Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4027

2026-06-11 Bestuursrecht; Omgevingsrecht UTR 26/1050
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-06-11
Publicatiedatum
2026-07-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/1050
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. Last onder dwangsom voor haag. Haag kan worden aangemerkt als houtopstand en daarvoor is op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning nodig. Eisers zijn nioet bereid deze aan te vragen. Overtreding staat vast en geen bijzondere omstandigheden om van handhavend optreden af te zien. Beroep ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.442 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 26/1050



proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
11 juni 2026 in de zaak tussen




[eiser] en [eiseres] , uit [plaats] , eisers


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. E. van der Molen).



Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2], uit [plaats] .





Inleiding

1. Eisers wonen aan de [adres 1] in [plaats] . Hun perceel ligt naast het perceel van derde-partij (hierna: de buren) aan de [adres 2] in [plaats] . De buren hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen de aanplant van een haag van aaneengesloten wintergroene heesters op het perceel van eisers.

2. Met het besluit van 10 september 2025 heeft het college eisers een last onder dwangsom opgelegd met als doel de haag, die bestaat uit meerdere heesters en andersoortige (groenblijvende) beplanting (hierna: de haag), op de erfgrens van het perceel vóór
15 oktober 2025 te verwijderen en verwijderd te houden.

3. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

4. Met het besluit van 21 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers zijn het niet eens met dit besluit en hebben daarom beroep ingesteld.

5. De rechtbank heeft het beroep van eisers op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van het college.

6. Het college heeft tijdens de zitting de begunstigingstermijn verlengd tot acht weken na de uitspraak van de rechtbank.

7. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het college terecht handhavend is opgetreden tegen de haag.

9. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van een overtreding. Zonder het bestaan van een overtreding, is het college immers in principe niet bevoegd tot handhavend optreden. In deze zaak draait het dan om de vraag of er een vergunningplicht voor de haag is. Om die vraag te kunnen beantwoorden, moet worden beoordeeld of een planregel uit het geldende bestemmingsplan is overtreden.

10. De planregel die volgens het college overtreden is, is dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning gronden te beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters. Het gaat er dus om of eisers op het perceel een houtopstand, zoals bedoeld in deze planregel, hebben geplant.

11. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Is een begrip in de planregels gedefinieerd of voldoende duidelijk, dan is dat wat het begrip betekent. Is het gelijk duidelijk, dan mag gekeken worden of het begrip in de plantoelichting is ingekleurd. Helpt ook dat niet, dan kan aansluiting worden gezocht bij hetgeen in het algemeen spraakgebruik wordt verstaan onder een begrip, door bijvoorbeeld in de “Dikke Van Dale” te kijken of aan te sluiten bij definities uit een andere regeling. Definities uit andere regelingen, van de VNG of uit rechtspraak over andere bestemmingsplannen zijn dus pas relevant als de planregel, en eventueel de toelichting daarop, niet voldoende duidelijk is.

12. In het geldende bestemmingsplan is het begrip houtopstand niet volledig gedefinieerd. Maar in de toepasselijke bepaling staat wél dat het kweken en telen van heesters begrepen moet worden onder het beplanten met houtopstanden. Daarbij hoeft het niet per se te gaan om bedrijfsmatig kweken en telen. De definitie van kwekerij in dit bestemmingsplan is namelijk “het bedrijfsmatig telen, kweken en verzorgen van bomen, heesters, struiken, etc.”. Uit deze definitiebepaling blijkt dat in dit bestemmingsplan een onderscheid wordt gemaakt tussen bedrijfsmatig en niet-bedrijfsmatig telen en kweken van o.a. heesters. Omdat de toepasselijke bepaling dit onderscheid niet maakt, betekent dit dat óók het niet-bedrijfsmatig kweken en telen van een heesterhaag als deze gezien moet worden als het beplanten met een houtopstand. Hieruit volgt dat voor de haag een omgevingsvergunning nodig is.
13. Die vergunningplicht kan ook gelden voor andere hagen en beplantingen, zowel in de tuin van eisers als die in de tuin van anderen. Het doel van een dergelijke strenge planregel is om via vergunningaanvragen controle te kunnen houden op het beschermd dorpsgezicht. Het college heeft daarover verklaard dat alles in de tuin van eisers in principe vergunbaar is. Eisers willen uit principe echter geen vergunning aanvragen. Vaststaat dat eisers daarom niet beschikken over een omgevingsvergunning zodat sprake is van een overtreding.

14. Eisers hebben daarnaast nog aangevoerd dat handhavend optreden in strijd met het gelijkheidsbeginsel is. Dit zou een reden kunnen zijn om af te zien van handhavend optreden, ook al is er een overtreding. Hiervoor is vereist dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van gelijke gevallen omdat er voor andere hagen geen handhavingsverzoek is ingediend. Dit verschil alleen al is voldoende om aan te nemen dat er geen strijd met het gelijkheidsbeginsel is. Op het moment dat er zoals in deze zaak wél zo’n verzoek ligt, moet het college daarop beslissen.

15. De rechtbank overweegt tenslotte dat eisers tijdens de zitting hebben verklaard bij een negatieve uitspraak de haag te verwijderen en te vervangen door een vergunningvrije schutting en wellicht ook handhavingsverzoeken te gaan indienen ten aanzien van andere hagen in hun omgeving. De rechtbank wijst er nogmaals op dat de haag vergunbaar is en dus behouden kan blijven. Het college heeft bovendien aangegeven dat er geen kosten verbonden zullen zijn aan vergunningverlening. Daarnaast levert het indienen van handhavingsverzoeken veel werk op voor de gemeente, terwijl al vaststaat dat voor de meeste hagen gewoon een vergunning kan worden verleend als deze wordt aangevraagd. De rechtbank hoopt dan ook dat eisers daar niet voor kiezen, maar voor hun haag en wellicht ook overige beplanting in hun tuin een aanvraag om een omgevingsvergunning indienen.




Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

17. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.





Beslissing


De rechtbank verklaart beroep ongegrond.




Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026 door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.













griffier


rechter








Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
23 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1318 en van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1897.


Artikel 35.17.2, aanhef en onder e, van het bestemmingsplan.