Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:3779
2026-06-25
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
UTR 26/716
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek Wet open overheid, bezwaar, beroep niet tijdig beslissen op bezwaar, beslistermijn bij instellen bezwaarcommissie, artikel 7:10 lid 1 Awb, ingebrekestelling prematuur, beroep niet-ontvankelijk
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2019:184 Raad van State 23-01-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.807 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/716
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 6 oktober 2025 beslist op het verzoek van eiser om informatie op grond van de Wet open overheid. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verweerder heeft volgens eiser niet tijdig beslist op dit bezwaar. Eiser heeft daarom op 22 januari 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Deze uitspraak gaat over dat beroep.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag of bezwaarschrift beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene het bestuursorgaan eerst een ‘ingebrekestelling’ sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene het bestuursorgaan per brief moet laten weten dat binnen twee weken alsnog op zijn aanvraag of bezwaar moet worden beslist. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. Verweerder heeft op 15 oktober 2025 van eiser een bezwaarschrift (geregistreerd onder het zaaknummer 18890269) ontvangen. Verweerder moet in beginsel binnen zes weken op het bezwaarschrift beslissen, gerekend vanaf de dag waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De beslistermijn bedraagt echter twaalf weken als een bezwaarcommissie is ingesteld.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat, indien een bezwaarcommissie is ingesteld, de twaalfwekentermijn direct voortvloeit uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb. De toepasselijkheid van deze termijn is niet afhankelijk van de mededeling aan de indiener van het bezwaarschrift dat een commissie over het bezwaar zal adviseren.
4. Het voorgaande betekent dat verweerder uiterlijk op 10 februari 2026 een beslissing op bezwaar had moeten nemen. Op het moment dat eiser verweerder op 2 januari 2026 in gebreke stelde, was de beslistermijn nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W. van Eerden, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Artikel 7:10, eerste lid, van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2019:184, r.o. 8.3.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/716
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 6 oktober 2025 beslist op het verzoek van eiser om informatie op grond van de Wet open overheid. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verweerder heeft volgens eiser niet tijdig beslist op dit bezwaar. Eiser heeft daarom op 22 januari 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Deze uitspraak gaat over dat beroep.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag of bezwaarschrift beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene het bestuursorgaan eerst een ‘ingebrekestelling’ sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene het bestuursorgaan per brief moet laten weten dat binnen twee weken alsnog op zijn aanvraag of bezwaar moet worden beslist. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. Verweerder heeft op 15 oktober 2025 van eiser een bezwaarschrift (geregistreerd onder het zaaknummer 18890269) ontvangen. Verweerder moet in beginsel binnen zes weken op het bezwaarschrift beslissen, gerekend vanaf de dag waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De beslistermijn bedraagt echter twaalf weken als een bezwaarcommissie is ingesteld.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat, indien een bezwaarcommissie is ingesteld, de twaalfwekentermijn direct voortvloeit uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb. De toepasselijkheid van deze termijn is niet afhankelijk van de mededeling aan de indiener van het bezwaarschrift dat een commissie over het bezwaar zal adviseren.
4. Het voorgaande betekent dat verweerder uiterlijk op 10 februari 2026 een beslissing op bezwaar had moeten nemen. Op het moment dat eiser verweerder op 2 januari 2026 in gebreke stelde, was de beslistermijn nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W. van Eerden, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Artikel 7:10, eerste lid, van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2019:184, r.o. 8.3.