Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:2960

2026-04-28 Bestuursrecht UTR 25/4100
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-04-28
Publicatiedatum
2026-05-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/4100
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eiseres heeft zich te laat aangemeld voor de herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Het beroep is ongegrond. Mondelinge uitspraak.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.572 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 25/4100


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen





[eiseres] , uit [plaats] (België), eiseres
(gemachtigde: mr. F. Boukich),


en




Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).




Inleiding


Eiseres heeft zich op 15 januari 2025 bij Dienst Toeslagen aangemeld voor de herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen de aanvraag heeft mogen afwijzen, omdat die te laat is ingediend. Eiseres is het hier niet mee eens en stelt dat zij zich al in 2022 heeft aangemeld en niet heeft afgemeld, waardoor haar aanvraag volgens haar niet te laat is.



Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 14 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag is ingediend na de deadline. Eiseres zegt dat zij toch niet te laat was, zij heeft zich namelijk in 2022 al aangemeld. Er zitten twee telefoonnotities in het dossier van eiseres. In de eerste telefoonnotitie van 23 maart 2022 staat dat eiseres zich bij Dienst Toeslagen heeft afgemeld voor de integrale beoordeling. Als alleen deze eerste telefoonnotitie beschikbaar was geweest, dan had de rechtbank het argument van eiseres nog kunnen volgen dat dit verkeerd begrepen of verkeerd genoteerd kan zijn, omdat zij dat niet zo bedoeld heeft. Maar in de tweede telefoonnotitie van 15 januari 2025 wordt door eiseres bevestigd dat zij in 2022 heeft besloten af te zien van de integrale beoordeling. Eiseres legt in dat gesprek ook uit waarom zij in 2025 heeft besloten zich opnieuw aan te melden voor de integrale beoordeling. Eiseres had namelijk van anderen gehoord dat zij na de integrale beoordeling wel zijn erkend als gedupeerden. De rechtbank overweegt dat hieruit kan worden afgeleid dat eiseres zich in 2022 heeft afgemeld, maar dat zij in 2025 spijt had en zich daarom alsnog wilde aanmelden. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het dossier om aan de inhoud van de notities te twijfelen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de twee notities elkaar bevestigen.

3. Bovendien zit er in het dossier een brief van Dienst Toeslagen van 29 september 2022. In deze brief bevestigt Dienst Toeslagen dat eiseres zich op 23 maart 2022 telefonisch heeft afgemeld voor de integrale beoordeling, maar daar heeft eiseres niet op gereageerd. Eiseres stelt dat zij de brief toen niet heeft ontvangen. In de verzendadministratie van Dienst Toeslagen staat echter dat deze brief op 4 oktober 2022 is verzonden. De rechtbank overweegt dat Dienst Toeslagen met haar verzendadministratie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de brief is verstuurd. Uit vaste jurisprudentie volgt dat in dat geval wordt vermoed dat het poststuk is afgeleverd en ontvangen, tenzij eiseres onderbouwt dat de brief toch niet is ontvangen. Dat heeft zij niet gedaan.

4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier blijkt dat eiseres in 2022 heeft afgezien van de integrale beoordeling en dat Dienst Toeslagen de aanmelding van 15 januari 2025 terecht als nieuwe aanvraag heeft gezien. De rechtbank overweegt verder dat de mogelijkheid tot opnieuw aanmelden wel bestond, maar dat dit wel moest gebeuren vóór de deadline. Eiseres heeft zich op 15 januari 2025 aangemeld en was daarmee te laat.

5. In dat geval wordt gekeken of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het feit dat eiseres in België woont en de taal minder goed beheerst, maakt haar late aanmelding niet verschoonbaar.

6. Wat betreft het beroep op de hardheidsclausule overweegt de rechtbank dat de terugvorderingen die hebben plaatsgevonden, en het feit dat eiseres in België woont en de taal minder goed beheerst, geen omstandigheden zijn die de situatie schrijnend maken.

7. Dit betekent dat Dienst Toeslagen terecht de aanvraag heeft afgewezen omdat die te laat was. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven manier.


Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026 door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.














griffier


rechter








Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:































Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna:
de Afdeling) van 10 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617.