Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:2858
2026-03-10
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 25/3206
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag indicatie Wlz. Medisch onderzoek zorgvuldig. Geen aanleiding te twijfelen aan juistheid medisch oordeel dat in het geval van eiser geen sprake is van een noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2019:3384 Centrale Raad van Beroep 23-10-2019
- ECLI:NL:CRVB:2025:1726 Centrale Raad van Beroep 26-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.626 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3206
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. L.M. van Rooij),
en
Centrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ
(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om hem een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) toe te kennen. Eiser is het niet eens met die afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het CIZ de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag gedaan om een indicatie op grond van de Wlz. Het CIZ heeft deze aanvraag met het besluit van 11 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 op het bezwaar van eiser is het CIZ bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Aan dit besluit ligt een medisch advies van Medtadvies van 8 april 2025 ten grondslag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en nadere stukken ingediend. Het CIZ heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend medisch advies van Medtadvies van 4 september 2025.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CIZ.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3.1.
Op grond van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz bestaat aanspraak op Wlz-zorg als een verzekerde vanwege onder meer een psychische stoornis blijvend behoefte heeft aan permanent toezicht om escalatie of ernstig nadeel te voorkomen, of aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Daarvan is sprake wanneer iemand op relevante momenten niet in staat is om zelf hulp in te roepen en, om ernstig nadeel te voorkomen, voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft. Het tweede lid, onder c, van dit artikel bepaalt dat onder ernstig nadeel onder meer wordt verstaan: het risico op ernstige verwaarlozing of ernstig lichamelijk letsel.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak is de aanwezigheid van ernstige problematiek op zichzelf niet voldoende. De noodzaak van voortdurende nabijheid van zorg moet objectief medisch zijn vastgesteld.
3.3.
De rechtbank beoordeelt de periode van de aanvraag (2 oktober 2024) tot en met het bestreden besluit (16 april 2025).
Toepassing op de zaak
4.1.
Niet in geschil is dat bij eiser sprake is van een psychische stoornis als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz. Partijen verschillen van mening over de vraag of daardoor een noodzaak bestaat voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Als dat zo zou zijn, is ook in geschil of deze zorgbehoefte blijvend is.
4.2.
Het CIZ heeft het bestreden besluit gebaseerd op een advies van Medtadvies van 8 april 2025. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan een dergelijk deskundigenadvies volgen als het zich ervan heeft vergewist dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten (de vergewisplicht). Het bestuursorgaan mag in beginsel van zo’n advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn om aan de juistheid of volledigheid ervan te twijfelen. Het ligt daarbij op de weg van de verzekerde om medische informatie naar voren te brengen die aanleiding kan geven tot dergelijke twijfel.
Is het medisch advies zorgvuldig tot stand gekomen?
4.3.
Eiser voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat Medtadvies zich mede heeft gebaseerd op mondelinge informatie van een GZ-psycholoog van Altrecht.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het advies van 8 april 2025, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, blijkt dat de medisch adviseur dossieronderzoek heeft gedaan en medische informatie van behandelaars heeft betrokken. Eiser is niet zelf onderzocht. Dat het advies op dossieronderzoek berust en dat daarbij ook mondeling verkregen informatie is gebruikt, maakt het onderzoek op zichzelf niet onzorgvuldig. Niet is gebleken dat relevante medische informatie ontbrak of dat het advies op oncontroleerbare of innerlijk tegenstrijdige gegevens berust.
4.5.
Nu niet is gebleken dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, beoordeelt de rechtbank of de door eiser aangevoerde gronden en overgelegde stukken aanleiding geven om aan dit advies te twijfelen.
Bestaat aanleiding om te twijfelen aan het medisch oordeel?
4.6.
Eiser stelt dat hij niet alleen kan zijn, vanwege het risico op dissociatie en automutilatie. Volgens hem doen zich ongeveer drie keer per maand situaties van ontregeling voor waarbij binnen vijftien minuten hulp aanwezig moet zijn. Bij dergelijke ontregeling is volgens eiser één-op-één begeleiding nodig van ongeveer 75 minuten per keer. Daarnaast heeft hij ongeveer 37 uur en 50 minuten planbare zorg per week en ongeveer zes uur niet-planbare zorg nodig. Ter onderbouwing heeft eiser rapporten uit het kader van de Wmo en de Wajong overgelegd. Volgens hem blijkt daaruit dat zonder voortdurende nabijheid van zorg een risico bestaat op ernstig nadeel.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat in het medisch advies van 8 april 2025 is overwogen dat sprake is van ernstige psychiatrische problematiek en een aanzienlijke zorgbehoefte. Volgens de medisch adviseur volgt uit de medische informatie in het dossier niet dat eiser structureel niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen of hulp af te wachten. Ook is niet vastgesteld dat zonder voortdurende nabijheid van zorg een concreet en reëel te verwachten risico bestaat op ernstig nadeel in de zin van artikel 3.2.1, tweede lid, onder c, van de Wlz. In het aanvullend medisch advies van 4 september 2025 heeft de medisch adviseur vervolgens overwogen dat de in beroep overgelegde Wmo- en Wajong-rapporten het beeld van ernstige problematiek bevestigen, maar geen aanleiding geven voor een andere conclusie over het criterium van 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
4.8.
De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde gronden en de overgelegde stukken geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch advies waarop het CIZ zijn besluit heeft gebaseerd. De rechtbank begrijpt dat eiser veel ondersteuning nodig heeft en dat begeleiding bij ontregeling belangrijk voor hem is. Dat de zorgbehoefte groot is, staat ook niet ter discussie. De door eiser in beroep overgelegde Wmo- en Wajong-rapporten bevestigen dit beeld. De medisch adviseur heeft echter in het aanvullend advies van 4 september 2025 toegelicht dat deze stukken geen aanleiding geven voor een andere conclusie. De rechtbank kan deze toelichting volgen.
Blijvendheid zorgbehoefte
4.9.
Het CIZ heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, ook als sprake zou zijn van een noodzaak van 24 uur per dag zorg in de nabijheid, niet kan worden vastgesteld dat deze zorgbehoefte blijvend is.
4.10.
Omdat de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het criterium van 24 uur per dag zorg in de nabijheid, kan het bestreden besluit op die grond in stand blijven. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de blijvendheid.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser om een indicatie op grond van de Wlz toe te kennen in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. van de Biesebos, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 23 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3384.
Zie recent de uitspraak van de Raad van 26 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1726. De vergewisplicht is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3206
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. L.M. van Rooij),
en
Centrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ
(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om hem een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) toe te kennen. Eiser is het niet eens met die afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het CIZ de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag gedaan om een indicatie op grond van de Wlz. Het CIZ heeft deze aanvraag met het besluit van 11 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 op het bezwaar van eiser is het CIZ bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Aan dit besluit ligt een medisch advies van Medtadvies van 8 april 2025 ten grondslag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en nadere stukken ingediend. Het CIZ heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend medisch advies van Medtadvies van 4 september 2025.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CIZ.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3.1.
Op grond van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz bestaat aanspraak op Wlz-zorg als een verzekerde vanwege onder meer een psychische stoornis blijvend behoefte heeft aan permanent toezicht om escalatie of ernstig nadeel te voorkomen, of aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Daarvan is sprake wanneer iemand op relevante momenten niet in staat is om zelf hulp in te roepen en, om ernstig nadeel te voorkomen, voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft. Het tweede lid, onder c, van dit artikel bepaalt dat onder ernstig nadeel onder meer wordt verstaan: het risico op ernstige verwaarlozing of ernstig lichamelijk letsel.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak is de aanwezigheid van ernstige problematiek op zichzelf niet voldoende. De noodzaak van voortdurende nabijheid van zorg moet objectief medisch zijn vastgesteld.
3.3.
De rechtbank beoordeelt de periode van de aanvraag (2 oktober 2024) tot en met het bestreden besluit (16 april 2025).
Toepassing op de zaak
4.1.
Niet in geschil is dat bij eiser sprake is van een psychische stoornis als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz. Partijen verschillen van mening over de vraag of daardoor een noodzaak bestaat voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Als dat zo zou zijn, is ook in geschil of deze zorgbehoefte blijvend is.
4.2.
Het CIZ heeft het bestreden besluit gebaseerd op een advies van Medtadvies van 8 april 2025. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan een dergelijk deskundigenadvies volgen als het zich ervan heeft vergewist dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten (de vergewisplicht). Het bestuursorgaan mag in beginsel van zo’n advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn om aan de juistheid of volledigheid ervan te twijfelen. Het ligt daarbij op de weg van de verzekerde om medische informatie naar voren te brengen die aanleiding kan geven tot dergelijke twijfel.
Is het medisch advies zorgvuldig tot stand gekomen?
4.3.
Eiser voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat Medtadvies zich mede heeft gebaseerd op mondelinge informatie van een GZ-psycholoog van Altrecht.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het advies van 8 april 2025, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, blijkt dat de medisch adviseur dossieronderzoek heeft gedaan en medische informatie van behandelaars heeft betrokken. Eiser is niet zelf onderzocht. Dat het advies op dossieronderzoek berust en dat daarbij ook mondeling verkregen informatie is gebruikt, maakt het onderzoek op zichzelf niet onzorgvuldig. Niet is gebleken dat relevante medische informatie ontbrak of dat het advies op oncontroleerbare of innerlijk tegenstrijdige gegevens berust.
4.5.
Nu niet is gebleken dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, beoordeelt de rechtbank of de door eiser aangevoerde gronden en overgelegde stukken aanleiding geven om aan dit advies te twijfelen.
Bestaat aanleiding om te twijfelen aan het medisch oordeel?
4.6.
Eiser stelt dat hij niet alleen kan zijn, vanwege het risico op dissociatie en automutilatie. Volgens hem doen zich ongeveer drie keer per maand situaties van ontregeling voor waarbij binnen vijftien minuten hulp aanwezig moet zijn. Bij dergelijke ontregeling is volgens eiser één-op-één begeleiding nodig van ongeveer 75 minuten per keer. Daarnaast heeft hij ongeveer 37 uur en 50 minuten planbare zorg per week en ongeveer zes uur niet-planbare zorg nodig. Ter onderbouwing heeft eiser rapporten uit het kader van de Wmo en de Wajong overgelegd. Volgens hem blijkt daaruit dat zonder voortdurende nabijheid van zorg een risico bestaat op ernstig nadeel.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat in het medisch advies van 8 april 2025 is overwogen dat sprake is van ernstige psychiatrische problematiek en een aanzienlijke zorgbehoefte. Volgens de medisch adviseur volgt uit de medische informatie in het dossier niet dat eiser structureel niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen of hulp af te wachten. Ook is niet vastgesteld dat zonder voortdurende nabijheid van zorg een concreet en reëel te verwachten risico bestaat op ernstig nadeel in de zin van artikel 3.2.1, tweede lid, onder c, van de Wlz. In het aanvullend medisch advies van 4 september 2025 heeft de medisch adviseur vervolgens overwogen dat de in beroep overgelegde Wmo- en Wajong-rapporten het beeld van ernstige problematiek bevestigen, maar geen aanleiding geven voor een andere conclusie over het criterium van 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
4.8.
De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde gronden en de overgelegde stukken geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch advies waarop het CIZ zijn besluit heeft gebaseerd. De rechtbank begrijpt dat eiser veel ondersteuning nodig heeft en dat begeleiding bij ontregeling belangrijk voor hem is. Dat de zorgbehoefte groot is, staat ook niet ter discussie. De door eiser in beroep overgelegde Wmo- en Wajong-rapporten bevestigen dit beeld. De medisch adviseur heeft echter in het aanvullend advies van 4 september 2025 toegelicht dat deze stukken geen aanleiding geven voor een andere conclusie. De rechtbank kan deze toelichting volgen.
Blijvendheid zorgbehoefte
4.9.
Het CIZ heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, ook als sprake zou zijn van een noodzaak van 24 uur per dag zorg in de nabijheid, niet kan worden vastgesteld dat deze zorgbehoefte blijvend is.
4.10.
Omdat de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het criterium van 24 uur per dag zorg in de nabijheid, kan het bestreden besluit op die grond in stand blijven. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de blijvendheid.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser om een indicatie op grond van de Wlz toe te kennen in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. van de Biesebos, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 23 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3384.
Zie recent de uitspraak van de Raad van 26 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1726. De vergewisplicht is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.