Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:2871

2026-04-13 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht UTR 25/6884
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-04-13
Publicatiedatum
2026-05-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/6884
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vaststelling AOW naar de norm van een getrouwde. Geen sprake van duurzaam gescheiden leven.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.635 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/6884


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser


en


de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: mr. N. Zuidersma).




Procesverloop


1.1.
De Svb heeft met het besluit van 1 juli 2025 het AOW-pensioen van eiser vastgesteld naar de norm voor een gehuwde. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2025 is de Svb daarbij gebleven.



1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Svb heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de Svb.



1.4.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beoordeling door de rechtbank


2.1.
De rechtbank beoordeelt of de Svb het AOW-pensioen van eiser terecht heeft vastgesteld naar de norm voor een gehuwde.



2.2.
Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, en artikel 9 van de AOW wordt een gehuwde als gehuwd aangemerkt, tenzij sprake is van duurzaam gescheiden leven. Volgens vaste rechtspraak is daarvan pas sprake als de huwelijkse samenleving feitelijk is verbroken en ieder van de echtgenoten afzonderlijk een eigen leven leidt alsof hij niet meer gehuwd is, en deze situatie als blijvend is bedoeld. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval sprake is van deze uitzonderingssituatie.



2.3.
De rechtbank volgt het standpunt van de Svb dat nog sprake is van financiële en persoonlijke verbondenheid. Dat eiser en zijn echtgenote niet meer samenwonen en ieder een eigen woning hebben heeft de Svb in de beoordeling betrokken, maar terecht niet doorslaggevend geacht. Van belang is met name dat nog sprake is van financiële verwevenheid. Eiser en zijn echtgenote beschikken nog over gezamenlijke bankrekeningen en eiser verricht maandelijks betalingen aan zijn echtgenote van € 1.500,-. Eiser heeft toegelicht dat deze betaling is bedoeld als bijdrage in haar levensonderhoud en dat de rekeningen feitelijk gescheiden worden gebruikt. Dat neemt echter niet weg dat sprake blijft van een financiële band die die verder gaat dan wat je normaal ziet bij mensen die volledig gescheiden leven. Daarnaast bestaan er nog persoonlijke banden, zoals contact tussen partijen en het feit dat zij over elkaars huissleutels beschikken. Deze omstandigheden zijn niet doorslaggevend, maar ondersteunen wel het beeld dat nog sprake is van verbondenheid. De mediation waar eiser op wijst, is van na het bestreden besluit en kan daarom bij deze beoordeling geen rol spelen.



2.4.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van duurzaam gescheiden leven. De Svb heeft het AOW-pensioen van eiser daarom terecht vastgesteld naar de norm voor gehuwden.




Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

4. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.




Beslissing


De rechtbank verklaart beroep ongegrond.




Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026 door mr. C.J. van Niejenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar, griffier.







de griffier is buiten staat om


deze uitspraak te ondertekenen










Griffier


rechter








Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Algemene Ouderdomswet.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:821, en van 17 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:909.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:197.