Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:3819
2026-06-30
Strafrecht
11961134 UM VERZ 25-6623
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wahv, verlaging boete uit 2024 vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel. De kantonrechter sluit aan bij zijn gelijktijdige uitspraak (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707) waarin de verhoging van de boetebedragen uit 2024 onverbindend is verklaard.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3707 Rechtbank Midden-Nederland 30-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.202 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 11961134 UM VERZ 25-6623
CJIB-nummer: 269868992
uitspraak van de kantonrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[betrokkene] uit [woonplaats] ,
hierna te noemen: de betrokkene,
(gemachtigde: mr. B. de Jong)
en
de officier van justitie van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie
(gemachtigde: mr. R. Baltus).
Procesverloop
Aan de betrokkene is op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: de Wahv) een administratieve sanctie opgelegd van € 70. De boete is opgelegd omdat hij op 18 oktober 2024 op de Rijnlaan in Utrecht in het donker zonder licht fietste.
De officier van justitie heeft het administratief beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 20 april 2026. Namens de betrokkene was een kantoorgenoot van de gemachtigde aanwezig. Namens de officier van justitie was de gemachtigde aanwezig.
De kantonrechter heeft het onderzoek op de zitting geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om schriftelijk een standpunt in te nemen over de evenredigheid van de boetebedragen zoals die sinds 1 maart 2024 gelden.
Met een brief van 19 mei 2026 heeft de officier van justitie zijn standpunt kenbaar gemaakt. Met een e-mail van 9 juni 2026 heeft de gemachtigde van de betrokkene daarop gereageerd.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De kantonrechter heeft bepaald dat die zitting achterwege blijft en sluit nu het onderzoek.
Beoordeling door de kantonrechter
1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het boetebedrag van € 70 onevenredig hoog is. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
2. Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%. De algemene maatregel van bestuur die aan deze verhoging ten grondslag ligt, is door deze kantonrechter getoetst in een andere uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707). In deze uitspraak is geoordeeld dat de verhoging onverbindend is, omdat sprake is van strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
3. De kantonrechter verwijst naar de overwegingen uit die uitspraak. Dat heeft tot gevolg dat de betrokkene slechts een boete had mogen krijgen ter hoogte van het bedrag dat voor deze overtreding gold vóór 1 maart 2024. Het beroep is gegrond en de kantonrechter zal de boete alsnog vaststellen op € 60.
4. De kantonrechter ziet aanleiding om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van de betrokkene. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand in de fase van administratief beroep wordt geen vergoeding toegekend, omdat de onrechtmatigheid in het boetebedrag niet te wijten is aan de ambtenaar die de boete heeft opgelegd. Voor de rechtsbijstand in de fase van beroep bij de kantonrechter krijgt de betrokkene € 934 per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht). De hoogte van de vergoeding wordt op grond van artikel 13a, tweede lid onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met 0,25, omdat de sanctie wordt gewijzigd en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. De vergoeding bedraagt 2 x € 934 x 0,5 x 0,25 = € 233,50. De officier van justitie mag de proceskosten uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van de betrokkene.
Beslissing
De kantonrechter:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
stelt het bedrag van de administratieve sanctie op € 60,00;
bepaalt dat de officier van justitie aan de betrokkene het te veel betaalde teruggeeft;
veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 233,50.
Deze beslissing is genomen door mr. K. de Meulder, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
mr. L. Nafzger mr. K. de Meulder
Hoger beroep
De betrokkene en de officier van justitie kunnen binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Datum toezending uitspraak:
Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 11961134 UM VERZ 25-6623
CJIB-nummer: 269868992
uitspraak van de kantonrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[betrokkene] uit [woonplaats] ,
hierna te noemen: de betrokkene,
(gemachtigde: mr. B. de Jong)
en
de officier van justitie van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie
(gemachtigde: mr. R. Baltus).
Procesverloop
Aan de betrokkene is op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: de Wahv) een administratieve sanctie opgelegd van € 70. De boete is opgelegd omdat hij op 18 oktober 2024 op de Rijnlaan in Utrecht in het donker zonder licht fietste.
De officier van justitie heeft het administratief beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 20 april 2026. Namens de betrokkene was een kantoorgenoot van de gemachtigde aanwezig. Namens de officier van justitie was de gemachtigde aanwezig.
De kantonrechter heeft het onderzoek op de zitting geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om schriftelijk een standpunt in te nemen over de evenredigheid van de boetebedragen zoals die sinds 1 maart 2024 gelden.
Met een brief van 19 mei 2026 heeft de officier van justitie zijn standpunt kenbaar gemaakt. Met een e-mail van 9 juni 2026 heeft de gemachtigde van de betrokkene daarop gereageerd.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De kantonrechter heeft bepaald dat die zitting achterwege blijft en sluit nu het onderzoek.
Beoordeling door de kantonrechter
1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het boetebedrag van € 70 onevenredig hoog is. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
2. Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%. De algemene maatregel van bestuur die aan deze verhoging ten grondslag ligt, is door deze kantonrechter getoetst in een andere uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707). In deze uitspraak is geoordeeld dat de verhoging onverbindend is, omdat sprake is van strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
3. De kantonrechter verwijst naar de overwegingen uit die uitspraak. Dat heeft tot gevolg dat de betrokkene slechts een boete had mogen krijgen ter hoogte van het bedrag dat voor deze overtreding gold vóór 1 maart 2024. Het beroep is gegrond en de kantonrechter zal de boete alsnog vaststellen op € 60.
4. De kantonrechter ziet aanleiding om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van de betrokkene. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand in de fase van administratief beroep wordt geen vergoeding toegekend, omdat de onrechtmatigheid in het boetebedrag niet te wijten is aan de ambtenaar die de boete heeft opgelegd. Voor de rechtsbijstand in de fase van beroep bij de kantonrechter krijgt de betrokkene € 934 per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht). De hoogte van de vergoeding wordt op grond van artikel 13a, tweede lid onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met 0,25, omdat de sanctie wordt gewijzigd en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. De vergoeding bedraagt 2 x € 934 x 0,5 x 0,25 = € 233,50. De officier van justitie mag de proceskosten uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van de betrokkene.
Beslissing
De kantonrechter:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
stelt het bedrag van de administratieve sanctie op € 60,00;
bepaalt dat de officier van justitie aan de betrokkene het te veel betaalde teruggeeft;
veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 233,50.
Deze beslissing is genomen door mr. K. de Meulder, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
mr. L. Nafzger mr. K. de Meulder
Hoger beroep
De betrokkene en de officier van justitie kunnen binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Datum toezending uitspraak: