Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:3516

2026-06-17 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht UTR 26/2245
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-06-17
Publicatiedatum
2026-06-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/2245
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BNT WAJONG, intrekking met pkv

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.872 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 26/2245


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. J. Jansen)


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.





Procesverloop


Verzoekster heeft op 17 maart 2026 beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 28 juli 2025 in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG).



Verweerder heeft op 13 april 2026 alsnog een besluit genomen op het bezwaar van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.



Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.





Overwegingen

1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.

2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. Verweerder heeft wel in de begeleidende brief van 15 april 2026, naar aanleiding van het genomen besluit, aangegeven dat wegingsfactor 0,25 moet worden toegepast, maar dat hij zich aan de beslissing van de rechtbank zal conformeren.


4. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 13 april 2026 tegemoet is gekomen aan verzoekster. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom tot vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze proceskosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde van verzoekster verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

5. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.



Beslissing


De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten.




Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.







griffier rechter




Afschrift verzonden aan partijen op:





Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.


Artikel 8:75a in combinatie met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.


Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.