Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2025:7221
2025-11-12
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
UTR 25/5604
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
VoVo niet ontvankelijk wegens uitspraak in hoofdzaak UTR 25/4193
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:4493 Rechtbank Midden-Nederland 15-08-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.293 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5604
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 november 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A.C. de Kanter),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).
Als derde-partij neemt deel: Stichting Habion uit Utrecht
(gemachtigden: mr. R.D. van Oevelen en mr. L. de Jeu).
Inleiding
1. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 4 juni 2025, waarbij het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen van twee woongebouwen met 76 (zorg)woningen en het inrichten van het terrein op het perceel aan de [adres] in [plaats] .
2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 augustus 2025 het beroep van [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet was voldaan aan de vereisten die zijn gesteld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht gelezen in samenhang met de artikelen 1.6, tweede lid en 1.6a van de Crisis- en herstelwet.
3. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] verzet gedaan. Omdat derde-partij volgens [verzoeker] inmiddels was begonnen met het uitvoeren van voorbereidende werkzaamheden, heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. De rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [verzoeker] samen met [persoon1] en [persoon2] , de gemachtigde van het college en de gemachtigden van derde-partij samen met [persoon3] .
Beoordeling door de rechtbank
5. Vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan in het door verzoeker ingestelde verzet tegen de uitspraak van 15 augustus 2025. De rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard en daarmee is de beroepsprocedure geëindigd. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen beroepsprocedure meer loopt. In dat geval kan iemand geen verzoek om voorlopige voorziening doen. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBMNE:2025:4493.
Zaaknummer UTR 25/4193-V.
Zie artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5604
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 november 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A.C. de Kanter),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).
Als derde-partij neemt deel: Stichting Habion uit Utrecht
(gemachtigden: mr. R.D. van Oevelen en mr. L. de Jeu).
Inleiding
1. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 4 juni 2025, waarbij het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen van twee woongebouwen met 76 (zorg)woningen en het inrichten van het terrein op het perceel aan de [adres] in [plaats] .
2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 augustus 2025 het beroep van [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet was voldaan aan de vereisten die zijn gesteld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht gelezen in samenhang met de artikelen 1.6, tweede lid en 1.6a van de Crisis- en herstelwet.
3. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] verzet gedaan. Omdat derde-partij volgens [verzoeker] inmiddels was begonnen met het uitvoeren van voorbereidende werkzaamheden, heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. De rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [verzoeker] samen met [persoon1] en [persoon2] , de gemachtigde van het college en de gemachtigden van derde-partij samen met [persoon3] .
Beoordeling door de rechtbank
5. Vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan in het door verzoeker ingestelde verzet tegen de uitspraak van 15 augustus 2025. De rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard en daarmee is de beroepsprocedure geëindigd. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen beroepsprocedure meer loopt. In dat geval kan iemand geen verzoek om voorlopige voorziening doen. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBMNE:2025:4493.
Zaaknummer UTR 25/4193-V.
Zie artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.