Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:3950
2026-01-28
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 25/4749
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WW. Verwijtbare werkloosheid. Beroep ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2023:1633 Centrale Raad van Beroep 16-08-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.428 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4749
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. A. Isik).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het Uwv terecht de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) van eiser niet heeft betaald, omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Volgens eiser is geen sprake van verwijtbaarheid. Het Uwv blijft bij het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht de WW-uitkering niet heeft betaald aan eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Zij doet dat aan de hand van het toetsingskader en de beroepsgronden van eiser.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2. Eiser was voorheen werkzaam als [functie] bij [bedrijf] . Op 27 mei 2025 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Het Uwv heeft met het besluit van 29 mei 2025 aan eiser een WW-uitkering toegekend.
2.1.
Met het primaire besluit van 25 juni 2025 heeft het Uwv het besluit van 29 mei 2025 herroepen en aan eiser laten weten dat hij toch geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat uit nieuwe informatie is gebleken dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.
2.2.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met de beslissing op het bezwaar van eiser van 6 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het primaire besluit in stand gelaten.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 7 oktober 2025 aanvullende gronden ingediend. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 17 december 2025. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het geschil
3. Tussen partijen is in geschil of eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Eiser voert aan dat geen sprake is van verwijtbaarheid, omdat het initiatief voor het beëindigen van het dienstverband bij werkgever ligt. Eiser heeft alleen beoogd de situatie te laten de-escaleren. Daarnaast voert eiser aan dat het voortzetten van het dienstverband niet van hem kon worden gevergd vanwege zijn fysieke gezondheid, gelet op zijn rugklachten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een verslag van de radioloog van 18 september 2024 overgelegd.
3.1.
Het Uwv is het niet met eiser eens en stelt zich op het standpunt dat uit de mailwisselingen volgt dat het initiatief om het dienstverband te beëindigen vanuit eiser kwam. Hiervoor is volgens het Uwv geen geldige reden. Eiser heeft er ook niet alles aan gedaan om de dienstbetrekking in stand te houden. Hij heeft namelijk de pogingen van werkgever om er samen uit te komen, afgeslagen. Ten aanzien van het verslag van de radioloog geeft het Uwv aan dat hieruit niet kan worden afgeleid dat het blijven werken bij de werkgever de gezondheid van eiser zodanig zou schaden dat voortzetting niet kon worden gevergd. Eiser had zich ook nog ziek kunnen melden.
Toetsingskader
4. In de WW staat dat een werknemer de verplichting heeft te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Een werknemer wordt verwijtbaar werkloos wanneer door hem of op zijn verzoek de dienstbetrekking is beëindigd. Dat is alleen anders als aan de voortzetting van het dienstverband zodanige bezwaren zijn verbonden dat de voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van de werknemer kon worden gevergd. Het is vaste rechtspraak dat het op de weg van de werknemer ligt om aannemelijk te maken dat deze uitzondering zich voordoet.
Beoordeling van het geschil
5. Uit het dossier en de overgelegde correspondentie komt het volgende naar voren. Op 27 mei 2025 heeft tussen eiser en ex-werkgever een gesprek plaatsgevonden. In dat gesprek heeft eiser naar voren gebracht dat hij op de maandagen korter wil werken, waarna ex-werkgever heeft medegedeeld dat dat - op de doorgaans drukke maandagen - niet mogelijk was. Daarop zou ex-werkgever volgens eiser hebben gezegd eiser niet meer op te roepen. Na dit gesprek heeft eiser aan ex-werkgever een e-mail gestuurd met “gaarne eindafrekening”. Op de e-mail van ex-werkgever met de vraag of dit opgevat moest worden als verzoek om beëindiging van het dienstverband, heeft eiser geantwoord: “Jullie roepen me toch niet meer op?”. Ex-werkgever heeft vervolgens aan eiser gevraagd om de situatie telefonisch met elkaar te bespreken, omdat ex-werkgever de samenwerking liever niet op deze manier wilde beëindigen. Eiser heeft daarop gereageerd met: “(…) maar ik ga me nu richten op een carrière in hetgeen waar ik voor gestudeerd heb. Dus gaarne de eindafrekening.”.
5.1.
Ex-werkgever en eiser hebben op 1 juli 2025 nog een gesprek gevoerd. Uit het gespreksverslag blijkt dat de insteek van ex-werkgever was om te kijken of en hoe de samenwerking op een goede manier kon worden voortgezet. Zo heeft ex-werkgever voorgesteld om eiser niet meer op dinsdagen op te roepen, zodat hij op maandagen en vrijdagen inzetbaar blijft. Eiser heeft volgens het gespreksverslag aangegeven dat hij zich niet gehoord voelt door leidinggevenden en geen vertrouwen meer heeft in een goede samenwerking. Hij wil zich richten op een baan die aansluit bij zijn studie en stelt een vaststellingsovereenkomst voor of een gang naar de rechter.
5.2.
Na dit laatste gesprek heeft eiser nog per e-mail aangegeven dat hij de optie ten aanzien van de gang naar de rechter laat vervallen en vervolgens dat een vaststellingsovereenkomst ook niet nodig is. Hierop heeft ex-werkgever onder meer aangegeven: “Bedankt voor je bevestigende mail dat het dienstverband is beëindigd naar aanleiding van jouw verzoek in de mail van 27-5-2025.”.
5.3.
De rechtbank kan gelet hierop het Uwv volgen in het standpunt dat het initiatief voor het beëindigen van het dienstverband vanuit eiser kwam. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de mailwisseling namelijk dat eiser niet meer wilde werken voor ex-werkgever en hij niet bereid was om te praten over een door werkgever aangedragen oplossing.
5.4.
Eisers rug- en benauwdheidsklachten en het willen richten op een baan die aansluit bij zijn onlangs afgeronde studie, zijn ook geen omstandigheden die maken dat van eiser redelijkerwijs niet kon worden gevergd om het dienstverband met zijn werkgever voort te zetten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het verslag van de radioloog niet onderbouwt dat eiser op het moment van ontslagname niet meer in staat was om te werken bij ex-werkgever. Eiser had zich ook kunnen ziekmelden vanwege zijn rug- en benauwdheidsklachten en eventueel kunnen oriënteren op een nieuwe baan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Hij krijgt daarom ook het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. W. Altenaar, leden, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 24, eerste lid, onder a van de WW.
Artikel 24, tweede lid, onder b van de WW.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1633.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4749
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. A. Isik).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het Uwv terecht de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) van eiser niet heeft betaald, omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Volgens eiser is geen sprake van verwijtbaarheid. Het Uwv blijft bij het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht de WW-uitkering niet heeft betaald aan eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Zij doet dat aan de hand van het toetsingskader en de beroepsgronden van eiser.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2. Eiser was voorheen werkzaam als [functie] bij [bedrijf] . Op 27 mei 2025 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Het Uwv heeft met het besluit van 29 mei 2025 aan eiser een WW-uitkering toegekend.
2.1.
Met het primaire besluit van 25 juni 2025 heeft het Uwv het besluit van 29 mei 2025 herroepen en aan eiser laten weten dat hij toch geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat uit nieuwe informatie is gebleken dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.
2.2.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met de beslissing op het bezwaar van eiser van 6 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het primaire besluit in stand gelaten.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 7 oktober 2025 aanvullende gronden ingediend. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 17 december 2025. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het geschil
3. Tussen partijen is in geschil of eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Eiser voert aan dat geen sprake is van verwijtbaarheid, omdat het initiatief voor het beëindigen van het dienstverband bij werkgever ligt. Eiser heeft alleen beoogd de situatie te laten de-escaleren. Daarnaast voert eiser aan dat het voortzetten van het dienstverband niet van hem kon worden gevergd vanwege zijn fysieke gezondheid, gelet op zijn rugklachten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een verslag van de radioloog van 18 september 2024 overgelegd.
3.1.
Het Uwv is het niet met eiser eens en stelt zich op het standpunt dat uit de mailwisselingen volgt dat het initiatief om het dienstverband te beëindigen vanuit eiser kwam. Hiervoor is volgens het Uwv geen geldige reden. Eiser heeft er ook niet alles aan gedaan om de dienstbetrekking in stand te houden. Hij heeft namelijk de pogingen van werkgever om er samen uit te komen, afgeslagen. Ten aanzien van het verslag van de radioloog geeft het Uwv aan dat hieruit niet kan worden afgeleid dat het blijven werken bij de werkgever de gezondheid van eiser zodanig zou schaden dat voortzetting niet kon worden gevergd. Eiser had zich ook nog ziek kunnen melden.
Toetsingskader
4. In de WW staat dat een werknemer de verplichting heeft te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Een werknemer wordt verwijtbaar werkloos wanneer door hem of op zijn verzoek de dienstbetrekking is beëindigd. Dat is alleen anders als aan de voortzetting van het dienstverband zodanige bezwaren zijn verbonden dat de voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van de werknemer kon worden gevergd. Het is vaste rechtspraak dat het op de weg van de werknemer ligt om aannemelijk te maken dat deze uitzondering zich voordoet.
Beoordeling van het geschil
5. Uit het dossier en de overgelegde correspondentie komt het volgende naar voren. Op 27 mei 2025 heeft tussen eiser en ex-werkgever een gesprek plaatsgevonden. In dat gesprek heeft eiser naar voren gebracht dat hij op de maandagen korter wil werken, waarna ex-werkgever heeft medegedeeld dat dat - op de doorgaans drukke maandagen - niet mogelijk was. Daarop zou ex-werkgever volgens eiser hebben gezegd eiser niet meer op te roepen. Na dit gesprek heeft eiser aan ex-werkgever een e-mail gestuurd met “gaarne eindafrekening”. Op de e-mail van ex-werkgever met de vraag of dit opgevat moest worden als verzoek om beëindiging van het dienstverband, heeft eiser geantwoord: “Jullie roepen me toch niet meer op?”. Ex-werkgever heeft vervolgens aan eiser gevraagd om de situatie telefonisch met elkaar te bespreken, omdat ex-werkgever de samenwerking liever niet op deze manier wilde beëindigen. Eiser heeft daarop gereageerd met: “(…) maar ik ga me nu richten op een carrière in hetgeen waar ik voor gestudeerd heb. Dus gaarne de eindafrekening.”.
5.1.
Ex-werkgever en eiser hebben op 1 juli 2025 nog een gesprek gevoerd. Uit het gespreksverslag blijkt dat de insteek van ex-werkgever was om te kijken of en hoe de samenwerking op een goede manier kon worden voortgezet. Zo heeft ex-werkgever voorgesteld om eiser niet meer op dinsdagen op te roepen, zodat hij op maandagen en vrijdagen inzetbaar blijft. Eiser heeft volgens het gespreksverslag aangegeven dat hij zich niet gehoord voelt door leidinggevenden en geen vertrouwen meer heeft in een goede samenwerking. Hij wil zich richten op een baan die aansluit bij zijn studie en stelt een vaststellingsovereenkomst voor of een gang naar de rechter.
5.2.
Na dit laatste gesprek heeft eiser nog per e-mail aangegeven dat hij de optie ten aanzien van de gang naar de rechter laat vervallen en vervolgens dat een vaststellingsovereenkomst ook niet nodig is. Hierop heeft ex-werkgever onder meer aangegeven: “Bedankt voor je bevestigende mail dat het dienstverband is beëindigd naar aanleiding van jouw verzoek in de mail van 27-5-2025.”.
5.3.
De rechtbank kan gelet hierop het Uwv volgen in het standpunt dat het initiatief voor het beëindigen van het dienstverband vanuit eiser kwam. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de mailwisseling namelijk dat eiser niet meer wilde werken voor ex-werkgever en hij niet bereid was om te praten over een door werkgever aangedragen oplossing.
5.4.
Eisers rug- en benauwdheidsklachten en het willen richten op een baan die aansluit bij zijn onlangs afgeronde studie, zijn ook geen omstandigheden die maken dat van eiser redelijkerwijs niet kon worden gevergd om het dienstverband met zijn werkgever voort te zetten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het verslag van de radioloog niet onderbouwt dat eiser op het moment van ontslagname niet meer in staat was om te werken bij ex-werkgever. Eiser had zich ook kunnen ziekmelden vanwege zijn rug- en benauwdheidsklachten en eventueel kunnen oriënteren op een nieuwe baan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Hij krijgt daarom ook het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. W. Altenaar, leden, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 24, eerste lid, onder a van de WW.
Artikel 24, tweede lid, onder b van de WW.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1633.