Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:2857
2026-03-09
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 25/5038
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Toekenning kinderbijslag. Ingangsdatum. Duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
Citeert (3)
- ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908 Centrale Raad van Beroep 17-08-2012
- ECLI:NL:CRVB:2025:425 Centrale Raad van Beroep 07-03-2025
- ECLI:NL:CRVB:2022:2233 Centrale Raad van Beroep 30-09-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.262 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5038
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
[eiser]
, uit [plaats] , eiser,
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: mr. S. Pinar).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2024. De Svb heeft kinderbijslag toegekend met ingang van 1 januari 2025, maar geen recht aangenomen per 1 oktober 2024. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de Svb zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres op 1 oktober 2024 nog geen ingezetene van Nederland was. Het beroep van eiseres is daarom ongegrond. Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres heeft op 28 januari 2025 een aanvraag ingediend voor kinderbijslag. De Svb heeft deze aanvraag bij besluit van 2 juni 2025 afgewezen. Bij het bestreden besluit van 7 augustus 2025 heeft de Svb het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en kinderbijslag toegekend met ingang van 1 januari 2025.
3.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen dit besluit, voor zover daarbij geen kinderbijslag is toegekend over het vierde kwartaal van 2024. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft aanvullende gronden ingediend.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Daaraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de Svb. Eisers hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid beroep van eiser
4. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser ontvankelijk is in zijn beroep. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit. Vaststaat dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 2 juni 2025. Er zijn geen omstandigheden gebleken waardoor hem dat niet kan worden verweten. Het beroep van eiser is daarom niet-ontvankelijk.
Beroep van eiseres
5. In geschil is alleen of eiseres recht heeft op kinderbijslag over de periode van 1 oktober 2024 tot 1 januari 2025.
6. Voor de beantwoording van de vraag of eiseres recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2024 is beslissend of zij op de peildatum van 1 oktober 2024 kan worden aangemerkt als ingezetene van Nederland. Daarvoor moet sprake zijn van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
7. Volgens vaste rechtspraak moet bij de beoordeling of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard een integrale afweging worden gemaakt van alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang. Een duurzame band ontwikkelt zich doorgaans geleidelijk, maar kan ook direct bij aankomst ontstaan als sprake is van een duidelijke intentie tot definitieve vestiging, die wordt ondersteund door voldoende concrete en objectieve omstandigheden.
8. Eiseres voert aan dat zij en haar gezin met een duidelijke intentie tot definitieve vestiging naar Nederland zijn gekomen. Zij wijst erop dat het gezin feitelijk in Nederland verbleef, per 1 oktober 2024 een woning had gehuurd, zij een onderneming had opgericht en stappen waren gezet ten aanzien van school en opvang voor de kinderen. Volgens eiseres heeft de Svb bij de beoordeling te zwaar gewicht toegekend aan de korte verblijfsduur en aan formele omstandigheden, zoals de latere inschrijving in de basisregistratie personen.
9. Deze grond slaagt niet.
9.1.
De Svb heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat op 1 oktober 2024 nog geen sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Daarbij heeft de Svb, overeenkomstig het geldende toetsingskader, een integrale afweging gemaakt van alle door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang. In het bestreden besluit en aanvullend ter zitting is voldoende onderbouwd hoe deze afweging heeft plaatsgevonden.
9.2.
Bij de afweging heeft de Svb meegewogen dat het verblijf van eiseres en haar gezin in Nederland op de peildatum nog van korte duur was. Ook is meegewogen dat zij weliswaar beschikten over woonruimte, maar op basis van een huurovereenkomst voor de duur van één jaar, die naar haar aard tijdelijk was en nog geen blijvende vestiging liet zien. Verder is meegewogen dat eiseres een onderneming had opgericht, maar op de peildatum nog niet verzekerd was voor arbeid in Nederland. Ook was het gezin op dat moment nog niet ingeschreven in de basisregistratie personen. Daarnaast is meegewogen dat het gezin nog beschikte over een woning in de Verenigde Staten. Voor zover eiseres heeft gesteld dat de kinderen waren aangemeld bij een school en Nederlandse les volgden dan wel zouden gaan volgen, heeft de Svb toegelicht dat deze stellingen niet met verifieerbare stukken zijn onderbouwd en daarom niet in de beoordeling zijn meegenomen.
9.3.
Alles bij elkaar genomen biedt deze afweging voldoende grond om het standpunt van de Svb te dragen dat op 1 oktober 2024 nog geen sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiseres is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2024. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Er is geen verzoek om vergoeding van proceskosten gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep van eiseres ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit de artikelen 2, 3 en 6 van de Algemene Kinderbijslagwet.
Zie onder meer de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908 en van 7 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:425.
Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 30 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2233.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5038
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
[eiser]
, uit [plaats] , eiser,
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: mr. S. Pinar).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2024. De Svb heeft kinderbijslag toegekend met ingang van 1 januari 2025, maar geen recht aangenomen per 1 oktober 2024. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de Svb zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres op 1 oktober 2024 nog geen ingezetene van Nederland was. Het beroep van eiseres is daarom ongegrond. Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres heeft op 28 januari 2025 een aanvraag ingediend voor kinderbijslag. De Svb heeft deze aanvraag bij besluit van 2 juni 2025 afgewezen. Bij het bestreden besluit van 7 augustus 2025 heeft de Svb het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en kinderbijslag toegekend met ingang van 1 januari 2025.
3.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen dit besluit, voor zover daarbij geen kinderbijslag is toegekend over het vierde kwartaal van 2024. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft aanvullende gronden ingediend.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Daaraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de Svb. Eisers hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid beroep van eiser
4. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser ontvankelijk is in zijn beroep. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit. Vaststaat dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 2 juni 2025. Er zijn geen omstandigheden gebleken waardoor hem dat niet kan worden verweten. Het beroep van eiser is daarom niet-ontvankelijk.
Beroep van eiseres
5. In geschil is alleen of eiseres recht heeft op kinderbijslag over de periode van 1 oktober 2024 tot 1 januari 2025.
6. Voor de beantwoording van de vraag of eiseres recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2024 is beslissend of zij op de peildatum van 1 oktober 2024 kan worden aangemerkt als ingezetene van Nederland. Daarvoor moet sprake zijn van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
7. Volgens vaste rechtspraak moet bij de beoordeling of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard een integrale afweging worden gemaakt van alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang. Een duurzame band ontwikkelt zich doorgaans geleidelijk, maar kan ook direct bij aankomst ontstaan als sprake is van een duidelijke intentie tot definitieve vestiging, die wordt ondersteund door voldoende concrete en objectieve omstandigheden.
8. Eiseres voert aan dat zij en haar gezin met een duidelijke intentie tot definitieve vestiging naar Nederland zijn gekomen. Zij wijst erop dat het gezin feitelijk in Nederland verbleef, per 1 oktober 2024 een woning had gehuurd, zij een onderneming had opgericht en stappen waren gezet ten aanzien van school en opvang voor de kinderen. Volgens eiseres heeft de Svb bij de beoordeling te zwaar gewicht toegekend aan de korte verblijfsduur en aan formele omstandigheden, zoals de latere inschrijving in de basisregistratie personen.
9. Deze grond slaagt niet.
9.1.
De Svb heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat op 1 oktober 2024 nog geen sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Daarbij heeft de Svb, overeenkomstig het geldende toetsingskader, een integrale afweging gemaakt van alle door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang. In het bestreden besluit en aanvullend ter zitting is voldoende onderbouwd hoe deze afweging heeft plaatsgevonden.
9.2.
Bij de afweging heeft de Svb meegewogen dat het verblijf van eiseres en haar gezin in Nederland op de peildatum nog van korte duur was. Ook is meegewogen dat zij weliswaar beschikten over woonruimte, maar op basis van een huurovereenkomst voor de duur van één jaar, die naar haar aard tijdelijk was en nog geen blijvende vestiging liet zien. Verder is meegewogen dat eiseres een onderneming had opgericht, maar op de peildatum nog niet verzekerd was voor arbeid in Nederland. Ook was het gezin op dat moment nog niet ingeschreven in de basisregistratie personen. Daarnaast is meegewogen dat het gezin nog beschikte over een woning in de Verenigde Staten. Voor zover eiseres heeft gesteld dat de kinderen waren aangemeld bij een school en Nederlandse les volgden dan wel zouden gaan volgen, heeft de Svb toegelicht dat deze stellingen niet met verifieerbare stukken zijn onderbouwd en daarom niet in de beoordeling zijn meegenomen.
9.3.
Alles bij elkaar genomen biedt deze afweging voldoende grond om het standpunt van de Svb te dragen dat op 1 oktober 2024 nog geen sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiseres is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2024. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Er is geen verzoek om vergoeding van proceskosten gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep van eiseres ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit de artikelen 2, 3 en 6 van de Algemene Kinderbijslagwet.
Zie onder meer de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908 en van 7 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:425.
Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 30 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2233.