Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4091
2026-04-14
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 25/4584 en UTR 25/6157
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om schadevergoeding. Verzoek wordt afgewezen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5462 Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5463 Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:201 Centrale Raad van Beroep 23-01-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.764 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/4584 en UTR 25/6157
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[verzoekster 1] , uit [plaats] , verzoekster 1, en
[verzoekster 2]
, uit [plaats] , verzoekster 2
tezamen: verzoeksters
(gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger),
en
Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Koedood).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verzoeken om schadevergoeding die verzoeksters hebben ingediend op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeksters hebben twee aparte verzoeken ingediend om de kosten te vergoeden die zij aan door een arts uitgebracht medisch advies hebben moeten betalen in hun eerdere beroepsprocedure, bestaande uit een bedrag van €1.539,28 per persoon.
1.1.
De rechtbank wijst de verzoeken af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
Waar gaan deze zaken over?
2. Verzoeksters hebben eerder beiden een beroepsprocedure gevoerd tegen de afwijzing van hun aanvragen om zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). De rechtbank heeft deze beroepen op 13 september 2024 gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank verweerder opgedragen om nader onderzoek te doen en opnieuw te beslissen op de aanvragen van verzoeksters. Ook heeft de rechtbank, conform hun verzoek, verweerder veroordeeld in vergoeding van de proceskosten voor rechtsbijstand. Op 15 januari 2025 heeft verweerder, na aanvullend onderzoek, nieuwe beslissingen op bezwaar genomen en Wlz-zorg toegekend aan verzoeksters. Tegen de uitspraken van de rechtbank en de nieuwe beslissingen op bezwaar zijn geen rechtsmiddelen ingesteld.
3. Verzoeksters hebben op 29 maart 2025 verweerder aansprakelijk gesteld voor de door hen, als gevolg van verweerders besluitvorming, gestelde geleden schade bestaande uit de kosten die zijn gemaakt voor het inwinnen van medisch advies bij [bedrijf] . Verzoeksters vorderen ieder afzonderlijk een bedrag van €1.539,28 van verweerder en wijzen daarvoor beiden op twee nota’s van [bedrijf] voor het beoordelen van documenten en het verstrekken van medisch advies van 25 december 2023 (vóór de uitspraken van de rechtbank op 13 september 2024) en op 22 oktober 2024 (na de genoemde uitspraken van de rechtbank).
4. Op 1 mei 2025 heeft verweerder medegedeeld niet bereid te zijn de gemaakte kosten te vergoeden.
5. Verzoeksters hebben daarom op 7 augustus 2025 (verzoekster 1) en op 26 oktober 2025 (verzoekster 2) een verzoek om schadevergoeding ingediend bij de rechtbank. Het verzoek van verzoekster 1 is geregistreerd onder zaaknummer UTR 25/4584 en het verzoek van verzoekster 2 is geregistreerd onder zaaknummer UTR 25/6157.
6. Verweerder heeft met een verweerschrift op de verzoeken om een schadevergoeding gereageerd.
7. De rechtbank heeft de verzoeken op 16 maart 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoeksters en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vinden verzoeksters?
8. Verzoeksters vinden dat de medische kosten die zij hebben moeten maken in de eerdere beroepsprocedures binnen het bereik van 6:96, eerste lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek (BW) vallen en via artikel 6:162 van het BW daarom in aanmerking komen voor schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb. De onrechtmatigheid van de afwijzingen van de Wlz-aanvragen staat met de gegronde beroepen en nieuwe beslissingen op bezwaar immers vast, waardoor zij schade hebben geleden.
Wat vindt verweerder?
9. Verweerder heeft aangegeven niet bereid te zijn de medische kosten van verzoeksters te vergoeden. Verweerder wijst erop dat de herziene beslissingen op het bezwaar vooral zijn gebaseerd op het huisbezoek dat medisch adviseur drs. P. Pel op 18 december 2024 bij verzoeksters heeft afgelegd, waarbij is vastgesteld dat de gezondheid van verzoeksters zodanig was verslechterd dat een onafhankelijk medisch onderzoek niet langer nodig was. De medische kosten betreffen bovendien nota’s voor informatie van de behandelend artsen van verzoeksters van [bedrijf] , die geen onafhankelijke deskundigen zijn. Tijdens de beroepsprocedures heeft de rechtbank destijds alleen proceskosten voor rechtsbijstand toegekend. Als er geen verzoek wordt ingediend of de rechter gaat daar niet op in, dan wordt er geen vergoeding toegekend, ook als het beroep gegrond is. De uitspraken zijn bovendien onherroepelijk, omdat er geen hoger beroep is ingesteld. Verweerder vindt daarom dat verzoeksters zelf verantwoordelijk blijven voor de kosten van de medische informatie van hun behandelend artsen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
10. De rechtbank overweegt dat de door verzoeksters opgevoerde kosten niet in aanmerking komen voor vergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb. Dat legt de rechtbank hierna uit.
11. De rechtbank stelt vast dat de gestelde schade bij beide verzoeksters voortvloeit uit twee aparte nota’s van [bedrijf] te weten van 25 december 2023 en van 22 oktober 2024. Niet in geschil is dat in de beroepsprocedures van beide verzoeksters niet gevraagd is om vergoeding van de kosten van de rapportages van [bedrijf] .
11.1.
Ten aanzien van de nota’s van 25 december 2023 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat deze kosten zien op een door een arts uitgebracht deskundigenadvies ter onderbouwing van de standpunten van verzoeksters in hun beroepsprocedures tegen de afwijzing van de Wlz-aanvragen. Dat betekent dat deze kosten zijn aan te merken als proceskosten zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Uit artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) volgt immers dat veroordeling in deze proceskosten uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van een deskundige die verslag heeft uitgebracht aan een partij. Voor een vergoeding van dergelijke kosten biedt artikel 8:88 van de Awb geen grondslag, omdat de wetgever in de Awb en het Bpb een exclusieve regeling heeft getroffen voor vergoeding van proceskosten met een limitatief en forfaitair karakter. Het is verder vaste rechtspraak dat vergoeding van proceskosten niet alsnog via een afzonderlijke schadevergoeding kan worden geclaimd. Het door verzoeksters ter zitting ingenomen standpunt dat artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking heeft op kosten van rechtsbijstand, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook niet.
11.2.
Ten aanzien van de nota’s van 22 oktober 2024 overweegt de rechtbank dat deze kosten zien op de adviezen die de arts van [bedrijf] heeft uitgebracht over het laten plaatsvinden van nader onderzoek ná de uitspraken van de rechtbank van 13 september 2024, waarin de beroepen van verzoeksters gegrond werden verklaard. Het betreffen daarom geen kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de beroepsprocedures, zodat deze kosten buiten de reikwijdte van de onderhavige verzoeken vallen. Het op de zitting ingenomen standpunt van verzoeksters dat de kosten van 22 oktober 2024 in het verlengde van de uitspraken van 13 september 2024 zouden moeten worden gezien, volgt de rechtbank niet. In de uitspraken van 13 september 2024 heeft de rechtbank namelijk aan verweerder de opdracht gegeven nader onderzoek in te stellen, niet aan verzoeksters.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding af. Verzoeksters krijgen het griffierecht van de rechtbank niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie ECLI:NL:RBMNE:2024:5462 en ECLI:NL:RBMNE:2024:5463.
Zie o.m. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) van 23 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:201.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/4584 en UTR 25/6157
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[verzoekster 1] , uit [plaats] , verzoekster 1, en
[verzoekster 2]
, uit [plaats] , verzoekster 2
tezamen: verzoeksters
(gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger),
en
Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Koedood).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verzoeken om schadevergoeding die verzoeksters hebben ingediend op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeksters hebben twee aparte verzoeken ingediend om de kosten te vergoeden die zij aan door een arts uitgebracht medisch advies hebben moeten betalen in hun eerdere beroepsprocedure, bestaande uit een bedrag van €1.539,28 per persoon.
1.1.
De rechtbank wijst de verzoeken af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
Waar gaan deze zaken over?
2. Verzoeksters hebben eerder beiden een beroepsprocedure gevoerd tegen de afwijzing van hun aanvragen om zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). De rechtbank heeft deze beroepen op 13 september 2024 gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank verweerder opgedragen om nader onderzoek te doen en opnieuw te beslissen op de aanvragen van verzoeksters. Ook heeft de rechtbank, conform hun verzoek, verweerder veroordeeld in vergoeding van de proceskosten voor rechtsbijstand. Op 15 januari 2025 heeft verweerder, na aanvullend onderzoek, nieuwe beslissingen op bezwaar genomen en Wlz-zorg toegekend aan verzoeksters. Tegen de uitspraken van de rechtbank en de nieuwe beslissingen op bezwaar zijn geen rechtsmiddelen ingesteld.
3. Verzoeksters hebben op 29 maart 2025 verweerder aansprakelijk gesteld voor de door hen, als gevolg van verweerders besluitvorming, gestelde geleden schade bestaande uit de kosten die zijn gemaakt voor het inwinnen van medisch advies bij [bedrijf] . Verzoeksters vorderen ieder afzonderlijk een bedrag van €1.539,28 van verweerder en wijzen daarvoor beiden op twee nota’s van [bedrijf] voor het beoordelen van documenten en het verstrekken van medisch advies van 25 december 2023 (vóór de uitspraken van de rechtbank op 13 september 2024) en op 22 oktober 2024 (na de genoemde uitspraken van de rechtbank).
4. Op 1 mei 2025 heeft verweerder medegedeeld niet bereid te zijn de gemaakte kosten te vergoeden.
5. Verzoeksters hebben daarom op 7 augustus 2025 (verzoekster 1) en op 26 oktober 2025 (verzoekster 2) een verzoek om schadevergoeding ingediend bij de rechtbank. Het verzoek van verzoekster 1 is geregistreerd onder zaaknummer UTR 25/4584 en het verzoek van verzoekster 2 is geregistreerd onder zaaknummer UTR 25/6157.
6. Verweerder heeft met een verweerschrift op de verzoeken om een schadevergoeding gereageerd.
7. De rechtbank heeft de verzoeken op 16 maart 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoeksters en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vinden verzoeksters?
8. Verzoeksters vinden dat de medische kosten die zij hebben moeten maken in de eerdere beroepsprocedures binnen het bereik van 6:96, eerste lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek (BW) vallen en via artikel 6:162 van het BW daarom in aanmerking komen voor schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb. De onrechtmatigheid van de afwijzingen van de Wlz-aanvragen staat met de gegronde beroepen en nieuwe beslissingen op bezwaar immers vast, waardoor zij schade hebben geleden.
Wat vindt verweerder?
9. Verweerder heeft aangegeven niet bereid te zijn de medische kosten van verzoeksters te vergoeden. Verweerder wijst erop dat de herziene beslissingen op het bezwaar vooral zijn gebaseerd op het huisbezoek dat medisch adviseur drs. P. Pel op 18 december 2024 bij verzoeksters heeft afgelegd, waarbij is vastgesteld dat de gezondheid van verzoeksters zodanig was verslechterd dat een onafhankelijk medisch onderzoek niet langer nodig was. De medische kosten betreffen bovendien nota’s voor informatie van de behandelend artsen van verzoeksters van [bedrijf] , die geen onafhankelijke deskundigen zijn. Tijdens de beroepsprocedures heeft de rechtbank destijds alleen proceskosten voor rechtsbijstand toegekend. Als er geen verzoek wordt ingediend of de rechter gaat daar niet op in, dan wordt er geen vergoeding toegekend, ook als het beroep gegrond is. De uitspraken zijn bovendien onherroepelijk, omdat er geen hoger beroep is ingesteld. Verweerder vindt daarom dat verzoeksters zelf verantwoordelijk blijven voor de kosten van de medische informatie van hun behandelend artsen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
10. De rechtbank overweegt dat de door verzoeksters opgevoerde kosten niet in aanmerking komen voor vergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb. Dat legt de rechtbank hierna uit.
11. De rechtbank stelt vast dat de gestelde schade bij beide verzoeksters voortvloeit uit twee aparte nota’s van [bedrijf] te weten van 25 december 2023 en van 22 oktober 2024. Niet in geschil is dat in de beroepsprocedures van beide verzoeksters niet gevraagd is om vergoeding van de kosten van de rapportages van [bedrijf] .
11.1.
Ten aanzien van de nota’s van 25 december 2023 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat deze kosten zien op een door een arts uitgebracht deskundigenadvies ter onderbouwing van de standpunten van verzoeksters in hun beroepsprocedures tegen de afwijzing van de Wlz-aanvragen. Dat betekent dat deze kosten zijn aan te merken als proceskosten zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Uit artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) volgt immers dat veroordeling in deze proceskosten uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van een deskundige die verslag heeft uitgebracht aan een partij. Voor een vergoeding van dergelijke kosten biedt artikel 8:88 van de Awb geen grondslag, omdat de wetgever in de Awb en het Bpb een exclusieve regeling heeft getroffen voor vergoeding van proceskosten met een limitatief en forfaitair karakter. Het is verder vaste rechtspraak dat vergoeding van proceskosten niet alsnog via een afzonderlijke schadevergoeding kan worden geclaimd. Het door verzoeksters ter zitting ingenomen standpunt dat artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking heeft op kosten van rechtsbijstand, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook niet.
11.2.
Ten aanzien van de nota’s van 22 oktober 2024 overweegt de rechtbank dat deze kosten zien op de adviezen die de arts van [bedrijf] heeft uitgebracht over het laten plaatsvinden van nader onderzoek ná de uitspraken van de rechtbank van 13 september 2024, waarin de beroepen van verzoeksters gegrond werden verklaard. Het betreffen daarom geen kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de beroepsprocedures, zodat deze kosten buiten de reikwijdte van de onderhavige verzoeken vallen. Het op de zitting ingenomen standpunt van verzoeksters dat de kosten van 22 oktober 2024 in het verlengde van de uitspraken van 13 september 2024 zouden moeten worden gezien, volgt de rechtbank niet. In de uitspraken van 13 september 2024 heeft de rechtbank namelijk aan verweerder de opdracht gegeven nader onderzoek in te stellen, niet aan verzoeksters.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding af. Verzoeksters krijgen het griffierecht van de rechtbank niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie ECLI:NL:RBMNE:2024:5462 en ECLI:NL:RBMNE:2024:5463.
Zie o.m. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) van 23 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:201.