Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:2997

2026-04-24 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht UTR 25/5960
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-04-24
Publicatiedatum
2026-06-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/5960
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wajong. Verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangetoond dat het ontwikkelen van arbeidsvermogen door eiser in de toekomst niet is uitgesloten. Ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.037 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 25/5960


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: R.J.L. de Bruin),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).




Inleiding


1. Op 27 maart 2024 heeft eiser een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Met het besluit van 1 augustus 2024 (primaire besluit) heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen, omdat eiser volgens het Uwv nog mogelijk arbeidsvermogen in de toekomst kan ontwikkelen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.



1.1.
Met het besluit van 4 september 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn primaire besluit in stand gelaten en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daartoe gronden ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.




Het geschil


2. Deze zaak gaat over het afwijzen van een aanvraag om Wajong-uitkering. Eiser vindt dat hij recht heeft op een Wajong-uitkering omdat hij niet beschikt over arbeidsvermogen en dat dit duurzaam is. Het Uwv stelt dat eiser momenteel niet over arbeidsvermogen beschikt maar dat hij dit wel zou kunnen ontwikkelen.











Overwegingen



Toetsingskader



3. Om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering moet vast komen te staan dat eiser een jonggehandicapte is. Dat betekent dat eiser duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Daarvoor gelden vier cumulatieve criteria, namelijk:



de mogelijkheid om een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie;


het beschikken over basale werknemersvaardigheden;


ten minste vier uur per dag belastbaar zijn of ten minste twee uur per dag het wettelijk minimumuurloon verdienen; en


ten minste een uur aaneengesloten werken zonder een wezenlijke onderbreking van het productieproces.




Deze criteria worden beoordeeld door een verzekeringsarts. De criteria onder a en b worden ook beoordeeld door een arbeidsdeskundige.



3.1.
Voor het recht op een Wajong-uitkering moet het Uwv dus beoordelen of (ten minste) een van de vier hierboven genoemde situaties zich voordoet. Is dat zo, dan ontbreekt het arbeidsvermogen. Het Uwv moet daarna beoordelen of dat duurzaam is. Het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen betekent dat de mogelijkheden niet door medisch herstel, behandeling, begeleiding of door training (bijvoorbeeld scholing) kunnen verbeteren. Voor de beoordeling of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, heeft het Uwv een beoordelingskader ontwikkeld. De Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste rechter in Wajong-zaken, hanteert hiervoor strenge criteria. De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moeten een inschatting maken over hoe het arbeidsvermogen zich bij eiser kan ontwikkelen. Die inschatting moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij eiser op zijn 18e jaar aan de orde zijn. In het geval de inschatting berust op een medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor eiser. Uit de rapporten moet volgen wat de behandeling inhoudt en hoe en op welke wijze het arbeidsvermogen van eiser zich door die behandeling kan ontwikkelen.













Standpunt eiser




4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aard en ernst van zijn beperkingen zijn onderschat en dat het ontbreken van zijn arbeidsvermogen duurzaam is. Daartoe voert eiser aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met de prognoses van zijn aandoeningen en dat de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voorgestelde behandelingen niet kunnen leiden tot het ontwikkelen van arbeidsvermogen. Eiser heeft energetische en cognitieve beperkingen als gevolg van long covid, waarbij hij tevens Post Exertional Malaise (PEM) en Posturaal Orthostatisch Tachycardie Syndroom (POTS) heeft ontwikkeld. Ook is bij eiser Autismespectrumstoornis (ASS) vastgesteld, evenals depressie in remissie. Volgens eiser zijn de diagnoses long covid en ASS geheel niet te genezen en zal hij nog steeds een energietekort ervaren na het volgen van de voorgestelde non-curatieve behandelingen.




Standpunt Uwv





4.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat eiser momenteel geen arbeidsvermogen heeft, maar dat hij dit wel kan ontwikkelen. In zijn rapport van 20/21 augustus 2025 schrijft hij dat het energietekort van eiser wordt veroorzaakt door long covid, ASS en recidiverende ernstige depressie in remissie, waarbij deze aandoeningen elkaar negatief versterken. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan de belastbaarheid van eiser toenemen als één of meer van de stoornissen verbetert. Hij benoemt vervolgens een aantal behandelopties en licht toe in hoeverre de belastbaarheid van eiser kan toenemen.



4.2.
Voor de recidiverende ernstige depressie in remissie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat middels psychotherapie en medicamenteuze ondersteuning een verdere vermindering van de depressieve klachten kan ontstaan. Ten aanzien van ASS wordt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat dit weliswaar niet te genezen is, maar dat er strategieën zijn om met de belemmeringen van ASS om te gaan en dat eiser daardoor minder overbelast zal raken. Een adequate professionele begeleiding in het dagelijkse functioneren kan leiden tot verbetering van de zelfredzaamheid en zelfstandigheid, waarbij dit een langdurig proces is. Uiteindelijk zou eiser ook binnen een beschutte werkomgeving kunnen gaan werken en voor minstens 4 uur per dag belastbaar kunnen zijn. Ten aanzien van long covid stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen medische consensus is over de chronische aard daarvan noch dat dit een progressieve aandoening is. Hij stelt vervolgens dat er nog verschillende behandelingen mogelijk zijn, waarbij wordt gewezen op een multidisciplinair revalidatietraject en een klachtencontingente benadering, met opbouw van activiteiten in combinatie met pacing, wat volgens hem de meest passende behandeling is voor algehele kracht- en conditieverbetering.




Beoordeling door de rechtbank


5. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aannemelijk heeft gemaakt dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich zo kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat arbeidsvermogen zal ontstaan. Dat licht de rechtbank hieronder toe.



5.1.
In de rapportage van 20/21 augustus 2025 legt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke en navolgbare wijze uit dat eiser aan verschillende stoornissen lijdt en dat de combinatie van klachten een versterkend negatief effect kan hebben op het energietekort van eiser. Hij stelt eveneens dat verbetering van één of meer van zijn stoornissen juist een positief effect kan hebben op zijn energietekort. Anders dan eiser heeft gesteld, is het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dus de combinatie van long covid, ASS en recidiverende ernstige depressie in remissie, die zorgt voor het energietekort van eiser, en niet enkel long covid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage vervolgens op verschillende behandelingen gewezen, waaruit blijkt dat eiser arbeidsvermogen kan ontwikkelen indien hij die behandelingen zou volgen.



5.2.
De rechtbank moet beoordelen of uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt wat de mogelijke behandelingen inhouden en op welke wijze het arbeidsvermogen van eiser zich door die behandelingen kan ontwikkelen. Niet is vereist, zoals eiser heeft gesteld, dat de voorgestelde behandelingen curatief van aard moeten zijn. De behandelingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorgesteld zien op de stoornissen van eiser, namelijk recidiverende ernstige depressie (in remissie), ASS en long covid. Bij die behandelingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep steeds onderbouwd tot welke verbetering dit zou kunnen leiden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwacht in de toekomst verbetering van de depressieve klachten op basis van psychotherapie en medicamenteuze ondersteuning. Eiser kan met adequate professionele begeleiding minder overbelast raken, ook kan dit leiden tot een verbetering van zelfredzaamheid en zelfstandigheid. Ook met betrekking tot long covid kan eiser nog verbeteringen verwachten ten aanzien van zijn algehele kracht en conditie bij het volgen van een multidisciplinair revalidatietraject of klachtencontingente benadering. Daarmee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangetoond dat het ontwikkelen van arbeidsvermogen door eiser in de toekomst niet is uitgesloten. De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft beslist dat eiser per 3 augustus 2024 niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Eiser krijgt daarom zijn griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt in verband met deze procedure bij de rechtbank.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.





De griffier is verhinderd de uitspraak


mede te ondertekenen












griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.


Zie hiervoor bijlage 1 bij het Compendium Participatiewet (Compendium).


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 10 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en van 15 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:504.