Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:3517
2026-06-16
Civiel recht
612199 HA RK 26-102
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wrakingszaak. Wrakingsverzoek ongegrond. Wrakingsverzoek gedaan naar aanleiding van vonnis in incident. Tussenvonnis kan geen reden zijn voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1413 Hoge Raad 25-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.579 tekens)
Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 612199 HA RK 26-102
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
16 juni 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: verzoeker.
1De procedure
1.1.
Verzoeker heeft op 27 mei 2026 mr. J.M. van Wegen gewraakt. Mr. Van Wegen (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer 11993985 \ MC EXPL 25-6613 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 9 juni 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig:
- verzoeker;
- als toehoorder de heer [toehoorder] , wederpartij van verzoeker in de hoofdzaak.
1.3.
De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend, omdat hij het niet eens is met de door de rechter uitgesproken tussenvonnis. Verzoeker vindt dat hij in het tussenvonnis niet in het ongelijk gesteld had kunnen worden, omdat hij slechts een procedurele vraag heeft gesteld over de nietigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechter en geen uitdrukkelijk verzoek heeft ingediend. De rechter had het volgens verzoeker daarom niet mogen interpreteren als een verzoek. Vervolgens is hij in het ongelijk gesteld zonder dat de rechter daarvoor een afdoende motivering heeft gegeven. Bovendien heeft de rechter een juridische fout gemaakt door hem te veroordelen om het salaris van de gemachtigde van de eisende partij te betalen, terwijl de eisende partij in de hoofdzaak in persoon procedeert. Deze handelswijze voldoet niet aan de eisen van een eerlijke en onpartijdige rechtsbedeling en verzoeker twijfelt daardoor over de onpartijdigheid en zorgvuldigheid van de rechter.
2.2.
De rechter is het niet eens met de wraking en heeft daar daarom niet in berust. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter is van mening dat van enige (schijn van) partijdigheid of onzorgvuldigheid geen sprake is of is geweest en dat het wrakingsverzoek van verzoeker moet worden afgewezen. Zij heeft de vragen die verzoeker heeft opgeworpen, gekwalificeerd als een beroep op de nietigheid van de dagvaarding en een exceptie van onbevoegdheid. Volgens de rechter brengt de zorgvuldigheid mee dat als deze procedurele aspecten aan de orde worden gesteld, al dan niet in de vorm van een vraag, zij daarover een oordeel geeft. Het in eerste instantie toegekende salaris bleek inderdaad onterecht en is daarom na het verzoek om verbetering door verzoeker hersteld in een herstelvonnis.
3De beoordeling
Het toetsingskader
3.1.
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een tussenvonnis als zodanig nooit een reden kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. De wrakingskamer mag ook geen oordeel geven over de juistheid van het tussenvonnis van de rechter. Dat kan alleen worden gedaan door de rechter in hoger beroep.
3.4.
Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering in het tussenvonnis als reden voor wraking, ook als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven. Daarvan is de wrakingskamer niet gebleken.
3.5.
De conclusie is dan ook dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek zal afwijzen.
4De beslissing
De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 11993985 \ MC EXPL 25-6613 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. A.F. Hermans en mr. G. Konings als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:HR:2018:1413.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 612199 HA RK 26-102
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
16 juni 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: verzoeker.
1De procedure
1.1.
Verzoeker heeft op 27 mei 2026 mr. J.M. van Wegen gewraakt. Mr. Van Wegen (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer 11993985 \ MC EXPL 25-6613 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 9 juni 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig:
- verzoeker;
- als toehoorder de heer [toehoorder] , wederpartij van verzoeker in de hoofdzaak.
1.3.
De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend, omdat hij het niet eens is met de door de rechter uitgesproken tussenvonnis. Verzoeker vindt dat hij in het tussenvonnis niet in het ongelijk gesteld had kunnen worden, omdat hij slechts een procedurele vraag heeft gesteld over de nietigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechter en geen uitdrukkelijk verzoek heeft ingediend. De rechter had het volgens verzoeker daarom niet mogen interpreteren als een verzoek. Vervolgens is hij in het ongelijk gesteld zonder dat de rechter daarvoor een afdoende motivering heeft gegeven. Bovendien heeft de rechter een juridische fout gemaakt door hem te veroordelen om het salaris van de gemachtigde van de eisende partij te betalen, terwijl de eisende partij in de hoofdzaak in persoon procedeert. Deze handelswijze voldoet niet aan de eisen van een eerlijke en onpartijdige rechtsbedeling en verzoeker twijfelt daardoor over de onpartijdigheid en zorgvuldigheid van de rechter.
2.2.
De rechter is het niet eens met de wraking en heeft daar daarom niet in berust. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter is van mening dat van enige (schijn van) partijdigheid of onzorgvuldigheid geen sprake is of is geweest en dat het wrakingsverzoek van verzoeker moet worden afgewezen. Zij heeft de vragen die verzoeker heeft opgeworpen, gekwalificeerd als een beroep op de nietigheid van de dagvaarding en een exceptie van onbevoegdheid. Volgens de rechter brengt de zorgvuldigheid mee dat als deze procedurele aspecten aan de orde worden gesteld, al dan niet in de vorm van een vraag, zij daarover een oordeel geeft. Het in eerste instantie toegekende salaris bleek inderdaad onterecht en is daarom na het verzoek om verbetering door verzoeker hersteld in een herstelvonnis.
3De beoordeling
Het toetsingskader
3.1.
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een tussenvonnis als zodanig nooit een reden kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. De wrakingskamer mag ook geen oordeel geven over de juistheid van het tussenvonnis van de rechter. Dat kan alleen worden gedaan door de rechter in hoger beroep.
3.4.
Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering in het tussenvonnis als reden voor wraking, ook als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven. Daarvan is de wrakingskamer niet gebleken.
3.5.
De conclusie is dan ook dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek zal afwijzen.
4De beslissing
De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 11993985 \ MC EXPL 25-6613 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. A.F. Hermans en mr. G. Konings als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:HR:2018:1413.