Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:3041

2026-05-20 Civiel recht 12144608 \ UE VERZ 26-115
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-05-20
Publicatiedatum
2026-06-03
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
12144608 \ UE VERZ 26-115
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | VAAN-AR-Updates.nl 2026-0863 | AR-Updates.nl 2026-0863

Inhoudsindicatie

De kantonrechter is van oordeel dat het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst geen verboden onderscheid wegens zwangerschap oplevert en wijst de verzoeken af.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.194 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer / rekestnummer: 12144608 \ UE VERZ 26-115




Beschikking van 20 mei 2026




in de zaak van





[verzoeker]
,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. L.Q. Jolink,



tegen





[verweerder] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M.M.A. van Berckel Smit.






1De procedure


1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken gelezen:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 9;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 9;
- de aanvullende producties 10 tot en met 13 van [verzoeker] van 17 april 2026.



1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen, vergezeld van haar partner en bijgestaan door de gemachtigde. Namens [verweerder] was aanwezig de heer [A] (CEO bij [verweerder] ), bijgestaan door de gemachtigde.
Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.




1.3
De kantonrechter heeft bepaald dat er vandaag uitspraak wordt gedaan.








2De kern van de zaak



[verzoeker] is op 19 mei 2025 in dienst getreden bij [verweerder] op basis van een arbeidsovereenkomst voor een periode van 7 maanden, van rechtswege eindigend op 18 december 2025. Op 3 november 2025 heeft [verzoeker] [verweerder] geïnformeerd over haar zwangerschap. Op 12 november 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] meegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd.

[verzoeker] stelt dat haar arbeidsovereenkomst niet is verlengd vanwege haar zwangerschap, wat zou leiden tot een verboden onderscheid. Hiermee zou [verweerder] ernstig verwijtbaar hebben gehandeld. Op grond hiervan verzoekt [verzoeker] [verweerder] te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding en een immateriële schadevergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] geen verboden onderscheid wegens zwangerschap oplevert en wijst de verzoeken van [verzoeker] daarom af.






3De beoordeling



Toetsingskader




3.1
De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat het in beginsel tot de vrijheid van de werkgever behoort om te beslissen of zij een tijdelijke arbeidsovereenkomst wel of niet voortzet.



3.2
Op grond van de wet mag de werkgever echter geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen bij onder meer de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst, waar hier sprake van is, valt daar ook onder. Er is sprake van direct onderscheid als een persoon op grond van geslacht op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, met dien verstande dat onder direct onderscheid ook wordt verstaan onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap.



3.3
Als de werknemer in de procedure feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, zal de werkgever moeten bewijzen dat niet in strijd met de wet is gehandeld.



Er is geen sprake van verboden onderscheid





3.4

[verzoeker] meent dat [verweerder] haar dienstverband niet heeft verlengd, omdat zij zwanger is. Volgens [verzoeker] zou haar arbeidsovereenkomst dus wel zijn verlengd als zij niet zwanger was geweest. Vast staat dat [verweerder] kort nadat [verzoeker] aan [verweerder] had verteld dat zij zwanger was (3 november 2025), liet weten dat haar arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd (12 november 2025). Dit enkele tijdsverloop vindt de kantonrechter onvoldoende om een vermoeden aan te nemen dat de zwangerschap de reden is geweest voor de beslissing van [verweerder] om de arbeidsovereenkomst niet voort te willen zetten. Maar, volgens [verzoeker] zijn er meer aanwijzingen. Volgens [verzoeker] heeft zij namelijk altijd uitstekend gefunctioneerd en is steeds tegen haar gezegd dat haar arbeidsovereenkomst zou worden verlengd. De stukken die [verzoeker] heeft laten zien om dit te onderbouwen worden door [verweerder] echter anders uitgelegd.



3.5
Volgens [verweerder] heeft de zwangerschap van [verzoeker] geen rol gespeeld bij de beslissing om haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen. [verweerder] heeft verschillende stukken overgelegd waaruit blijkt dat er in elk geval al voor de mededeling van de zwangerschap enige twijfel bestond over het functioneren van [verzoeker] en dat deze twijfel ook verschillende keren met [verzoeker] is besproken.



3.6
Zo heeft er op 14 juli 2025 een “Growth Conversation” plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [verweerder] . In zo’n gesprek wordt volgens [verweerder] besproken waar de werknemer op dat moment staat en wat de carrière- en groeidoelen zijn voor de komende periode. In dit gesprek zijn de verschillende functievereisten met [verzoeker] besproken en zijn deze schematisch weergegeven. Met kleurmarkeringen is aangegeven of [verzoeker] aan de genoemde vereisten van het ‘huidige functie-niveau’ Medior 3 voldoet. Groen staat voor functioneren in overeenstemming met het specifieke vereiste, oranje geeft aan dat een werknemer de functievereiste deels laat zien, maar nog niet op het verwachte niveau is en rood geeft aan dat een werknemer een functievereiste (nog) niet laat zien. Uit deze Growth Conversation volgt dat [verzoeker] op dat moment op een aantal punten functioneerde op het niveau dat verwacht mocht worden van een Medior 3 (groen). Op een aantal punten functioneerde zij nog niet op het vereiste niveau (oranje). Op een aantal punten voldeed [verzoeker] op dat moment nog niet aan het vereiste functieniveau (rood). Voor de stelling van [verzoeker] dat het gaat om vereisten die behaald moeten worden voor promotie is geen enkel aanknopingspunt. Dat geldt evenmin voor haar stelling dat uit dit document dan zou blijken dat zij ook voor promotie in aanmerking zou komen.



3.7
Het volgende feedbackgesprek, de “Quarterly Check-In” met [verzoeker] heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2025. In dit gesprek is uitdrukkelijk aandacht geweest voor de communicatie van [verzoeker] richting klanten en is “klanttevredenheid” als aandachtspunt naar voren gekomen.



3.8
Naast deze gesprekken vonden er regelmatig 1:1 gesprekken plaats tussen [verzoeker] en [verweerder] . Ook in die gesprekken is er aandacht geweest voor de communicatie van [verzoeker] richting klanten. Ook andere onderwerpen, zoals het meer positief benaderen van feedback, kwamen aan de orde.



3.9
Op 22 oktober 2025 heeft ook zo’n 1:1 gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [verweerder] . Uit de toelichting tijdens de mondelinge behandeling van [verweerder] volgt dat het in dit gesprek is gegaan over het nog niet op het vereiste niveau functioneren van [verzoeker] . Niet blijkt dat in dit gesprek iets is gezegd over het al dan niet verlengen van het contract van [verzoeker] .



3.10
Over het gesprek met [verzoeker] op 22 oktober 2025 heeft [A] [B] (CEO bij [verweerder] ) per e-mail van 28 oktober 2025 op de hoogte gebracht. In die e-mail schrijft [A] onder andere:



“De meeting van 22 oktober heeft bij mij wel zorgen opgeroepen over haar houding en manier van samenwerken. Gezien de recente gebeurtenissen lijkt het verstandig om goed te bespreken of een verlenging op dit moment wel wenselijk is. Ik stel voor om dit binnen twee weken samen door te nemen, zodat we op tijd een besluit kunnen nemen.”




Per e-mail van 29 oktober 2025 heeft [B] hierop het volgende gereageerd:




“Ik heb inmiddels een goed gesprek met je gehad hierover en begrijp de overwegingen achter je voorlopige besluit om het contract vooralsnog niet te verlengen. Het is duidelijk dat je de situatie zorgvuldig hebt opgepakt en dat er voldoende onderbouwing ligt vanuit de eerdere gesprekken en feedbackmomenten.”





3.11
Uit wat hiervoor is beschreven blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet alleen dat er al voor de mededeling van [verzoeker] over haar zwangerschap op 3 november 2025 al twijfels bestonden over haar functioneren, maar dat op dat moment ook al de beslissing was genomen de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet te verlengen. Over de term “voorlopige besluit” heeft [A] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat dit niet ziet op het nog kunnen wijzigen van deze beslissing, maar dat dit alles te maken had met de omstandigheid dat dit nog niet was meegedeeld aan [verzoeker] om nog op een constructieve manier te kunnen samenwerken met elkaar tot het einde.



3.12
Omdat de mededeling van het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst kort na de mededeling over de zwangerschap kwam, acht de kantonrechter het voorstelbaar dat [verzoeker] het gevoel kreeg dat de beslissing van [verweerder] te maken zou hebben met haar zwangerschap. Maar dat er een verband bestaat tussen het verlengen van de arbeidsovereenkomst en de zwangerschap heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd en [verweerder] heeft duidelijk gemaakt dat dit verband niet bestaat.



Proceskosten





3.13
Hoewel [verzoeker] in het ongelijk is gesteld, ziet de kantonrechter in de gang van zaken aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.






4De beslissing


De kantonrechter:



4.1
wijst de verzoeken af;



4.2
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.




Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. Werner, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.










Artikel 7:646 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’).


Artikel 7:646 lid 5 sub b BW.


Artikel 7:646 lid 12 BW.


Productie 3 bij het verzoekschrift.


Productie 4 bij het verweerschrift.


Productie 5 bij het verweerschrift.