Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:2855

2026-05-20 Bestuursrecht; Belastingrecht UTR 24/2431
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-05-20
Publicatiedatum
2026-05-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 24/2431
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Belastingblad 2026/299 met annotatie van L.J. Boone

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. De naheffingsaanslag is vernietigd, de vraag rest of eiser recht had op proceskostenvergoeding in de bezwaarfase. De rechtbank oordeelt van niet: er is geen sprake van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het beroep slaagt niet.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.019 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 24/2431


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema)


en




de heffingsambtenaar van gemeente Hilversum, verweerder
(gemachtigde: A.H. Geytenbeek).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 januari 2024.



1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 24 november 2023 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [nummer] . Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 25 januari 2024 het bezwaar van eiser gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag ingetrokken/vernietigd. Eiser heeft beroep ingesteld.



1.3.
De zaak is behandeld op de zitting van 8 april 2026. De gemachtigde van eiser heeft deelgenomen aan de zitting. Aan de kant van de heffingsambtenaar was niemand aanwezig.





Overwegingen

2. Tussen partijen is in geschil of de heffingsambtenaar proceskostenvergoeding had moeten toekennen in bezwaar.

3. Eiser voert aan dat, omdat er volgens hem sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, er recht bestond op proceskostenvergoeding in de bezwaarfase.

4. De heffingsambtenaar stelt daarentegen dat er geen sprake was van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Hij stelt dat eiser niet heeft voldaan aan artikel 2 van het Aanwijzingsbesluit Parkeren 2023 dat inhoudt dat een parkeerkaart zichtbaar en goed leesbaar achter de voorruit van een voertuig moet worden gelegd. Volgens de heffingsambtenaar blijkt uit de overgelegde foto’s van de parkeercontrole dat eiser daar niet aan voldeed.



Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gesproken van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het bestuursorgaan dient de proceskosten te vergoeden, indien – maar ook uitsluitend indien – het bestreden besluit door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is genomen. Het is niet voldoende dat het bestreden besluit onrechtmatig is; het bestuursorgaan dient daarbij ernstig onzorgvuldig handelen te kunnen worden verweten.

6. Dat is hier niet het geval. De heffingsambtenaar heeft een brondocument overgelegd waarin de parkeerkaart van eiser niet zichtbaar is. Eiser heeft daarmee niet voldaan aan artikel 2 van het Aanwijzingsbesluit Parkeren 2023. Dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag in eerste instantie heeft opgelegd, is dus niet ontstaan door ernstige onzorgvuldigheid. Er is dan ook geen sprake van een zwaar verwijtbare handeling door de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft daarom geen proceskostenvergoeding hoeven toekennen in de bezwaarfase, de beroepsgrond slaagt niet.



Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, hij krijgt ook het door hem betaalde griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Vermeer griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.














griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Uit de memorie van toelichting van artikel 7:15 Awb.