Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:3971

2026-06-24 Civiel recht 12108549 \ MC EXPL 26-944
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-06-24
Publicatiedatum
2026-07-05
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12108549 \ MC EXPL 26-944
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eiser vordert betaling van een openstaande factuur. Gedaagde stelt al betaald te hebben. Bevrijdend verweer onvoldoende onderbouwd, terwijl hiertoe wel de mogelijkheid is geboden. De vordering van eiser wordt toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.827 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Almere



Zaaknummer: 12108549 \ MC EXPL 26-944




Vonnis van 24 juni 2026




in de zaak van





[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: M.P.A. Roelands,



tegen





[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 3 producties van 6 februari 2026- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.




1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De kern van het geschil


2.1

[eiseres] vordert betaling van € 477,79 voor de APK-keuring en onderhoudsbeurt die [eiseres] in april 2024 aan de auto van [gedaagde] heeft verricht. [eiseres] stelt dat de factuur tot op heden niet is voldaan. [eiseres] vordert betaling van de factuur, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. [gedaagde] erkent dat de werkzaamheden zijn verricht, maar stelt dat hij de factuur reeds via pinbetaling in de garage heeft voldaan, bij het ophalen van de auto. Omdat nergens uit gebleken is dat [eiseres] al betaald heeft, wijst de kantonrechter de vorderingen van [eiseres] toe.






3De beoordeling



De hoofdsom




3.1

[gedaagde] heeft erkend dat de werkzaamheden zijn verricht. [gedaagde] heeft de hoogte van de factuur ook niet weersproken. Daarom stelt de kantonrechter vast dat [gedaagde] betaling van €477,79 aan [eiseres] verschuldigd is. Vervolgens is de vraag of [gedaagde] het bedrag al betaald heeft, zoals [gedaagde] betoogt. Omdat [gedaagde] zich beroept op het rechtsgevolg van deze betaling, ligt het op zijn weg om dit te onderbouwen en zo nodig te bewijzen.



3.2
In zijn conclusie van antwoord heeft [gedaagde] aangegeven dat hij na de betaling van bank is gewisseld, waardoor hij zijn bankafschriften niet meer kan inzien. [gedaagde] zegt dat hij deze bankafschriften bij de bank heeft opgevraagd, maar op dat moment had hij ze nog niet binnen. De kantonrechter heeft [gedaagde] vervolgens in de gelegenheid gesteld om de correspondentie met de bank en/of bewijsstukken van de betaling aan te leveren. [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid binnen de daarvoor gestelde termijn. Bij dupliek heeft [gedaagde] aangegeven dat hij geen bankafschriften kan overleggen, omdat zijn oude bank hieraan geen medewerking verleent.



3.3
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] zijn stelling dat hij de factuur al heeft betaald, onvoldoende heeft onderbouwd. [gedaagde] heeft de mogelijkheid gekregen om bewijsstukken van betaling aan te leveren, maar ook om bewijsstukken aan te leveren van correspondentie met de bank. Als de bank niet wil meewerken aan het verstrekken van de gevraagde bankgegevens, had het op de weg van [gedaagde] gelegen om bewijs van deze correspondentie met de bank te overleggen. Nu [gedaagde] dat niet heeft gedaan, is zowel de betaling als de correspondentie met de bank nergens uit af te leiden. Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde] onvoldoende heeft aangetoond dat hij al betaald heeft. De vordering van [eiseres] tot betaling van de factuur van € 477,79 wordt daarom toegewezen.



De buitengerechtelijke incassokosten





3.4

[eiseres] heeft aangevoerd dat zij verschillende (schriftelijke en telefonische) incassohandelingen heeft verricht om de factuur betaald te krijgen. Conform artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten vordert zij € 71,67 aan buitengerechtelijke incassokosten.



3.5
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van beroep of bedrijf). De kantonrechter moet daarom controleren of er is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Zij constateert dat er is voldaan aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De vordering van buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen.



Wettelijke rente





3.6
De factuur van 10 april 2024 heeft een betaaltermijn van zeven dagen. Dit is een fatale termijn. Dat betekent dat [gedaagde] na het verstrijken van de termijn in verzuim verkeert (artikel 6:83 onder a BW). Hij is daarom de wettelijke rente vanaf 18 april 2024 verschuldigd.




3.7
De gevorderde rente van € 56,55 over de periode vanaf het verzuim tot 30 januari 2026 is toewijsbaar. [gedaagde] moet ook de rente betalen vanaf 30 januari 2026 tot de dag van volledige betaling.



Proceskosten





3.8

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


127,08







- griffierecht


€


350,00







- salaris gemachtigde


€


288,00


(2 punten × € 144,00)




- nakosten


€


72,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


808,58













4De beslissing


De kantonrechter



4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 534,34, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 477,79, met ingang van 30 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,



4.2
veroordeelt [gedaagde] in de buitengerechtelijke incassokosten van € 71,67 en de proceskosten van € 808,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,


Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.