke kosten voor de basisvoorzieningen aan de bungaloweigenaren niet uitmaakt of er sprake is van een verhurende of een niet verhurende bungaloweigenaar. De bungalows en de basisvoorzieningen vormen tezamen het park en de bungalows kunnen in dit opzicht niet ieder op zichzelf beschouwd worden. Alle bungalows zijn immers gelegen aan verlichte wegen op een omheind terrein en aangesloten op voorzieningen als gas, water, licht en riolering, ongeacht de vraag of zij bewoond worden door de eigenaren of door huurders. Ook als de bungalows (tijdelijk) niet zijn bewoond verandert dat niets aan hun ligging in het park en hun aansluiting op de - in het park beschikbare - netwerken. Niet-verhurende eigenaren verdisconteren deze kosten in de waarde van hun woongenot; verhurende eigenaren nemen deze kosten mee in de bedongen huurprijs, waarin het - vergelijkbare - woongenot van de huurders is verdisconteerd. Voor de vraag of een bungaloweigenaar moet bijdragen in de kosten van de basisvoorzieningen, waaronder de kosten van instandhouding van het park in brede zin, doet dus niet ter zake of hij zelf in zijn bungalow verblijft/deze verhuurt/leeg laat staan.
2.38
De rechtbank Gelderland heeft overwogen dat de onder de werkelijke exploitatiekosten (dus beheer en onderhoud) moet worden verstaan de kosten van de volgende basisvoorzieningen: personeel, groenvoorziening, parkbeheer, receptie, energie, waaronder terreinverlichting, ongediertebestrijding, verzekeringen algemeen, internet, kantoorkosten en telefonie. Deze kosten komen voor volledige doorrekening in de parkbijdrage in aanmerking. Een door de rechtbank benoemde deskundige (accountant) heeft het onderzoek aan de hand van de door de rechtbank geformuleerde vragen uitgevoerd. De rechtbank heeft met inachtneming van dit onderzoek en na hoor en wederhoor in rechte vastgesteld tot welke bedragen deze kosten moeten worden doorberekend in de parkbijdrage. Anders dan [procesdeelnemer 3] heeft aangevoerd is het gerechtshof in de zaak [F] van dezelfde kostenposten uitgegaan. Het gerechtshof heeft wel ten aanzien van een aantal posten geoordeeld dat die onvoldoende onderbouwd waren waarna het gerechtshof zelf naar billijkheid een bijdrage heeft vastgesteld, met inachtneming van deze posten, te vermeerderen met een post onvoorzien.
2.39
De in 2.38 genoemde voorzieningen vormen ook in de procedure tegen [procesdeelnemer 3] een belangrijk gezichtspunt. De kantonrechter volgt [procesdeelnemer 3] niet in zijn verweer dat de akte van levering leidend is voor het bepalen van de kostenposten waaraan de eigenaren verplicht zijn bij te dragen en dat de posten huur, opslag voor risico en de algemene kosten géén onderdeel zijn van de verplichte parkbijdrage. In de akte van levering wordt immers geen uitputtende op limitatieve opsomming gegeven van de ten behoeve van het gebruik van de bungalow verleende diensten. Daarnaast lijkt [procesdeelnemer 3] geen rekening te houden met de omstandigheid dat de rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de kosten van de genoemde voorzieningen, die de deskundige heeft onderzocht en bij welk onderzoek géén onregelmatigheden in de boekhouding zijn aangetroffen, werkelijk zijn gemaakt en redelijk zijn. Niet valt in te zien op grond waarvan [procesdeelnemer 3] niet gehouden zou zijn tot een bijdrage in die werkelijke gemaakte en redelijk bevonden kosten voor beheer en onderhoud.
2.40
GHE heeft bovendien een overzicht gegeven van de in 2023 gemaakte kosten, die zijn doorberekend in de parkbijdrage voor 2023. Het gaat dan om de kosten voor personeel (parkbeheer, receptie, loonadministratiekosten en administratie/overige personeelskosten), huisvesting (huur, energiekosten, groenvoorziening, sloten, kosten infra, zakelijke lasten, overige huisvestingskosten, ongediertebestrijding), kantoorbenodigdheden (kosten kopieën, porti, automatiseringskomsten, internet), autokosten en algemene kosten (advieskosten, accountantskosten en abonnementen). Deze posten komen goeddeels overeen met de in 2.38 genoemde voorzieningen. GHE heeft deze posten onderbouwd met facturen. De totale kosten komen uit op een bedrag van € 627.817,02 waarvan 73,32 % aan de bungaloweigenaren wordt doorbelast, wat dus uitkomt op een voorlopige parkbijdrage (voor [procesdeelnemer 3] ) van € 185,- exclusief btw.
2.41
Over de beslissing van de rechtbank Gelderland dat de parkbijdragen alleen in overeenstemming met de prijsindex van het CBS voor consumenten (CPI) kunnen worden verhoogd heeft [procesdeelnemer 3] niets gezegd. Een dergelijke berekeningswijze komt de kantonrechter billijk voor, in aanmerking genomen dat de uitgangspunten voor de berekening van de parkbijdrage hetzelfde blijven. De kantonrechter neemt daarom ook deze beslissing als gezichtspunt over. Als de door de rechtbank Gelderland naar billijkheid bepaalde parkbijdrage met de CPI wordt doorgerekend naar 2023 komt dat uit op een bedrag dat hoger is dan de bij [procesdeelnemer 3] in rekening gebrachte voorlopige parkbijdrage van € 185,- exclusief btw.
2.42
In de door [procesdeelnemer 3] aangevoerde argumenten ziet de kantonrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de parkbijdragen uit 2022 en 2023 geen redelijke en reële representatie vormen van de door GHE gemaakte kosten voor beheer en onderhoud van het vakantiepark. Dat GHE met het (doorbelastings)percentage van ruim 73% een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd is gesteld noch gebleken. Ook is niet gebleken dat er voor wat betreft de opbouw en kosten van de parklasten significante wijzigingen hebben plaatsgevonden ten opzichte van 2015/2016. Reeds daarom bestaat er geen aanleiding om anders tegen de parklasten van 2022/2023 aan te kijken dan de rechtbank Gelderland heeft gedaan voor de jaren 2015/2016.
2.43
Het mag zo zijn dat GHE er niet in is geslaagd om (onderdelen van) bepaalde voorzieningen tot op de komma nauwkeurig te verantwoorden, maar daar gaat het ook niet om. Doorslaggevend is of GHE voldoende heeft gesteld en onderbouwd voor het oordeel dat de in rekening gebrachte parkbijdrage in 2022 en 2023 redelijk is. Dat is het geval en aan nadere bewijslevering wordt niet toegekomen.
2.44
Het voorgaande brengt mee dat een beoordeling van de door [procesdeelnemer 3] en de voegende bungaloweigenaren (op detailniveau) betwiste posten in het midden kan blijven. De kantonrechter merkt hierbij op dat het in zijn algemeenheid niet de taak van de rechter is om als een boekhouder te beoordelen welke kostenposten wel of niet door de beugel kunnen. En al helemaal niet in dit geval, waar de rechtbank Gelderland na uitvoerig debat tussen die partijen én onderzoek door een accountant naar de werkelijke parkkosten op grond van de in 2.38 genoemde voorzieningen, de hoogte van de parkbijdrage naar billijkheid heeft bepaald. Aan de discussie tussen partijen over het doorbelasten van de huur voor hoofd- en bijgebouwen en de omvang van de loonkosten gaat de kantonrechter dan ook voorbij, nog daargelaten dat GHE de argumenten die [procesdeelnemer 3] in dit kader naar voren heeft gebracht genoegzaam lijkt te hebben weerlegd.
2.45
[procesdeelnemer 3] moet de openstaande parkbijdrage aan GHE te betalen. Een beoordeling van de vraag of het onderhoud slecht zou zijn uitgevoerd en of de parkbijdrage aan andere doelen wordt gespendeerd dan waar het voor bedoeld is, kan in het midden blijven. GHE heeft die stellingen van [procesdeelnemer 3] gemotiveerd betwist, maar los daarvan heeft [procesdeelnemer 3] daar geen rechtsgevolg aan verbonden. Deze stellingen kunnen dan ook niets afdoen aan de gegrondheid van de vordering van GHE .
De aanvullende kosten
2.46
Naast de parkbijdrage (de kosten voor beheer en onderhoud) brengt GHE aanvullende kosten in rekening voor afvalverzameling en water. De aanvullende kosten zijn voor alle bungaloweigenaren hetzelfde, wat naar het oordeel van de kantonrechter redelijk is. Verwezen wordt naar 2.37.
2.47
GHE heeft een overzicht gegeven van de kosten voor water en afvalverzameling en de facturen van Vitens en van [onderneming 2] overgelegd. GHE heeft daaruit geconcludeerd dat de bungaloweigenaren te weinig hebben betaald voor water, maar te veel voor het afval. Voor water en afval gezamenlijk hebben zij op jaarbasis € 50,- te weinig betaald.
2.48
Omdat niet ter discussie staat dat de aanvullende kosten op basis van nacalculatie worden verantwoord en afgerekend, overeenkomstig de werkelijk gemaakte kosten, is er geen grond voor het oordeel dat de aanvullende kosten te hoog zouden zijn. Als dat zo is dan is GHE verplicht dat te verrekenen met (toekomstige) voorschotten.
Conclusie ten aanzien van de hoofdsom
2.49
De vordering van GHE tot betaling van de hoofdsom van € 4.781,96 wordt toegewezen. Voor matiging van de parkbijdrage (het subsidiaire verweer van [procesdeelnemer 3] ) bestaat geen aanleiding. Voor zover [procesdeelnemer 3] zich wil beroepen op de in de zaak [F] naar redelijkheid vastgestelde parkbijdrage voor het jaar 2013 van € 50,- exclusief btw overweegt de kantonrechter dat dat hem niet kan helpen. In de zaak [F] waren kostenposten te onduidelijk of onvoldoende onderbouwd om een goede berekening van de parkbijdrage te kunnen maken. Dat is een verschil met de procedure die daarna door een aantal bungaloweigenaren bij de rechtbank Gelderland aanhangig is gemaakt en die heeft geleid tot de naar billijkheid bepaalde parkbijdragen (na deskundigenonderzoek) voor de jaren 2015/2016.
2.50
Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal het bedrag van € 447,80 worden toegewezen.
Vordering ten aanzien van het beslag
2.51
De vordering van GHE om het op 3 mei 2023 gelegde beslag van waarde te verklaren wordt afgewezen. De kantonrechter begrijpt dat GHE daarmee wil bereiken dat beslagen onroerend goed door GHE kan worden uitgewonnen, maar die mogelijkheid wordt reeds met dit vonnis geboden. GHE wordt in de hoofdzaak in het gelijk gesteld en voor opheffing van het beslag bestaat geen aanleiding, zoals hierna zal blijken. Dat betekent dat het gelegde (conservatoire) beslag automatisch een executoriaal beslag wordt nadat het vonnis aan [procesdeelnemer 3] is betekend.
In de hoofdzaak in reconventie
De verklaringen van recht
2.52
[procesdeelnemer 3] heeft de kantonrechter gevraagd voor recht te verklaren dat VEBEGH en/of GHE , althans de exploitant van recreatiepark ‘ t Broeckhuys :
enkel in samenspraak met EBGH, althans met [procesdeelnemer 3] , kan bepalen welke posten onderdeel vormen van een verplichte parkbijdrage voor alle eigenaren en welke bedragen daarvoor in rekening gebracht worden;
jaarlijks uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het voorgaande kalenderjaar afschriften aan het bestuur van EBGH, althans aan [procesdeelnemer 3] , dient te verstrekken van de facturen van de leveranciers en betalingsbewijzen waaruit blijkt welke kosten de exploitant heeft betaald voor de posten die ten grondslag liggen aan de maandelijks gefactureerde parkbijdrage, waaronder maar niet beperkt tot:
energie, water en afval (inclusief het verbruik en toerekening per afvalcontainer)
abonnementen (zoals CAI/Ziggo)
Onderhoud (groen, sloten, schouwen, riolering en pompen, speeltuinvoorziening, CAI voorziening, terreinverlichting, wegen, slagboom)
overheidsheffingen (WOZ, OZB, watersysteemheffing, riool)
kinderboerderij (diervoer, aanschaf, dierenartsen)
zakelijke kosten (administratie, kantoor, rente, afschrijving)
op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag(deel) dat niet hieraan wordt voldaan;
3. kosten die niet gerelateerd zijn aan beheer en onderhoud van het park, waaronder maar niet beperkt tot huur van het complete terrein, waterplas, wegen, infrastructuur, strandvoorzieningen en gedeelte van het hoofdgebouw, juridische kosten, winst en verliesopslag en personeelskosten, niet in de parkbijdrage mag opnemen en doorbelasten aan [procesdeelnemer 3] .
2.53
Deze vorderingen van [procesdeelnemer 3] worden afgewezen. Nog daargelaten de vraag wat zijn belang is bij deze vorderingen – partijen hebben voor de toekomst immers nieuwe afspraken gemaakt – ontbreekt een rechtsgrond. In conventie is geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat de parkbijdrage redelijk is. Het klopt dat een beheerder in beginsel de gemaakte (en doorbelaste) kosten moet kunnen staven en verantwoorden. Dat heeft GHE in de gegeven omstandigheden afdoende gedaan. Anders dan [procesdeelnemer 3] meent vloeit daar niet uit voort dat GHE verplicht is om met EBGH overleg te voeren en overeenstemming te bereiken over de parklasten en aanvullende kosten en afschriften van facturen te verstrekken zoals [procesdeelnemer 3] in de gevorderde verklaringen van recht heeft omschreven. GHE heeft in dit verband terecht opgemerkt dat de bungaloweigenaren de eventuele onredelijkheid van de parklasten en de aanvullende kosten in de ALV van VEBEGH aan de orde kunnen stellen. Iedere bungaloweigenaar kan lid kan zijn van VEBEGH .
2.54
Bovendien zijn de gevorderde verklaringen van recht dermate gedetailleerd geformuleerd dat, áls ze al voor toewijzing in aanmerking zouden komen, toewijzing daarvan tot executie- en uitvoeringsproblemen zal leiden. De kantonrechter volgt GHE dan ook in haar verweer op dit punt.
Het beslag wordt niet opgeheven
2.55
Tussen partijen is tenslotte in geschil of de door GHE en VEBEGH gelegde conservatoire beslag op het kadastrale ondererfpachtrecht en bungalow moet worden opgeheven.
2.56
Op grond van artikel 705 lid 2 Rv wordt de opheffing van een conservatoir beslag onder meer uitgesproken als summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht. Degene die opheffing vordert moet aannemelijk maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, maar er wordt uiteindelijk beslist aan de hand van wat door beide partijen (onderbouwd) naar voren is gebracht. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de vordering een belangenafweging maken.
2.57
Volgens [procesdeelnemer 3] is het door GHE en VEBEGH ingeroepen recht ondeugdelijk, omdat de vordering waarvoor beslag is gelegd onvoldoende is onderbouwd. De kantonrechter volgt [procesdeelnemer 3] niet. De beoordeling in conventie heeft geleid tot de conclusie dat GHE wel degelijk een vordering heeft op [procesdeelnemer 3] . [procesdeelnemer 3] heeft onvoldoende onderbouwd waarom dat niet het geval is en heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een ondeugdelijk ingeroepen recht.
2.58
Een afweging van de belangen van partijen leidt niet tot een andere conclusie. [procesdeelnemer 3] heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat zijn belang zwaarder moet wegen. Dat [procesdeelnemer 3] op een onevenredig zware wijze in zijn belangen is getroffen blijkt dus ook nergens uit.
De vordering tot opheffing van beslag wordt daarom afgewezen.
De proceskosten
In het incident
2.59
Omdat geen van partijen als in het ongelijk gesteld kan worden beschouwd, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De kantonrechter merkt hierbij dat voor een vordering tot voeging/tussenkomst in kantonzaken géén griffierecht wordt geheven.
In de hoofdzaak in conventie
2.60
VEBEGH heeft zich teruggetrokken uit de procedure en zij wordt geacht haar eis te hebben verminderd tot nihil. De kantonrechter ziet geen aanleiding om ten aanzien van VEBEGH een proceskostenveroordeling uit te spreken, omdat de proceskosten aan de zijde van [procesdeelnemer 3] evenzeer zouden zijn gemaakt indien alleen GHE zou hebben gedagvaard. [procesdeelnemer 3] is ten aanzien van de eis van GHE in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van GHE betalen. De proceskosten van GHE worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
107,32
- griffierecht
€
676,00
- beslagkosten
€
693,92
- salaris gemachtigde
€
1.440,00
(4 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.061,24
2.61
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In de hoofdzaak in reconventie
2.62
[procesdeelnemer 3] is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van GHE worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
180,00
(1 punt × factor 0,5 × € 360,00)
Totaal
€
180,00
3De beslissing
De kantonrechter
in het incident
3.1
staat [procesdeelnemer 4] , [procesdeelnemer 5] , [procesdeelneemster 6] , [procesdeelnemer 10] , [procesdeelnemer 15] en [procesdeelneemster 16] , [procesdeelnemer 12] en [procesdeelneemster 13] , [procesdeelnemer 11] , [procesdeelnemer 8] , [procesdeelnemer 9] , [procesdeelnemer 17] , [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19] toe zich in de hoofdzaak aan de zijde van [procesdeelnemer 3] te voegen,
3.2
verstaat, onder verwijzing naar 2.15 en 2.16 dat de standpunten van de voegende partijen volledig overeenkomen met de standpunten die door [procesdeelnemer 3] zijn verwoord,
3.3
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, waarbij de voegende partijen worden ontheven uit de verplichting om griffierecht te betalen,
3.4
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak in conventie
3.5
veroordeelt [procesdeelnemer 3] tot betaling van € 4.781,96, te vermeerderen met de buitengerechtelijk incassokosten van € 447,80,
3.6
veroordeelt [procesdeelnemer 3] in de proceskosten van € 3.061,24, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
3.7
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak in reconventie
3.8
wijst de vordering af,
3.9
veroordeelt [procesdeelnemer 3] in de proceskosten van € 180,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
In de hoofdzaak in conventie en reconventie
3.10
veroordeelt [procesdeelnemer 3] tot betaling van de kosten van betekening als [procesdeelnemer 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.11
veroordeelt [procesdeelnemer 3] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.12
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.5, 3.6, 3.9 tot en met 3.11 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
1257
Zie bijvoorbeeld: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2017, zaaknummer gerechtshof 200.172.466, productie 3 van [procesdeelnemer 3] , Rechtbank Gelderland 15 februari 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:788, en rechtbank Limburg 20 maart 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024 (hoger beroep: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 februari 2026, zaaknummer 200.340.176/01, productie 38 van [procesdeelnemer 3] )
Zie productie 37 van [procesdeelnemer 3]
Artikel 217 Rv
Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787
Zie de incidentele conclusie tot tussenkomst c.q. voeging van 2 augustus 2023
Zie de akte uitlating incident voeging van [procesdeelnemer 3] van 2 augustus 2023
Ook artikel 217 Rv
Zie wijziging van eis (van 26 maart 2026)
vgl. het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:997
Zie productie 26 van GHE
Zie productie 30 van GHE
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 augustus 2024
Zie opnieuw productie 30 van GHE
Producties 1 en 2 van [procesdeelnemer 3]
Rechtbank Gelderland 18 september 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:6401
ECLI:NL:RBGEL:2023:788
Zie productie 8 van GHE
Zie randnummer 27 CvA
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2017, zaaknummer 200.172.466, productie 3 van [procesdeelnemer 3]
Zie 5.11 van het tussenvonnis van 18 september 2019 ECLI:NL:RBGEL:2019:6401
Zie 5.14 idem
ECLI:NL:GHARL:2017:5164, r.o. 5.5
Productie 20 van [procesdeelnemer 18] en [procesdeelneemster 19]
Productie 15 van GHE
ECLI:NL:RBGEL:2023:788, r.o. 2.5
Zie producties 9 en 10 van GHE
Zie productie 30 van [procesdeelnemer 3]
Zie producties 23 en 29 van GHE
Zie producties 16 tot en met 18 van GHE
Zie artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
Zie gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1041, productie 11 van [procesdeelnemer 3]
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in het vonnis uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.