Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:3580
2026-06-10
Civiel recht
12103300 \ MC EXPL 26-846
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
tanken zonder te betalen. De brandstofkosten en een deel van de schadekosten, met rente, worden toegewezen. De proceskosten blijven voor rekening van eiser.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.379 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12103300 \ MC EXPL 26-846
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V., (mede) handelende onder de naam [handelsnaam],
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. G.E. Hamer,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 januari 2026 met producties 1 tot en met 4;- de mondelinge conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.
1.2
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.
2De kern van de zaak
2.1
Op 26 november 2025 is met de auto van [gedaagde] getankt bij een tankstation van [eiseres] zonder dat voor de benzine is betaald. [gedaagde] heeft door het niet betalen van de brandstof volgens [eiseres] onrechtmatig gehandeld, dan wel een wanprestatie gepleegd, dan wel is zij ongerechtvaardigd verrijkt. [eiseres] heeft door dit (onrechtmatig) handelen schade geleden, bestaande uit de niet betaalde brandstofkosten alsmede de kosten voor het vaststellen van de brandstofdiefstal, het doen van aangifte, het veiligstellen van de videoregistratie, de administratie voor de brandstofderving en de RDW controle van het kenteken door de gerechtsdeurwaarder. Deze schadebedragen (€ 15,08 en € 131,00) moeten voor rekening van [gedaagde] komen, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] erkent dat zij de brandstofkosten moet betalen, maar is het niet eens met de bijkomende kosten.
2.2
De kantonrechter geeft [eiseres] grotendeels gelijk. [gedaagde] moet de brandstofkosten en een deel van de schadekosten, met rente, betalen.
3De beoordeling
Er is sprake van wanprestatie
3.1
De kantonrechter is van oordeel dat de vordering in deze procedure voortvloeit uit een tussen partijen gesloten overeenkomst. Door te komen tanken bij [eiseres] en vervolgens niet weg te rijden zonder te betalen, maar naar de tankshop te gaan om te betalen – naar zeggen van [gedaagde] was dat helaas niet gelukt vanwege een vermeende blokkade –, heeft [gedaagde] het aanbod van [eiseres] om de brandstof af te nemen aanvaard en is een overeenkomst tot stand gekomen waarbij een betalingsverplichting voor [gedaagde] is ontstaan.
3.2
[gedaagde] erkent dat de heer [A] (hierna: [A] ) – kennelijk met haar goedkeuring – haar auto heeft gebruikt en namens haar heeft getankt bij [eiseres] zonder te betalen. Niet is gesteld of gebleken dat [A] verantwoordelijk is voor de betaling van de brandstofkosten. [gedaagde] is dan ook verantwoordelijk en aansprakelijk gebleven voor de betaling van het tanken met haar auto. Zij wil de brandstofkosten ook betalen. Vaststaat derhalve dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de betalingsverplichting uit de overeenkomst door niet de brandstofkosten na het tanken te betalen. [gedaagde] is dan ook gehouden om de brandstofkosten aan [eiseres] te betalen.
De overige grondslagen behoeven geen bespreking
3.3
Omdat de grondslag wanprestatie slaagt, behoeven de overige grondslagen – onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking – geen bespreking meer.
De gevorderde brandstofkosten van € 15,08 worden toegewezen
3.4
[gedaagde] erkent dat zij de brandstofkosten moet betalen, zodat de gevorderde brandstofkosten van € 15,08 toewijsbaar zijn. Dit bedrag van € 15,08 wordt dan ook toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente over de gevorderde brandstofkosten betalen
3.5
[gedaagde] is te laat met het betalen van de gevorderde brandstofkosten. [gedaagde] is daarom de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding (28 januari 2026) tot de dag van volledige betaling, omdat niet is gebleken dat [gedaagde] eerder was aangeschreven om de vordering te betalen dan door de dagvaarding in deze procedure (hierna meer onder 3.12 en volgende).
De gevorderde schadevergoeding die verband houdt met de niet betaalde brandstofkosten wordt toegewezen tot het bedrag van € 93,50
3.6
Gelet op de wanprestatie van [gedaagde] is zij ook verplicht om de door [eiseres] als gevolg daarvan geleden schade te vergoeden. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat de kosten voor het vaststellen van de diefstal, de online aangifte, het veiligstellen van de videoregistratie, de administratie van de brandstofderving en de kosten voor de controle van het kentekenregister werkzaamheden zijn ter vaststelling van de aansprakelijkheid van [gedaagde] . [gedaagde] heeft tegen de afzonderlijk opgevoerde kosten geen verweer gevoerd. [gedaagde] stelt enkel dat [A] wel heeft willen betalen, maar de kassière tegen [A] heeft gezegd dat er een blokkade van het kenteken is vanwege een openstaande schuld. De kassière is toen een andere klant gaan helpen. [A] kon toen niet betalen en is weggegaan. Dit verweer van [gedaagde] slaagt niet en wel om het volgende.
Blokkade wegens openstaand saldo
3.7
[eiseres] heeft het standpunt van [gedaagde] gemotiveerd betwist. Volgens [eiseres] is het standpunt van [gedaagde] onzin. [gedaagde] / [A] , had gewoon kunnen en moeten betalen. Dat de kassière [gedaagde] / [A] weggestuurd zou hebben zonder dat voor de brandstof is betaald is niet logisch. [eiseres] zou niet iemand, die net heeft getankt, laten wegrijden zonder te laten betalen en zonder de NAW-gegevens te vragen. Dat volgt ook uit het registratieformulier van [eiseres] (zie productie 2 bij dagvaarding), waarin het volgende is vermeld:
Omschrijving
Onbetaalde pomp, klant aanspreken
Aanvullende informatie
Hij ging af en werd gestopt hij is binnen geweest en bleef even liep daarna
ineens weg zonder ites te betalen
3.8
Tegenover deze gemotiveerde betwisting van [eiseres] heeft [gedaagde] enkel gesteld dat [eiseres] het geluidsbestand moet afluisteren. Daaruit zou volgens [gedaagde] blijken dat de kassière tegen [A] gezegd zou hebben dat er een blokkade van het kenteken zou zijn vanwege een openstaande vordering, maar dat is onvoldoende, nog daargelaten dat dit voor rekening en risico komt van [gedaagde] en [A] , voor zover er al een blokkade zou zijn geweest, ook contant de brandstof had kunnen afrekenen. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om haar standpunt nader te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] heeft nog verzocht om [eiseres] het geluidsbestand in het geding te laten brengen, maar daar gaat de kantonrechter aan voorbij, omdat [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat het geluidsbestand er niet is.
De kosten van in totaal € 93,50 (respectievelijk € 17,50 + € 35,00 + € 17,50 + € 17,50 + € 6,00) komen daarom voor vergoeding in aanmerking. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.
De buitengerechtelijke kosten
3.9
[eiseres] heeft ook aanspraak gemaakt op een bedrag van € 40,00 voor de (verdere) bemoeienis van de deurwaarder. Dit gaat om buitengerechtelijke incassokosten. Voor wat betreft de vergoeding van deze incassokosten is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing. De buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 zullen worden afgewezen, nu niet is gebleken dat er een kosteloze aanmaning is verstuurd met een betalingstermijn van veertien dagen ingaande op de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW.
[gedaagde] hoeft de proceskosten niet te betalen
3.10
[gedaagde] stelt dat zij (voorafgaand aan deze procedure) geen aanmaningen van [eiseres] heeft ontvangen. [gedaagde] was in de veronderstelling dat zij, net als de vorige keer in 2023, nog een aanmaning zou krijgen of iets thuis zou ontvangen, omdat de kassière niets voor haar (althans [A] ) kon betekenen. Zij heeft echter geen aanmaningen van de deurwaarder ontvangen, behalve de dagvaarding. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [gedaagde] meent dat zij rauwelijks is gedagvaard. Dit deel van het verweer van [gedaagde] slaagt en wel om het volgende.
3.11
Met toepassing van de zogenoemde ontvangsttheorie, zoals opgenomen in artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), heeft een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring alleen werking wanneer vast staat dat die verklaring de betrokken persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt. Als de ontvangst van de verklaring wordt betwist, moet de afzender feiten en omstandigheden stellen – en zo nodig te bewijzen – waaruit volgt dat de verklaring door haar is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar kon worden bereikt én dat de verklaring is aangekomen.
3.12
Gelet op de betwisting van [gedaagde] , had het op de weg van [eiseres] gelegen om haar standpunt, dat haar correspondentie (de aanmaningen van 1 december 2025 en 12 december 2025 die [incassogemachtigde] (de incassogemachtigde) namens [eiseres] per post aan [gedaagde] heeft verzonden) [gedaagde] wél heeft bereikt, op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft [eiseres] niet gedaan. Als [eiseres] / [incassogemachtigde] er zeker van had willen zijn dat haar brieven [gedaagde] bereiken, had [eiseres] / [incassogemachtigde] de brieven aangetekend per post moeten versturen. Dit heeft [eiseres] / [incassogemachtigde] echter nagelaten, ook nadat zij geen reactie van [gedaagde] had ontvangen.
3.13
Het voorgaande leidt ertoe dat niet vaststaat dat de brieven van [eiseres] / [incassogemachtigde] [gedaagde] hebben bereikt. [gedaagde] heeft daarom niet de gelegenheid gehad om een dagvaarding met bijkomende proceskosten te voorkomen. Niet uit te sluiten valt dat [gedaagde] , zoals [gedaagde] heeft gesteld, de vordering zou hebben betaald als zij voorafgaand aan deze procedure wél een aanmaning zou hebben ontvangen net als die keer in 2023. Dan hadden de kosten in deze procedure eventueel voorkomen kunnen worden. De kantonrechter ziet daarom in de gegeven omstandigheden aanleiding om de kosten die daarmee samenhangen voor rekening van [eiseres] te laten.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.14
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het bedrag van € 108,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 15,08 vanaf 28 januari 2026 (datum dagvaarding) tot de volledige betaling,
4.2
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.3
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12103300 \ MC EXPL 26-846
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V., (mede) handelende onder de naam [handelsnaam],
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. G.E. Hamer,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 januari 2026 met producties 1 tot en met 4;- de mondelinge conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.
1.2
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.
2De kern van de zaak
2.1
Op 26 november 2025 is met de auto van [gedaagde] getankt bij een tankstation van [eiseres] zonder dat voor de benzine is betaald. [gedaagde] heeft door het niet betalen van de brandstof volgens [eiseres] onrechtmatig gehandeld, dan wel een wanprestatie gepleegd, dan wel is zij ongerechtvaardigd verrijkt. [eiseres] heeft door dit (onrechtmatig) handelen schade geleden, bestaande uit de niet betaalde brandstofkosten alsmede de kosten voor het vaststellen van de brandstofdiefstal, het doen van aangifte, het veiligstellen van de videoregistratie, de administratie voor de brandstofderving en de RDW controle van het kenteken door de gerechtsdeurwaarder. Deze schadebedragen (€ 15,08 en € 131,00) moeten voor rekening van [gedaagde] komen, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] erkent dat zij de brandstofkosten moet betalen, maar is het niet eens met de bijkomende kosten.
2.2
De kantonrechter geeft [eiseres] grotendeels gelijk. [gedaagde] moet de brandstofkosten en een deel van de schadekosten, met rente, betalen.
3De beoordeling
Er is sprake van wanprestatie
3.1
De kantonrechter is van oordeel dat de vordering in deze procedure voortvloeit uit een tussen partijen gesloten overeenkomst. Door te komen tanken bij [eiseres] en vervolgens niet weg te rijden zonder te betalen, maar naar de tankshop te gaan om te betalen – naar zeggen van [gedaagde] was dat helaas niet gelukt vanwege een vermeende blokkade –, heeft [gedaagde] het aanbod van [eiseres] om de brandstof af te nemen aanvaard en is een overeenkomst tot stand gekomen waarbij een betalingsverplichting voor [gedaagde] is ontstaan.
3.2
[gedaagde] erkent dat de heer [A] (hierna: [A] ) – kennelijk met haar goedkeuring – haar auto heeft gebruikt en namens haar heeft getankt bij [eiseres] zonder te betalen. Niet is gesteld of gebleken dat [A] verantwoordelijk is voor de betaling van de brandstofkosten. [gedaagde] is dan ook verantwoordelijk en aansprakelijk gebleven voor de betaling van het tanken met haar auto. Zij wil de brandstofkosten ook betalen. Vaststaat derhalve dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de betalingsverplichting uit de overeenkomst door niet de brandstofkosten na het tanken te betalen. [gedaagde] is dan ook gehouden om de brandstofkosten aan [eiseres] te betalen.
De overige grondslagen behoeven geen bespreking
3.3
Omdat de grondslag wanprestatie slaagt, behoeven de overige grondslagen – onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking – geen bespreking meer.
De gevorderde brandstofkosten van € 15,08 worden toegewezen
3.4
[gedaagde] erkent dat zij de brandstofkosten moet betalen, zodat de gevorderde brandstofkosten van € 15,08 toewijsbaar zijn. Dit bedrag van € 15,08 wordt dan ook toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente over de gevorderde brandstofkosten betalen
3.5
[gedaagde] is te laat met het betalen van de gevorderde brandstofkosten. [gedaagde] is daarom de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding (28 januari 2026) tot de dag van volledige betaling, omdat niet is gebleken dat [gedaagde] eerder was aangeschreven om de vordering te betalen dan door de dagvaarding in deze procedure (hierna meer onder 3.12 en volgende).
De gevorderde schadevergoeding die verband houdt met de niet betaalde brandstofkosten wordt toegewezen tot het bedrag van € 93,50
3.6
Gelet op de wanprestatie van [gedaagde] is zij ook verplicht om de door [eiseres] als gevolg daarvan geleden schade te vergoeden. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat de kosten voor het vaststellen van de diefstal, de online aangifte, het veiligstellen van de videoregistratie, de administratie van de brandstofderving en de kosten voor de controle van het kentekenregister werkzaamheden zijn ter vaststelling van de aansprakelijkheid van [gedaagde] . [gedaagde] heeft tegen de afzonderlijk opgevoerde kosten geen verweer gevoerd. [gedaagde] stelt enkel dat [A] wel heeft willen betalen, maar de kassière tegen [A] heeft gezegd dat er een blokkade van het kenteken is vanwege een openstaande schuld. De kassière is toen een andere klant gaan helpen. [A] kon toen niet betalen en is weggegaan. Dit verweer van [gedaagde] slaagt niet en wel om het volgende.
Blokkade wegens openstaand saldo
3.7
[eiseres] heeft het standpunt van [gedaagde] gemotiveerd betwist. Volgens [eiseres] is het standpunt van [gedaagde] onzin. [gedaagde] / [A] , had gewoon kunnen en moeten betalen. Dat de kassière [gedaagde] / [A] weggestuurd zou hebben zonder dat voor de brandstof is betaald is niet logisch. [eiseres] zou niet iemand, die net heeft getankt, laten wegrijden zonder te laten betalen en zonder de NAW-gegevens te vragen. Dat volgt ook uit het registratieformulier van [eiseres] (zie productie 2 bij dagvaarding), waarin het volgende is vermeld:
Omschrijving
Onbetaalde pomp, klant aanspreken
Aanvullende informatie
Hij ging af en werd gestopt hij is binnen geweest en bleef even liep daarna
ineens weg zonder ites te betalen
3.8
Tegenover deze gemotiveerde betwisting van [eiseres] heeft [gedaagde] enkel gesteld dat [eiseres] het geluidsbestand moet afluisteren. Daaruit zou volgens [gedaagde] blijken dat de kassière tegen [A] gezegd zou hebben dat er een blokkade van het kenteken zou zijn vanwege een openstaande vordering, maar dat is onvoldoende, nog daargelaten dat dit voor rekening en risico komt van [gedaagde] en [A] , voor zover er al een blokkade zou zijn geweest, ook contant de brandstof had kunnen afrekenen. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om haar standpunt nader te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] heeft nog verzocht om [eiseres] het geluidsbestand in het geding te laten brengen, maar daar gaat de kantonrechter aan voorbij, omdat [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat het geluidsbestand er niet is.
De kosten van in totaal € 93,50 (respectievelijk € 17,50 + € 35,00 + € 17,50 + € 17,50 + € 6,00) komen daarom voor vergoeding in aanmerking. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.
De buitengerechtelijke kosten
3.9
[eiseres] heeft ook aanspraak gemaakt op een bedrag van € 40,00 voor de (verdere) bemoeienis van de deurwaarder. Dit gaat om buitengerechtelijke incassokosten. Voor wat betreft de vergoeding van deze incassokosten is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing. De buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 zullen worden afgewezen, nu niet is gebleken dat er een kosteloze aanmaning is verstuurd met een betalingstermijn van veertien dagen ingaande op de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW.
[gedaagde] hoeft de proceskosten niet te betalen
3.10
[gedaagde] stelt dat zij (voorafgaand aan deze procedure) geen aanmaningen van [eiseres] heeft ontvangen. [gedaagde] was in de veronderstelling dat zij, net als de vorige keer in 2023, nog een aanmaning zou krijgen of iets thuis zou ontvangen, omdat de kassière niets voor haar (althans [A] ) kon betekenen. Zij heeft echter geen aanmaningen van de deurwaarder ontvangen, behalve de dagvaarding. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [gedaagde] meent dat zij rauwelijks is gedagvaard. Dit deel van het verweer van [gedaagde] slaagt en wel om het volgende.
3.11
Met toepassing van de zogenoemde ontvangsttheorie, zoals opgenomen in artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), heeft een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring alleen werking wanneer vast staat dat die verklaring de betrokken persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt. Als de ontvangst van de verklaring wordt betwist, moet de afzender feiten en omstandigheden stellen – en zo nodig te bewijzen – waaruit volgt dat de verklaring door haar is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar kon worden bereikt én dat de verklaring is aangekomen.
3.12
Gelet op de betwisting van [gedaagde] , had het op de weg van [eiseres] gelegen om haar standpunt, dat haar correspondentie (de aanmaningen van 1 december 2025 en 12 december 2025 die [incassogemachtigde] (de incassogemachtigde) namens [eiseres] per post aan [gedaagde] heeft verzonden) [gedaagde] wél heeft bereikt, op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft [eiseres] niet gedaan. Als [eiseres] / [incassogemachtigde] er zeker van had willen zijn dat haar brieven [gedaagde] bereiken, had [eiseres] / [incassogemachtigde] de brieven aangetekend per post moeten versturen. Dit heeft [eiseres] / [incassogemachtigde] echter nagelaten, ook nadat zij geen reactie van [gedaagde] had ontvangen.
3.13
Het voorgaande leidt ertoe dat niet vaststaat dat de brieven van [eiseres] / [incassogemachtigde] [gedaagde] hebben bereikt. [gedaagde] heeft daarom niet de gelegenheid gehad om een dagvaarding met bijkomende proceskosten te voorkomen. Niet uit te sluiten valt dat [gedaagde] , zoals [gedaagde] heeft gesteld, de vordering zou hebben betaald als zij voorafgaand aan deze procedure wél een aanmaning zou hebben ontvangen net als die keer in 2023. Dan hadden de kosten in deze procedure eventueel voorkomen kunnen worden. De kantonrechter ziet daarom in de gegeven omstandigheden aanleiding om de kosten die daarmee samenhangen voor rekening van [eiseres] te laten.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.14
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het bedrag van € 108,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 15,08 vanaf 28 januari 2026 (datum dagvaarding) tot de volledige betaling,
4.2
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.3
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.