Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:2330
2026-05-07
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
UTR 25/6315
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
PV van mondelinge uitspraak. Besluit om geen effectafstand voor perceelsontwatering op te nemen in het Beheerplan Engbertsdijksvenen. GS hebben besloten geen onderdeel aan het beheerplan toe te voegen waarin een beschrijving van een activiteit is opgenomen als gevolg waarvan die activiteit is toegestaan zonder een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. De rechtbank is niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep.
Citeert (8)
- ECLI:NL:RVS:2017:2894 Raad van State 25-10-2017
- ECLI:NL:RBNNE:2022:125 Rechtbank Noord-Nederland 24-01-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2025:259 Rechtbank Midden-Nederland 03-02-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2026:289 Rechtbank Limburg 14-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2017:2894 Raad van State 25-10-2017
- ECLI:NL:RVS:2018:891 Raad van State 16-03-2018
- ECLI:NL:RVS:2019:3397 Raad van State 09-10-2019
- ECLI:NL:RVS:2026:2045 Raad van State 16-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.845 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6315
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van
7 mei 2026 in de zaak tussen
1. [eisers sub 1]eigenaren van het landgoed [locatie] , en
2. [eiser sub 2] v.o.f.gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisers
(gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars),
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. C. Schimmer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van
8 juli 2025 (het bestreden besluit) van het college om geen onderdeel aan het beheerplan Engbertsdijksvenen toe te voegen met een beschrijving van activiteiten voor perceelsontwatering, waardoor deze activiteiten zonder omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit kunnen worden verricht.
2. Concreet komt het bestreden besluit erop neer dat het college heeft besloten geen effectafstand voor drainage vast te stellen. De reden daarvoor is dat voor het bepalen van een nieuwe effectafstand de meest actuele wetenschappelijke kennis moet worden gehanteerd en informatie over perceelontwatering en agrarische grondwateronttrekking ontbreekt. Op korte termijn kan daarom niet met wetenschappelijke zekerheid een nieuwe effectafstand worden vastgesteld waarmee een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen is uit te sluiten. Verder wil het college niet vooruitlopen op de herziening van het beheerplan Engbertsdijksvenen, dat in juni 2028 klaar moet zijn.
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit, omdat het ondeugdelijk is gemotiveerd. Volgens hen heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om een effectafstand voor drainage vast te leggen in het beheerplan, wat in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eisers vinden het bestreden besluit ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat het college nu helemaal afziet van het opnemen van een effectafstand. Dat is gelet op de voorgeschiedenis van deze zaak volgens eisers ook in strijd met het vertrouwensbeginsel. Zij wijzen erop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en later de rechtbank Noord-Nederland het onderdeel uit het beheerplan met een effectafstand voor drainage van 1.000 meter hebben vernietigd en het college opdracht hebben gegeven tot het nemen van een herstelbesluit. En ook de rechtbank Midden-Nederland heeft bepaald dat het college alsnog een besluit moest nemen. Eisers vinden dat ze er dus op mochten vertrouwen dat het college het gebrek zou herstellen door alsnog een deugdelijk onderbouwde effectafstand voor drainage in het beheerplan op te nemen.
4. De rechtbank heeft het beroep van eisers op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] en [B] met hun gemachtigde en
mr. J. Wijnmaalen en de gemachtigde van het college samen met [C] .
5. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank acht zich niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep en zal dat uitleggen.
7. Het college heeft met het bestreden besluit gemotiveerd afgezien van het aan het beheerplan toevoegen van een beschrijving van activiteiten voor perceelontwatering waardoor deze vergunningvrij zouden worden voor de Natura 2000-activiteit. Het gevolg hiervan is dus dat er geen onderdeel aan het beheerplan is toegevoegd met een beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan.
8. Artikel 3.8, derde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat gedeputeerde staten voor een Natura 2000-gebied een beheerplan vaststellen.
9. Artikel 8:5, eerste lid, van de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2).
10. Artikel 1, aanhef en onder Omgevingswet, onder g, van bijlage 2 bij de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen onder meer een besluit genomen op grond van artikel 3.8 van de Omgevingswet, voor zover het niet betreft een daarin opgenomen beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan.
11. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat uitsluitend beroep kan worden ingesteld tegen een onderdeel van een beheerplan waarin een beschrijving van een activiteit is opgenomen als gevolg waarvan die activiteit is toegestaan zonder een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.
12. Nu het college er met het bestreden besluit uitdrukkelijk voor heeft gekozen om niet een dergelijk onderdeel aan het beheerplan toe te voegen, valt dit onder de werking van artikel 8:5, eerste lid van de Awb en is dit dus van beroep uitgesloten. De rechtbank sluit hiermee aan bij de lijn zoals ook verwoord in de uitspraak van de rechtbank Limburg van
14 januari 2026. Voor zover eisers hebben gewezen op de uitspraken van 25 oktober 2017 en 16 maart 2018 van de Afdeling, waaruit is af te leiden dat ook beroep kan worden ingesteld tegen het niet in een beheerplan opnemen van vrijstellingen van de vergunningplicht, merkt de rechtbank op dat de Afdeling in recentere rechtspraak andere standaardoverwegingen is gaan gebruiken waaruit dit niet meer kan worden afgeleid. De rechtbank wijst hiervoor op de uitspraken van 9 oktober 2019 en 16 april 2026. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat zij onbevoegd is. De rechtbank is zich ervan bewust dat deze uitkomst teleurstellend is voor eisers maar de rechtbank kan niet over haar onbevoegdheid heenstappen.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank is onbevoegd van het beroep kennis te nemen. Aan (verdere) behandeling van het beroep komt de rechtbank dan ook niet toe.
14. De rechtbank ziet wel aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten en te bepalen dat het de griffiekosten van eisers vergoedt. De reden hiervoor is gelegen in de rechtsmiddelenclausule onder het bestreden besluit, waarmee de indruk is gewekt dat het instellen van beroep mogelijk was. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
15. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026 door mr. ing. A. Rademaker, voorzitter, en mr. J. Wolbrink en mr. S.D.P. Kole, leden, in aanwezigheid van
mr. M.H.L. Debets, griffier.
griffier
voorzitter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2894 en uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 januari 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:125.
Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 februari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:259.
ECLI:NL:RBLIM:2026:289.
ECLI:NL:RVS:2017:2894 en ECLI:NL:RVS:2018:891.
ECLI:NL:RVS:2019:3397 en ECLI:NL:RVS:2026:2045.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6315
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van
7 mei 2026 in de zaak tussen
1. [eisers sub 1]eigenaren van het landgoed [locatie] , en
2. [eiser sub 2] v.o.f.gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisers
(gemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars),
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. C. Schimmer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van
8 juli 2025 (het bestreden besluit) van het college om geen onderdeel aan het beheerplan Engbertsdijksvenen toe te voegen met een beschrijving van activiteiten voor perceelsontwatering, waardoor deze activiteiten zonder omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit kunnen worden verricht.
2. Concreet komt het bestreden besluit erop neer dat het college heeft besloten geen effectafstand voor drainage vast te stellen. De reden daarvoor is dat voor het bepalen van een nieuwe effectafstand de meest actuele wetenschappelijke kennis moet worden gehanteerd en informatie over perceelontwatering en agrarische grondwateronttrekking ontbreekt. Op korte termijn kan daarom niet met wetenschappelijke zekerheid een nieuwe effectafstand worden vastgesteld waarmee een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen is uit te sluiten. Verder wil het college niet vooruitlopen op de herziening van het beheerplan Engbertsdijksvenen, dat in juni 2028 klaar moet zijn.
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit, omdat het ondeugdelijk is gemotiveerd. Volgens hen heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om een effectafstand voor drainage vast te leggen in het beheerplan, wat in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eisers vinden het bestreden besluit ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat het college nu helemaal afziet van het opnemen van een effectafstand. Dat is gelet op de voorgeschiedenis van deze zaak volgens eisers ook in strijd met het vertrouwensbeginsel. Zij wijzen erop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en later de rechtbank Noord-Nederland het onderdeel uit het beheerplan met een effectafstand voor drainage van 1.000 meter hebben vernietigd en het college opdracht hebben gegeven tot het nemen van een herstelbesluit. En ook de rechtbank Midden-Nederland heeft bepaald dat het college alsnog een besluit moest nemen. Eisers vinden dat ze er dus op mochten vertrouwen dat het college het gebrek zou herstellen door alsnog een deugdelijk onderbouwde effectafstand voor drainage in het beheerplan op te nemen.
4. De rechtbank heeft het beroep van eisers op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] en [B] met hun gemachtigde en
mr. J. Wijnmaalen en de gemachtigde van het college samen met [C] .
5. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank acht zich niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep en zal dat uitleggen.
7. Het college heeft met het bestreden besluit gemotiveerd afgezien van het aan het beheerplan toevoegen van een beschrijving van activiteiten voor perceelontwatering waardoor deze vergunningvrij zouden worden voor de Natura 2000-activiteit. Het gevolg hiervan is dus dat er geen onderdeel aan het beheerplan is toegevoegd met een beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan.
8. Artikel 3.8, derde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat gedeputeerde staten voor een Natura 2000-gebied een beheerplan vaststellen.
9. Artikel 8:5, eerste lid, van de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2).
10. Artikel 1, aanhef en onder Omgevingswet, onder g, van bijlage 2 bij de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen onder meer een besluit genomen op grond van artikel 3.8 van de Omgevingswet, voor zover het niet betreft een daarin opgenomen beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan.
11. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat uitsluitend beroep kan worden ingesteld tegen een onderdeel van een beheerplan waarin een beschrijving van een activiteit is opgenomen als gevolg waarvan die activiteit is toegestaan zonder een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.
12. Nu het college er met het bestreden besluit uitdrukkelijk voor heeft gekozen om niet een dergelijk onderdeel aan het beheerplan toe te voegen, valt dit onder de werking van artikel 8:5, eerste lid van de Awb en is dit dus van beroep uitgesloten. De rechtbank sluit hiermee aan bij de lijn zoals ook verwoord in de uitspraak van de rechtbank Limburg van
14 januari 2026. Voor zover eisers hebben gewezen op de uitspraken van 25 oktober 2017 en 16 maart 2018 van de Afdeling, waaruit is af te leiden dat ook beroep kan worden ingesteld tegen het niet in een beheerplan opnemen van vrijstellingen van de vergunningplicht, merkt de rechtbank op dat de Afdeling in recentere rechtspraak andere standaardoverwegingen is gaan gebruiken waaruit dit niet meer kan worden afgeleid. De rechtbank wijst hiervoor op de uitspraken van 9 oktober 2019 en 16 april 2026. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat zij onbevoegd is. De rechtbank is zich ervan bewust dat deze uitkomst teleurstellend is voor eisers maar de rechtbank kan niet over haar onbevoegdheid heenstappen.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank is onbevoegd van het beroep kennis te nemen. Aan (verdere) behandeling van het beroep komt de rechtbank dan ook niet toe.
14. De rechtbank ziet wel aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten en te bepalen dat het de griffiekosten van eisers vergoedt. De reden hiervoor is gelegen in de rechtsmiddelenclausule onder het bestreden besluit, waarmee de indruk is gewekt dat het instellen van beroep mogelijk was. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
15. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026 door mr. ing. A. Rademaker, voorzitter, en mr. J. Wolbrink en mr. S.D.P. Kole, leden, in aanwezigheid van
mr. M.H.L. Debets, griffier.
griffier
voorzitter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2894 en uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 januari 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:125.
Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 februari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:259.
ECLI:NL:RBLIM:2026:289.
ECLI:NL:RVS:2017:2894 en ECLI:NL:RVS:2018:891.
ECLI:NL:RVS:2019:3397 en ECLI:NL:RVS:2026:2045.