Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4093

2026-04-14 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht UTR 25/6916
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-04-14
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/6916
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Pw. Aanvraag om bijstand afgewezen. Medewerkeringsplicht. Zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Beroep ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.316 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/6916


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: N.G.A. Voorbach),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, het college
(gemachtigde: mr. B. Muminovic).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om haar een uitkering te verlenen op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. De reden hiervoor is dat het recht op bijstand van eiseres niet kan worden vastgesteld, omdat eiseres haar medewerkingsverplichting heeft geschonden. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiseres heeft op 29 april 2025 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Pw (bijstandsuitkering). Eiseres heeft op het aanvraagformulier vermeld geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben.

3. Vanwege de onduidelijkheid over de woon- en leefsituatie van eiseres, heeft er op 6 mei 2025 een intakegesprek plaatsgevonden. Daarbij is gebleken dat eiseres als logee op het adres van de heer [A] verblijft waar ze sinds 8 juli 2024 staat ingeschreven. Het adres dient als postadres.

4. Het college heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 10 mei 2025 afgewezen, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld in verband met de woon- en leefsituatie van eiseres. Haar hoofdverblijf kan namelijk niet worden vastgesteld, omdat zij zelf heeft verklaard dat het adres waarop zij staat ingeschreven een post- en logeeradres is terwijl zij op haar aanvraagformulier heeft aangegeven dak- en thuisloos te zijn. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

5. Tijdens de bezwaarfase is gebleken dat het onderzoek door de vakafdeling van het college onvoldoende was en dat het besluit van 10 mei 2025 niet voldoende gemotiveerd was om het besluit te kunnen dragen. Daarom heeft het college op 16 september 2025 een e-mail aan de gemachtigde van eiseres gestuurd waarin het volgende voorstel werd gedaan:



“Ðe vakafdeling neemt z.s.m. contact op met uw cliënte voor het opvragen van ontbrekende gegevens en er wordt met voorrang een intakegesprek gepland. De meldingsdatum van de eerste bijstandsaanvraag blijft staan (29 april 2025). De vakafdeling zal het huidige besluit d.d. 10 mei 2025 intrekken en een nieuw besluit nemen. Aan u/Bezwaartegenuitkering.nl B.V. wordt 1 punt toegekend op grond van het “Besluit proceskosten bestuursrecht’ voor het indienen van het bezwaarschrift. Mocht u/uw cliënte zich in het bovenstaande kunnen vinden, hoor ik dat graag vóór 25 september 2025 van u.”



6. Diezelfde dag heeft de gemachtigde van eiseres per e-mail gereageerd en het voorstel afgewezen; er is aangevoerd dat eiseres gehoord wil worden en dat om een voorlopige voorziening is verzocht bij de rechtbank. Op 19 september 2025 heeft het college een brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd met het verzoek om de gegevens aan te vullen en een uitnodiging voor een hoorzitting op 1 oktober 2025. Op 1 oktober 2025, na het moment waarop de hoorzitting gepland was, heeft de gemachtigde van eiseres per e-mail gereageerd en nogmaals laten weten dat eiseres het niet eens is met het opnieuw nemen van het besluit en het verzoek om gegevens aan te vullen. Eiseres wil enkel in bezwaar gehoord worden.

7. Op 18 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie bezwaarschriften, waar de heer Kuipers namens eiseres verschenen is. In het advies van diezelfde datum heeft de commissie het college geadviseerd om het besluit van 10 mei 2025 in stand te laten, met een aangepaste motivering in die zin dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat eiseres niet aan haar medewerkingsverplichting heeft voldaan door geen nadere stukken aan te leveren en niet te verschijnen bij de hoorzitting op 1 oktober 2025. Het college heeft dit advies overgenomen en met het besluit van 20 november 2025 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

8. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

9. De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen.




Beoordeling door de rechtbank



Zorgvuldigheidsbeginsel

10. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Awb, omdat het college zich onvoldoende heeft verdiept in haar persoonlijke situatie. Het college heeft nagelaten de benodigde informatie over relevante feiten te verzamelen en deze zorgvuldig tegen elkaar af te wegen. Eiseres beschikt niet over een eigen woonruimte en heeft sinds mei 2025 geen inkomen meer. Haar situatie valt duidelijk onder de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11 van de Pw. Bovendien kampt zij met ernstige medische aandoeningen en woont zij in bij een kennis, waar ze noodgedwongen op de bank slaapt omdat zij anders op straat zou belanden. Ondanks haar kwetsbare positie heeft het college gedurende een half jaar op alle mogelijke manieren geweigerd om een bijstandsuitkering te verstrekken wat volgens haar mensonterend is. Het college heeft hier geen wettelijke grondslag voor, aldus eiseres.



10.1.
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, moet iemand die bijstand aanvraagt aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de behoefte aan bijstand rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandsverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Indien een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.



10.2.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op bijstand. Tijdens de bezwaarfase heeft het college in de brief van 19 september 2025 eiseres verzocht de ontbrekende gegevens te verstrekken die nodig zijn om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Ook is eiseres uitgenodigd voor een hoorzitting. Door de gevraagde gegevens niet te verstrekken en niet te verschijnen op de hoorzitting heeft eiseres niet voldaan aan de op haar rustende medewerkingsverplichting. Daardoor heeft het college het recht op bijstand niet kunnen vaststellen. Dat het college het recht op bijstand had kunnen vaststellen op basis van de overlegde stukken zoals de bankafschriften volgt de rechtbank dan ook niet. Gezien deze omstandigheden is niet gebleken dat het college in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel.



Evenredigheidsbeginsel

11. Het bestreden besluit is volgens eiseres verder in strijd met het evenredigheidsbeginsel zoals bedoeld in artikel 3:4 van de Awb, want het belang dat het college heeft staat in geen enkele verhouding tot de nadelige gevolgen die eiseres ondervindt als gevolg van het bestreden besluit.




11.1.
De rechtbank stelt voorop dat het bestreden besluit berust op de artikelen 11, eerste lid, en 17, tweede lid, van de Pw, die bepalen dat het college bijstand verstrekt aan degene die niet in eigen levensonderhoud kan voorzien en die desgevraagd aan het college zijn of haar medewerking verleent. Deze artikelen zijn dwingend geformuleerd en de Pw is een wet in formele zin. Dit betekent dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet eraan in de weg staat de betreffende bepalingen uit de Pw te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Alleen indien er bijzondere omstandigheden zijn die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien de niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven.



11.2.
Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Ook heeft zij niet onderbouwd welke nadelige gevolgen zij zal ondervinden als gevolg van het bestreden besluit. Omdat zij en haar gemachtigde niet zijn verschenen op de zitting is dit ook daar niet verder toegelicht. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat toepassing van de artikelen 11, eerste lid, en 17, tweede lid, van de Pw zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.


12. Het overige door eiseres aangevoerde, te weten dat het college de zaak niet mocht terugsturen naar de primaire afdeling, ziet de rechtbank niet als een beroepsgrond, nu dit niet heeft plaatsgevonden. Eiseres en haar gemachtigde waren niet bij de zitting aanwezig om dit punt toe te lichten.





Conclusie en gevolgen


13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie o.m. de uitspraak van de CRvB, 19 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:973.


Zie de uitspraak van de CRvB, 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047, r.o. 7.8.1.