Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4089
2026-07-10
Bestuursrecht
UTR 25/3848, UTR 25/3902, UTR 25/3906, UTR 25/3909, UTR 25/3910 en UTR 25/3912
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Pkv
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2024:5335 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-08-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.333 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/3848, UTR 25/3902, UTR 25/3906, UTR 25/3909, UTR 25/3910 en UTR 25/3912
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaken tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M.H.P. Groenland),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de verzoeken van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling.
2. Verweerder heeft op 6 mei 2025 beslissingen op bezwaar genomen, inzake de naheffingsaanslagen parkeerbelastingen (BghU kenmerken: [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] . Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 22 juli 2025 heeft verweerder medegedeeld dat alle zes in geschil zijnde naheffingsaanslagen parkeerbelastingen zijn vernietigd. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft op 23 juli 2025 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bij het toepassen van de forfaitaire formule rekening moet houden met het feit dat de rechtbank van oordeel was dat geen sprake was van samenhangende zaken en dat verweerder eerst een verzuim moest herstellen. Deze omstandigheden zorgen volgens verzoekster voor extra procesinspanningen.
5. Verweerder heeft in de brief van 22 juli 2025 gereageerd op de verzoeken om proceskostenvergoeding. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 340,13 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,25 voor het gewicht van de zaak, vermenigvuldigd met de wegingsfactor 1,5, omdat het gaat om meer dan vier samenhangende zaken).
6. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 700,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaken van 0,5, vermenigvuldigd met een wegingsfactor van 1,5). Gelet op het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 kent de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 toe. De rechtbank ziet geen aanleiding om een andere wegingsfactor voor het gewicht van deze zaken toe te passen. De rechtbank stelt verder vast dat sprake is van samenhangende zaken die voor de proceskostenvergoeding als één zaak worden aangemerkt, omdat de beroepen gelijktijdig zijn behandeld, de gemachtigde van verzoekster in alle zaken rechtsbijstand heeft verleend en zijn werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Bij de berekening van de proceskostenvergoeding geldt dus een wegingsfactor van 1,5, omdat sprake is van meer dan vier samenhangende zaken. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat in deze zaken slechts één keer het griffierecht is geheven.
7. Verweerder moet ook het griffierecht van € 53,- aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb).
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 700,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onderdeel 1.3.c, opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
Artikel 3 van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht.
Bijlage Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/3848, UTR 25/3902, UTR 25/3906, UTR 25/3909, UTR 25/3910 en UTR 25/3912
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaken tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M.H.P. Groenland),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de verzoeken van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling.
2. Verweerder heeft op 6 mei 2025 beslissingen op bezwaar genomen, inzake de naheffingsaanslagen parkeerbelastingen (BghU kenmerken: [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] . Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 22 juli 2025 heeft verweerder medegedeeld dat alle zes in geschil zijnde naheffingsaanslagen parkeerbelastingen zijn vernietigd. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft op 23 juli 2025 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bij het toepassen van de forfaitaire formule rekening moet houden met het feit dat de rechtbank van oordeel was dat geen sprake was van samenhangende zaken en dat verweerder eerst een verzuim moest herstellen. Deze omstandigheden zorgen volgens verzoekster voor extra procesinspanningen.
5. Verweerder heeft in de brief van 22 juli 2025 gereageerd op de verzoeken om proceskostenvergoeding. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 340,13 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,25 voor het gewicht van de zaak, vermenigvuldigd met de wegingsfactor 1,5, omdat het gaat om meer dan vier samenhangende zaken).
6. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 700,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaken van 0,5, vermenigvuldigd met een wegingsfactor van 1,5). Gelet op het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 kent de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 toe. De rechtbank ziet geen aanleiding om een andere wegingsfactor voor het gewicht van deze zaken toe te passen. De rechtbank stelt verder vast dat sprake is van samenhangende zaken die voor de proceskostenvergoeding als één zaak worden aangemerkt, omdat de beroepen gelijktijdig zijn behandeld, de gemachtigde van verzoekster in alle zaken rechtsbijstand heeft verleend en zijn werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Bij de berekening van de proceskostenvergoeding geldt dus een wegingsfactor van 1,5, omdat sprake is van meer dan vier samenhangende zaken. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat in deze zaken slechts één keer het griffierecht is geheven.
7. Verweerder moet ook het griffierecht van € 53,- aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb).
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 700,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onderdeel 1.3.c, opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
Artikel 3 van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht.
Bijlage Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).