Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:3951

2026-01-28 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht UTR 25/2844
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-01-28
Publicatiedatum
2026-07-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
UTR 25/2844
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Het Uwv heeft terecht aan eiseres een loonsanctie opgelegd, omdat aannemelijk is gemaakt dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Beroep ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.875 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 25/2844


uitspraak van de meervoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen



[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.H.R.R. Pauwels),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. S. Celikoz).





Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het besluit waarmee het Uwv heeft bepaald dat eiseres het loon van haar (ex-)werkneemster moet doorbetalen tot 21 januari 2025 (een loonsanctie). Eiseres is het niet eens met de oplegging van de loonsanctie. Zij voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het Uwv.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de loonsanctie terecht aan eiseres heeft opgelegd. Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Voorgeschiedenis en besluitvorming


2. [naam] ((ex-)werkneemster) was werkzaam bij eiseres als [functie] voor 32 uur per week. (Ex-)werkneemster heeft zich op 26 januari 2022 ziekgemeld voor dit werk. Op 2 november 2023 heeft (ex-)werkneemster een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. In verband met deze aanvraag heeft het Uwv de re-integratie-inspanningen van eiseres onderzocht.



2.1.
Het Uwv heeft eiseres met het besluit van 18 januari 2024 (het primaire besluit) een loonsanctie opgelegd, omdat volgens het Uwv de re‑integratie‑inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest en voor dat verzuim een deugdelijke grond ontbreekt. Eiseres wordt tegengeworpen dat er een re-integratie-blokkerend advies is gegeven, waardoor er kansen in het eerste en tweede spoor zijn gemist. Eiseres moet daarom het loon van (ex-) werkneemster doorbetalen tot en met 21 januari 2025.


2.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het Uwv heeft het bezwaar met de beslissing op bezwaar van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard en de opgelegde loonsanctie gehandhaafd.



2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 2 december 2025 aanvullende bijlagen ingediend. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 17 december 2025. Hieraan hebben [A.] , namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank



Geheimhouding medische gegevens


3. ( (Ex-)werkneemster heeft geen toestemming gegeven om haar medische informatie te delen met eiseres. In deze uitspraak zal dan ook zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over medische gegevens om zo te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt.



Toetsingskader


4. In de Wet WIA is bepaald dat het Uwv achteraf beoordeelt of de werkgever en de werkneemster in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Als de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht dan legt het Uwv een loonsanctie op. Het is aan het Uwv om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat dit zonder deugdelijke grond is gebeurd.


4.1.
De Wet WIA bepaalt niet hoe beoordeeld wordt of de re-integratie-inspanningen voldoende zijn geweest. Het Uwv heeft voor deze beoordeling beleidsregels vastgesteld, die zijn neergelegd in de Regeling beleidsregels beoordelingskader poortwachter en de daarbij behorende bijlage (de Beleidsregels). Verder hanteert het Uwv een werkwijzer voor arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen van het Uwv: de Werkwijzer Poortwachter.



4.2.
In de Beleidsregels staat het met de re-integratie bereikte resultaat voorop. Een bevredigend resultaat is voldoende. Hiervan is in beginsel sprake wanneer de werkneemster (gedeeltelijk) hervat heeft in structureel werk dat min of meer aansluit bij haar resterende functionele mogelijkheden.



4.3.
Is geen sprake van een bevredigend resultaat, maar worden de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende geacht, dan wordt evenmin een loonsanctie opgelegd. Ten slotte wordt ook afgezien van het opleggen van een loonsanctie in het geval sprake is van onvoldoende inspanningen, maar de werkgever daar een deugdelijke grond voor heeft.



4.4.
Volgens de Werkwijzer Poortwachter van 1 augustus 2022 wordt pas als het resultaat niet bevredigend is, gekeken naar de re-integratie-inspanningen. De periode waarover het Uwv de re-integratie-inspanningen toetst begint op de eerste ziektedag van een werknemer en eindigt op de dag dat hij de WIA-aanvraag indient. Als er zich na de datum van de aanvraag nog situaties voordoen die bevestigen dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn, dan mag het Uwv dit meenemen in de toetsing. Het Uwv mag geen negatief oordeel over de re-integratie-inspanningen geven als dit alleen gebaseerd is op wat er ná de indiening van de WIA-aanvraag is nagelaten op het gebied van re-integratie.



4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de re-integratie-inspanningen van eiseres niet tot een bevredigend re-integratieresultaat van (ex-)werkneemster hebben geleid. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiseres mocht vertrouwen op het oordeel van de bedrijfsarts.



Professionele marge van de bedrijfsarts




4.6.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geldt ten aanzien van de toets van het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts dat de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever geen claimbeoordeling is en de bedrijfsarts bij die toets een professionele marge dient te worden gegund. De verzekeringsarts dient te toetsen of de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden in redelijkheid tot zijn sociaal medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen. Het enkele feit dat de verzekeringsarts achteraf oordelend in sociaal-medisch opzicht zelf anders zou hebben gehandeld of tot een afwijkende inschatting van de belastbaarheid komt, is in dit verband onvoldoende om te kunnen komen tot de conclusie dat de bedrijfsarts de hem toekomende professionele marge heeft overschreden en daarmee sprake is van een tekortkoming in het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts.



Bespreking van de beroepsgronden





Beoordeling van de re-integratie-inspanningen

5. Eiseres voert aan dat de loonsanctie ten onrechte is opgelegd, omdat is voldaan aan de re-integratieverplichtingen door het advies van de bedrijfsarts op te volgen. Volgens eiseres heeft het Uwv onvoldoende gemotiveerd waarom zij twijfels moest hebben bij de beoordeling van de bedrijfsarts, mede gelet op het feit dat (ex-)werkneemster is uitgevallen na het opstarten van vrijwilligerswerk in het kader van het tweede spoor en naar aanleiding van de WIA-beoordeling. Eiseres is dan ook van mening dat zij mocht vertrouwen op het advies van de bedrijfsarts. Verder verwijst eiseres naar de uitspraak van de rechtbank
Oost-Brabant van 14 mei 2025 waaruit volgt dat als er geen redenen zijn voor twijfel aan het advies, dit niet voor rekening en risico komt voor de werkgever.




5.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 8 januari 2025 gemotiveerd dat hij het standpunt van de bedrijfsarts – dat werkneemster tot juni 2023 onvoldoende belastbaar wordt geacht – kan volgen. Echter, de verzekeringsarts bezwaar en beroep is, anders dan de bedrijfsarts, van mening dat een urenbeperking van maximaal 10 uur per week en 4 uur per dag na juni 2023 niet aannemelijk is. Hiertoe overweegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, omdat werkneemster niet voldoet aan de criteria daarvoor. Met de aangenomen beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, zal werkneemster in een daaraan aangepaste functie 4 tot 5 uur per dag en 16 tot 20 uur per week belastbaar moeten zijn. Daarbij neemt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in aanmerking dat geen sprake is van een ernstig psychiatrisch of anderszins ernstig ziektebeeld dat een zwaardere urenbeperking rechtvaardigt. De bedrijfsarts heeft hiermee een re-integratie-blokkerend advies gegeven, mede omdat in het tweede spoor meer re-integratie had kunnen plaatsvinden en niet alleen met de uitgevoerde 4 keer l à 2 uur per week met aangepast werk vanuit huis.



5.2.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft (met inachtneming van de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep) op 21 maart 2025 gerapporteerd dat werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Doordat uit is gegaan van marginale belastbaarheid zijn re-integratiemogelijkheden in het eerste en tweede spoor gemist. Werkgever heeft nagelaten een re-integratietraject tweede spoor in te zetten, omdat dat volgens de bedrijfsarts te belastend werd beoordeeld. Dat werkgever heeft vertrouwd op de deskundigheid van de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige komt voor rekening en risico van werkgever.



5.3.
De rechtbank stelt voorop dat zij in de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant geen reden ziet om af te wijken van de vaste lijn van de CRvB dat het mogelijk onjuist handelen van de bedrijfsarts voor rekening en risico van de werkgever komt. Daar komt bij dat de CRvB eerder zelf ook geen aanleiding heeft gezien de ‘voor rekening en risico’-benadering bij loonsancties niet langer te volgen. Deze benadering is gebaseerd op het in de wetsgeschiedenis verwoordde uitgangspunt dat de werkgever verantwoordelijk is en blijft voor de re-integratie en dat dit eveneens verantwoordelijkheid impliceert voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de door hem ingeschakelde deskundigen.



5.4.

De rechtbank ziet verder geen reden om aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te twijfelen en oordeelt dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De bedrijfsarts is, in plaats van objectief de belastbaarheid van
(ex-)werkneemster te toetsen, te veel meegegaan in het klachtenverhaal van
(ex-)werkneemster waardoor te lang is uitgegaan van een te beperkte belastbaarheid. De bedrijfsarts heeft zelfs ten onrechte het advies van de door eiseres ingeschakelde arbeidsdeskundige meegewogen en een nog verdergaande urenbeperking aangenomen, terwijl hiervoor geen medisch onderliggend bewijs bestond. Hierdoor zijn er re-integratiemogelijkheden in het tweede spoor gemist. De loonsanctie is dus terecht opgelegd.




5.5.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar heeft gemotiveerd dat de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar sociaal medische handelwijze. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij blijk gegeven van een voldoende terughoudende toets ten opzichte van de bedrijfsarts.


5.6.
Dat (ex-)werkneemster is uitgevallen na het opstarten van vrijwilligerswerk heeft zich voorgedaan in de periode na het aanvragen van de WIA-uitkering en is daarom (terecht) niet meegenomen in de toets van de re-integratie-inspanningen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.Bovendien heeft de verzekeringsarts in zijn verslag van 3 januari 2024 genoteerd dat de bedrijfsarts desgevraagd ook heeft erkend dat er een re-integratie-blokkerend advies is gegeven. Het onjuist handelen van de bedrijfsarts komt voor rekening en risico van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.



Behandeling van de bezwaargronden in het bestreden besluit

6. Eiseres voert aan dat het Uwv niet gemotiveerd is ingegaan op haar bezwaargronden. Daarnaast wijst eiseres erop dat zij in het derde jaar haar re-integratie-inspanningen verder heeft doorgevoerd en het Uwv hiervan op de hoogte heeft gesteld. Het Uwv heeft hier echter nooit op gereageerd.




6.1.
De rechtbank stelt vast dat het Uwv in het bestreden besluit de bezwaargronden voldoende en navolgbaar heeft besproken. In zoverre is geen sprake van een ondeugdelijke motivering. Verder is op de zitting vast komen te staan dat (de gemachtigde van) eiseres geen bekortingsverzoek heeft ingediend bij het Uwv naar aanleiding van de voortgezette re-integratie-inspanningen, zodat voor het Uwv geen aanleiding bestond om te reageren.



Te late beslissing op bezwaar van het Uwv

7. Eiseres voert tot slot aan dat het Uwv een te late beslissing heeft genomen. Er wordt geacht binnen 8 weken te worden gereageerd met éénmalig een verlenging van maximaal 6 weken. Het Uwv heeft hiermee het vertrouwensbeginsel geschonden.




7.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaarschrift het Uwv in gebreke had kunnen stellen. Indien het Uwv vervolgens niet tijdig had beslist, had eiseres in beroep kunnen gaan tegen het niet tijdig beslissen. Eiseres heeft zelf geen gebruik gemaakt van de door de wetgever in het leven geroepen mogelijkheden om op te komen tegen het niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan. Dat komt voor rekening en risico van eiseres.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.


Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, en mr. V.E.H.G. Visser en mr. W. Altenaar, leden, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Artikel 65 van de Wet WIA.


Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.


Paragraaf 9.1 van de Werkwijzer Poortwachter van 1 augustus 2022.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2262 en de uitspraak van 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216.


ECLI:NL:RBOBR:2025:2759.


Zie de uitspraak van de CRvB van 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216.


Zie de uitspraak van de CRvB van Beroep van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:789.


Zie hiervoor ook het toetsingskader zoals is opgenomen in overweging 4.4.