Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:1618

2026-04-01 Civiel recht 11177892 EL EXPL 24-23 D/954
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-04-01
Publicatiedatum
2026-04-17
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11177892 EL EXPL 24-23 D/954
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dexia; aandelenlease; art.1:88 BW.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.464 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Civiel recht
kantonrechter



locatie Amersfoort



zaaknummer: 11177892 EL EXPL 24-23 D/954




Vonnis van 1 april 2026




inzake



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verder ook te noemen Dexia,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: USG Legal Professionals,



tegen:





[erfgename] , in haar hoedanigheid van wettige erfgename van [erflater] ,
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [erfgename] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).




1De verdere procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenvonnis van 21 mei 2025,


de akte van Dexia,


de akte van [erfgename] .




Dexia is nog in de gelegenheid gesteld om te reageren op de akte van [erfgename] maar heeft daarvan niet tijdig gebruik gemaakt.




1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van een uitspraak van de Hoge Raad in het cassatieberoep tegen de uitspraak van het Hof Amsterdam van 30 april 2024. De kantonrechter blijft bij de overwegingen in dat tussenvonnis en het tussenvonnis van 26 maart 2025.


2.2.
De Hoge Raad heeft op 18 juli 2025 een arrest gewezen (ECLI: NL:HR:2025:1168). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van dit arrest nog schriftelijk te reageren.


2.3.
Voor zover [erfgename] in haar reactie nieuwe feitelijke stellingen omtrent het moment van wetenschap heeft ingenomen, worden deze buiten beschouwing gelaten omdat deze eerder in de procedure hadden kunnen en moeten worden ingebracht. Zoals eerder is overwogen is voor de uitslag in deze zaak ten aanzien van overeenkomst 6. het arrest van de Hoge Raad bepalend. Het arrest van de Hoge Raad is duidelijk. Het gaat om het tijdstip waarop de niet-handelende echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst en het is niet vereist dat de niet-handelende echtgenoot beschikte over de kennis en het inzicht dat het sluiten van de overeenkomst haar of zijn toestemming behoefde. [erfgename] heeft ook geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat in dit geval anders beslist zou moeten worden dan in overeenstemming is met de overwegingen van de Hoge Raad (vergelijk gerechtshof ’s-Hertogenbosch 17 februari 2026 ECLI:NL:GHSHE:2026:382). Nu reeds eerder aangenomen is dat het moment van wetenschap van de overeenkomst vóór 13 maart 2000 lag, gaat het beroep op verjaring van Dexia op. Dit betekent dat de vordering van [erfgename] ten aanzien van overeenkomst 6. wordt afgewezen.


2.4.
Gelet op hetgeen in het tussenvonnis van 26 maart 2025 is beslist wordt de gevorderde verklaring voor recht van Dexia toegewezen ten aanzien van de overeenkomsten 1. tot en met 5. en ten aanzien van overeenkomst 6. afgewezen. De door [erfgename] ten aanzien van laatstgenoemde overeenkomst gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar alsmede de veroordeling tot betaling van de schade die door Dexia onweersproken is becijferd op € 2.085,01. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).


2.5.
Gelet op deze uitkomst ziet de kantonrechter aanleiding de kosten als na te melden te compenseren.





3De beslissing

De kantonrechter:

in conventie




3.1.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [erflater] gesloten overeenkomsten 1. tot en met 5. niets meer aan [erfgename] verschuldigd is,



in reconventie





3.2.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [erflater] heeft gehandeld door [erflater] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [erflater] niet alleen als klant aanbracht maar [erflater] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,



3.3.
veroordeelt Dexia om aan [erfgename] te betalen € 2.085,01, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 2.4.,



3.4.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,



in conventie en in reconventie





3.5.
compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,



3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.