Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:3185
2026-06-09
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 24/7500
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WW. Het Uwv heeft besloten dat eiseres geen recht heeft op WW, omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden. Eiseres is van baan gewisseld vanwege betere arbeidsvoorwaarden. Bij haar nieuwe werkgever liep haar contract tot een bepaalde datum. Eiseres heeft nog iets langer dan die datum kunnen werken, het was volgens haar niet te voorzien dat hij dienstverband niet zou voortzetten. De rechtbank concludeert dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat de eiseres verwijtbaar werkloos is geworden. Het beroep slaagt niet.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2443 Centrale Raad van Beroep 24-06-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.405 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7500
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).
Procesverloop
1. Eiseres werkte bij [bedrijf 1] B.V., waar zij op 29 september 2025 ontslag heeft genomen. Eiseres is daarna in dienst getreden als uitzendkracht bij [bedrijf 2] B.V. waar zij heeft gewerkt van 27 augustus 2025 tot 20 oktober 2025.
2. Met het besluit van 11 november 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv bepaald dat eiseres geen recht heeft op WW, omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden.
3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Met het besluit van 15 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het primaire besluit in stand gelaten.
4. Vervolgens heeft eiseres beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
5. De zaak is op 1 april 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiseres en de gemachtigde van het UWV waren bij de zitting aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
6. In de WW staat dat een werknemer verplicht is om te voorkomen dat hij of zij verwijtbaar werkloos wordt. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden als de dienstbetrekking is beëindigd door, of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Als een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden dan heeft hij geen recht op een WW-uitkering.
7. Eiseres vindt niet dat zij verwijtbaar werkloos is geworden. Eiseres heeft weliswaar zelf ontslag genomen, maar deed dat om een nieuwe dienstverband aan te nemen met een beter salaris. Ze merkt op dat ze in haar dienstverband bij [bedrijf 1] B.V., ook na herhaaldelijk vragen, niet meer dan twintig uur per week kon werken. Ten tijde van de ontslagname had eiseres een reëel vooruitzicht op werk met meer uren. Volgens eiseres lag het niet in de verwachting dat de nieuwe arbeidsovereenkomst binnen afzienbare tijd zou eindigen.
8. In deze zaak is de situatie aan de orde waarin de werknemer werkloos is geworden uit een dienstbetrekking die niet zo lang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op WW-uitkering kan ontlenen. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)volgt dat in zo’n situatie, ter beantwoording van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid, mede de omstandigheden in aanmerking worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking is geëindigd. De rechtbank overweegt verder dat het voor een werknemer die aanspraak wil maken op een WW-uitkering van belang is om een reëel uitzicht te hebben op werk van minimaal 26 weken in ongeveer gelijke omvang voordat de werknemer ontslag neemt. Voor eiseres was daarvan geen sprake. Uit zowel de op 18 maart 2026 door het Uwv ingediende telefoonnotitie als het contract met [bedrijf 2] B.V., blijkt dat eiseres bekend moet zijn geweest met de tijdelijkheid van de arbeidsovereenkomst. Weliswaar stelt eiseres dat ze het ontslag niet had zien aankomen, maar in het contract staat onder artikel 4 lid 2 te lezen dat: ‘De uitzendovereenkomst met uitzendbeding eindigt in ieder geval op 17-09-2025.’ Dat het uitzend werk langer heeft geduurd dan de einddatum maakt niet dat er sprake was van een reëel uitzicht op werk van minimaal 26 weken in ongeveer gelijke omvang. Het betoog slaagt niet.
9. De rechtbank oordeelt dat het Uwv in geval van eiseres dus terecht is uitgegaan van verwijtbare werkloosheid. Tijdens de zitting en uit de stukken is gebleken dat de overeenkomst bij [bedrijf 1] B.V., al gedurende enige tijd liep. Er zijn geen redenen gebleken dat de overeenkomst bij [bedrijf 1] B.V., moest worden opgezegd. Aan de voortzetting van die overeenkomst hingen dan ook geen grote bezwaren. Eiseres heeft bewust gekozen om te stoppen bij [bedrijf 1] B.V., en aan de slag gegaan bij [bedrijf 2] B.V. Dat dat anders is uitgepakt dan zij veronderstelde betekent niet dat eiseres ondanks het voorgaande recht heeft op een uitkering. Dat alles betekent dat het Uwv terecht heeft bepaald er geen WW aan eiseres wordt uitbetaald.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW.
Artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW.
Zo blijkt uit ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2443.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7500
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).
Procesverloop
1. Eiseres werkte bij [bedrijf 1] B.V., waar zij op 29 september 2025 ontslag heeft genomen. Eiseres is daarna in dienst getreden als uitzendkracht bij [bedrijf 2] B.V. waar zij heeft gewerkt van 27 augustus 2025 tot 20 oktober 2025.
2. Met het besluit van 11 november 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv bepaald dat eiseres geen recht heeft op WW, omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden.
3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Met het besluit van 15 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het primaire besluit in stand gelaten.
4. Vervolgens heeft eiseres beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
5. De zaak is op 1 april 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiseres en de gemachtigde van het UWV waren bij de zitting aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
6. In de WW staat dat een werknemer verplicht is om te voorkomen dat hij of zij verwijtbaar werkloos wordt. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden als de dienstbetrekking is beëindigd door, of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Als een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden dan heeft hij geen recht op een WW-uitkering.
7. Eiseres vindt niet dat zij verwijtbaar werkloos is geworden. Eiseres heeft weliswaar zelf ontslag genomen, maar deed dat om een nieuwe dienstverband aan te nemen met een beter salaris. Ze merkt op dat ze in haar dienstverband bij [bedrijf 1] B.V., ook na herhaaldelijk vragen, niet meer dan twintig uur per week kon werken. Ten tijde van de ontslagname had eiseres een reëel vooruitzicht op werk met meer uren. Volgens eiseres lag het niet in de verwachting dat de nieuwe arbeidsovereenkomst binnen afzienbare tijd zou eindigen.
8. In deze zaak is de situatie aan de orde waarin de werknemer werkloos is geworden uit een dienstbetrekking die niet zo lang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op WW-uitkering kan ontlenen. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)volgt dat in zo’n situatie, ter beantwoording van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid, mede de omstandigheden in aanmerking worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking is geëindigd. De rechtbank overweegt verder dat het voor een werknemer die aanspraak wil maken op een WW-uitkering van belang is om een reëel uitzicht te hebben op werk van minimaal 26 weken in ongeveer gelijke omvang voordat de werknemer ontslag neemt. Voor eiseres was daarvan geen sprake. Uit zowel de op 18 maart 2026 door het Uwv ingediende telefoonnotitie als het contract met [bedrijf 2] B.V., blijkt dat eiseres bekend moet zijn geweest met de tijdelijkheid van de arbeidsovereenkomst. Weliswaar stelt eiseres dat ze het ontslag niet had zien aankomen, maar in het contract staat onder artikel 4 lid 2 te lezen dat: ‘De uitzendovereenkomst met uitzendbeding eindigt in ieder geval op 17-09-2025.’ Dat het uitzend werk langer heeft geduurd dan de einddatum maakt niet dat er sprake was van een reëel uitzicht op werk van minimaal 26 weken in ongeveer gelijke omvang. Het betoog slaagt niet.
9. De rechtbank oordeelt dat het Uwv in geval van eiseres dus terecht is uitgegaan van verwijtbare werkloosheid. Tijdens de zitting en uit de stukken is gebleken dat de overeenkomst bij [bedrijf 1] B.V., al gedurende enige tijd liep. Er zijn geen redenen gebleken dat de overeenkomst bij [bedrijf 1] B.V., moest worden opgezegd. Aan de voortzetting van die overeenkomst hingen dan ook geen grote bezwaren. Eiseres heeft bewust gekozen om te stoppen bij [bedrijf 1] B.V., en aan de slag gegaan bij [bedrijf 2] B.V. Dat dat anders is uitgepakt dan zij veronderstelde betekent niet dat eiseres ondanks het voorgaande recht heeft op een uitkering. Dat alles betekent dat het Uwv terecht heeft bepaald er geen WW aan eiseres wordt uitbetaald.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW.
Artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW.
Zo blijkt uit ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2443.