Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:3011

2026-05-11 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht UTR 25/6658
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-05-11
Publicatiedatum
2026-06-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/6658
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft de aflossingscapaciteit en het aflossingsbedrag van eiser mogen aanpassen in het kader van te veel ontvangen uitkeringen. Geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule en ook geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.304 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 25/6658


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Jalandoni),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv, verweerder
(gemachtigde: B.E. de Leng).





Voorgeschiedenis en besluitvorming


1.1.
Met het besluit van 7 augustus 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aflossingscapaciteit van eiser vastgesteld op € 158 per maand ter zake van de schuld van eiser aan het Uwv ter hoogte van € 8.051,58. Het Uwv heeft het aflossingsbedrag dat eiser moet terugbetalen uit coulance verlaagd naar € 95 per maand. Eiser gaat hiertegen in bezwaar.



1.2.
Met het besluit van 9 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiser en het Uwv deelgenomen.





Beoordeling door de rechtbank



De omvang van het geschil



2. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser te veel aan Ziektewet-uitkering en toeslag heeft ontvangen en dat hij het te veel betaalde in maandelijkse termijnen moet terugbetalen. Het geschil beperkt zich tot de vraag of het Uwv de vanaf 27 oktober 2022 geldende betalingsregeling met een termijnbedrag van € 40 per maand mocht wijzigen en of het nieuwe vastgestelde termijnbedrag van € 95 niet te hoog is.







Standpunt van eiser



3. Eiser voert aan dat het termijnbedrag van € 95 te hoog is vastgesteld en dat hij dit niet kan betalen. Het termijnbedrag is bijna verdubbeld ten opzichte van de eerdere betalingsregeling en eiser houdt door de verhoging te weinig geld over om degelijk van te kunnen leven. Als gevolg van de verhoging zal hij niet kunnen sparen en geen onvoorziene gevallen op kunnen vangen. Ook wijst eiser erop dat hij langtijdig ziek is geweest en dat de financiële onzekerheid psychisch belastend voor hem is. Daarnaast voert eiser aan dat de betalingsregeling tussen hem en het Uwv niet eenzijdig gewijzigd mocht worden door het Uwv. Zij hebben namelijk een afspraak gemaakt waarin is vastgesteld dat eiser € 40 per maand zou aflossen, waarbij eiser verwijst naar de brief van het Uwv van 8 oktober 2024. In die afspraak staat geen tijdsbeperking of andere voorwaarde op grond waarvan het Uwv de afspraak mocht aanpassen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat deze beroepsgrond mede als een beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden aangemerkt.



Standpunt van het Uwv



4. Het Uwv stelt dat het verplicht is om jaarlijks de beslagvrije voet te berekenen. Op grond van de herberekening is de aflossingscapaciteit van eiser vastgesteld op € 158 per maand. Op grond van artikel 3 lid 4 van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (de Regeling) heeft het Uwv het termijnbedrag uit coulance verlaagd naar € 95. Volgens het Uwv is deze aanpassing een gevolg van de wettelijke verplichting die het heeft. Het Uwv ziet voorts geen reden om het bedrag verder te verlagen naar € 40. Dat zou de afbetalingstermijn onredelijk verlengen. Daarbij wijst het Uwv erop dat op grond van artikel 3 lid 4 van de Regeling de aflossingstermijn maximaal 60 maanden bedraagt. Er is ook geen reden om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Eiser heeft daarvoor onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie of aannemelijk gemaakt dat hij andere schulden heeft.



De hardheidsclausule



5. Wat eiser heeft aangevoerd over de vaststelling van de hoogte van het termijnbedrag interpreteert de rechtbank als een beroep om toepassing te geven aan de hardheidsclausule van artikel 3, zesde lid, van de Regeling. Op grond daarvan kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat de volledige aflossingscapaciteit van eiser wordt benut voor verrekening van zijn schuld, als dit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat gedacht kan worden aan een situatie waarin tijdelijk prioriteit wordt gegeven aan betalingsregelingen met derden om een dreigende afsluiting van energielevering of ontruiming van de woning te voorkomen.


5.1.
Van feiten en omstandigheden zoals genoemd in de Regeling, die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat, is in dit geval geen sprake. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft gesteld minder geld over te houden als gevolg van de verhoging en daardoor niet te kunnen sparen en geen onvoorziene gevallen op te kunnen vangen. Eiser heeft echter geen concreet inzicht gegeven in zijn schulden en de gevolgen van zijn financiële situatie door dit besluit. De verdere omstandigheid dat de financiële onzekerheid voor hem psychisch belastend is, is ook geen reden om te spreken van een kennelijk onredelijk resultaat, nu eiser dit niet nader heeft onderbouwd. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat geen sprake was van een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in de Regeling. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.



Vertrouwensbeginsel




6. De rechtbank overweegt ten aanzien van het vertrouwensbeginsel het volgende. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat eiser aannemelijk maakt dat van de zijde van het Uwv toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan, of gedragingen zijn verricht, waaruit eiser in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het Uwv in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.




6.1.
De rechtbank oordeelt dat in deze zaak geen sprake is van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De brieven van het Uwv bevatten geen toezeggingen of uitlatingen waaruit eiser kon en mocht afleiden dat de afgesproken betalingsregeling niet zou wijzigen. Sinds het ingaan van de betalingsregeling in 2022 heeft eiser al eerder een brief ontvangen van het Uwv met informatie over de betalingsregeling. In de brief van 18 juli 2024 staat opgenomen dat het afgesproken termijnbedrag over 3 maanden opnieuw beoordeeld zal worden. Daaruit volgt dat het te verwachten was dat het termijnbedrag gewijzigd kon worden. Dit is vervolgens ook gebeurd. Eiser heeft op 2 oktober 2024 een brief ontvangen waarin zijn aflossingscapaciteit opnieuw is berekend en op grond waarvan een nieuw termijnbedrag is vastgesteld. Ook is uit de stukken niet op te maken hoe het Uwv op een andere manier een toezegging heeft gedaan waaruit eiser kon en mocht afleiden dat de afspraak geen tijdbeperking had. De beroepsgrond slaagt niet.





Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.






Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.





De griffier is verhinderd de uitspraak


mede te ondertekenen











griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie de toelichting bij de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen, Staatscourant 2009, 117.


Zie de bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.