Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:3750
2026-06-17
Civiel recht
12103949 \ MC EXPL 26-867
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vonnis in incident. Gedaagden vorderen dat kantonrechter zich onbevoegd verklaart, omdat vorderingen van onbepaalde waarde zijn. Kantonrechter is bevoegd. Eiser doet afstand van eerste vordering, waarde van tweede vordering is onderbouwd met offerte.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.937 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12103949 \ MC EXPL 26-867
Vonnis in incident van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 7 februari 2026, met producties
de exceptie van onbevoegdheid en conclusie van antwoord, met productie
de conclusie van antwoord in het incident.
1.2
Ten slotte is bepaald dat een vonnis in het incident zal worden uitgesproken.
2De beoordeling in het incident
2.1
[eiser] en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn buren van elkaar. Om de openbare weg te bereiken, moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een stuk over een onverhard laantje (het ‘lindelaantje’). Een deel van dat laantje is eigendom van [eiser] . Daarom hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een recht van uitweg (erfdienstbaarheid) gekregen om het lindelaantje te gebruiken.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de inrit vanuit het lindelaantje naar hun huis verbreed en daarbij een stuk haag weggehaald. In de hoofdzaak vordert [eiser] :
I. een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld door het verwijderen van de erfafscheiding tussen hun perceel en het lindelaantje over een afstand van 5 meter en het in bezit nemen van het aangrenzende deel van de berm van het lindelaantje;
II. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen om binnen een maand na betekening van dit vonnis deze erfafscheiding over een afstand van 5 meter terug te plaatsen op de kadastrale grens, het aangrenzende deel van de berm van het lindelaantje te herstellen in de oorspronkelijke staat en de taxushaag van circa twee meter hoog terug te plaatsen op de oorspronkelijke plek, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hier niet aan voldoen, en
III. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.2
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vorderen in het incident dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit incident. Zij stellen dat de vorderingen onder I en II vorderingen van onbepaalde waarde zijn, zodat de kantonrechter niet bevoegd is van die vorderingen kennis te nemen.
2.3
De kantonrechter is bevoegd in zaken over vorderingen tot maximaal € 25.000,00, en zaken over vorderingen van onbepaalde waarde als er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00 (artikel 93 sub a en b van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Als een zaak over meerdere vorderingen gaat, moet worden gekeken naar de totale waarde van de vorderingen (artikel 94 Rv).
2.4
Deze vordering in incident zal worden afgewezen. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat de tweede vordering feitelijk neerkomt op het terugbrengen van de situatie in de oorspronkelijke staat. [eiser] heeft een offerte bijgevoegd van een kwekerij voor het herstellen van de taxushaag, hek en berm langs het laantje, zoals dat was voor de verbouwing van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Deze offerte bedraagt € 3.045,50 inclusief btw. Dat is ruim onder de grens van € 25.000,00.
De eerste vordering heeft volgens [eiser] geen zelfstandig belang buiten de herstelvordering, waardoor deze vordering uitsluitend als juridische grondslag voor het gevorderde herstel dient. Er is volgens hem geen afzonderlijk, niet in geld uit te drukken belang dat los staat van de herstelvordering. Daarmee doet [eiser] feitelijk afstand van deze vordering, want zonder belang komt niemand een rechtsvordering toe (artikel 3:303 BW). De kantonrechter is daarom bevoegd om van deze zaak kennis te nemen. De vordering in het incident zal dus worden afgewezen.
2.5
De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Omdat [eiser] feitelijk afstand doet van zijn eerste vordering als zelfstandige vordering, wordt geen van partijen in het incident als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd.
3De beslissing
De kantonrechter:
in het incident:
3.1
wijst de vorderingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] af,
3.2
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak:
3.3
verwijst de zaak naar de rol van 1 juli 2026 voor beraad omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling,
3.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
ES(50694)
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12103949 \ MC EXPL 26-867
Vonnis in incident van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 7 februari 2026, met producties
de exceptie van onbevoegdheid en conclusie van antwoord, met productie
de conclusie van antwoord in het incident.
1.2
Ten slotte is bepaald dat een vonnis in het incident zal worden uitgesproken.
2De beoordeling in het incident
2.1
[eiser] en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn buren van elkaar. Om de openbare weg te bereiken, moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een stuk over een onverhard laantje (het ‘lindelaantje’). Een deel van dat laantje is eigendom van [eiser] . Daarom hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een recht van uitweg (erfdienstbaarheid) gekregen om het lindelaantje te gebruiken.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de inrit vanuit het lindelaantje naar hun huis verbreed en daarbij een stuk haag weggehaald. In de hoofdzaak vordert [eiser] :
I. een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld door het verwijderen van de erfafscheiding tussen hun perceel en het lindelaantje over een afstand van 5 meter en het in bezit nemen van het aangrenzende deel van de berm van het lindelaantje;
II. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen om binnen een maand na betekening van dit vonnis deze erfafscheiding over een afstand van 5 meter terug te plaatsen op de kadastrale grens, het aangrenzende deel van de berm van het lindelaantje te herstellen in de oorspronkelijke staat en de taxushaag van circa twee meter hoog terug te plaatsen op de oorspronkelijke plek, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hier niet aan voldoen, en
III. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.2
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vorderen in het incident dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit incident. Zij stellen dat de vorderingen onder I en II vorderingen van onbepaalde waarde zijn, zodat de kantonrechter niet bevoegd is van die vorderingen kennis te nemen.
2.3
De kantonrechter is bevoegd in zaken over vorderingen tot maximaal € 25.000,00, en zaken over vorderingen van onbepaalde waarde als er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00 (artikel 93 sub a en b van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Als een zaak over meerdere vorderingen gaat, moet worden gekeken naar de totale waarde van de vorderingen (artikel 94 Rv).
2.4
Deze vordering in incident zal worden afgewezen. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat de tweede vordering feitelijk neerkomt op het terugbrengen van de situatie in de oorspronkelijke staat. [eiser] heeft een offerte bijgevoegd van een kwekerij voor het herstellen van de taxushaag, hek en berm langs het laantje, zoals dat was voor de verbouwing van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Deze offerte bedraagt € 3.045,50 inclusief btw. Dat is ruim onder de grens van € 25.000,00.
De eerste vordering heeft volgens [eiser] geen zelfstandig belang buiten de herstelvordering, waardoor deze vordering uitsluitend als juridische grondslag voor het gevorderde herstel dient. Er is volgens hem geen afzonderlijk, niet in geld uit te drukken belang dat los staat van de herstelvordering. Daarmee doet [eiser] feitelijk afstand van deze vordering, want zonder belang komt niemand een rechtsvordering toe (artikel 3:303 BW). De kantonrechter is daarom bevoegd om van deze zaak kennis te nemen. De vordering in het incident zal dus worden afgewezen.
2.5
De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Omdat [eiser] feitelijk afstand doet van zijn eerste vordering als zelfstandige vordering, wordt geen van partijen in het incident als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd.
3De beslissing
De kantonrechter:
in het incident:
3.1
wijst de vorderingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] af,
3.2
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak:
3.3
verwijst de zaak naar de rol van 1 juli 2026 voor beraad omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling,
3.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
ES(50694)