Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:542

2025-01-31 Bestuursrecht UTR 25/327
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2025-01-31
Publicatiedatum
2025-02-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
UTR 25/327
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

herhaald verzoek om voorlopige voorziening. geen nieuwe feiten of omstandigheden. geen evidente onrechtmatigheid

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.125 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 25/327


uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 januari 2025 in de zaak tussen



[verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M.T. van der Wulp),


en




De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
(gemachtigde: mr. L.C. Kuppens).




Inleiding

1. Bij besluit van 1 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft de minister een waarschuwing preventieve stillegging van werk (waarschuwing) aan verzoekster gegeven. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter op 9 oktober 2024 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2. Bij uitspraak van 4 november 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster afgewezen.

3. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter op 13 januari 2025 opnieuw verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

4. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het herhaalde verzoek van 13 januari 2025 om een voorlopige voorziening te treffen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.


4.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Een herhaald verzoek om voorlopige voorziening kan slechts voor toewijzing in aanmerking komen als sprake is van een terecht beroep op nieuwe feiten of omstandigheden door verzoeker. Het moet gaan om feiten of omstandigheden die verzoekers ten tijde van het vorige verzoek niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn, of nieuwe feiten of omstandigheden van na de uitspraak op het vorige verzoek, die een herhaald verzoek rechtvaardigen.

6. Verzoekster heeft in haar herhaalde verzoek om voorlopige voorziening evenals in haar eerdere verzoek aangevoerd dat het verzoek om voorlopige voorziening gezien de evidente onrechtmatigheid van het besluit, de spoedeisendheid en/of de betrokken belangen moet worden toegewezen.

7. In dat wat verzoekster aanvoert ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 4 november 2024. Eiseres heeft in haar herhaalde verzoek een nadere en soms herhaalde toelichting gegeven op haar standpunt over evidente onrechtmatigheid van het besluit. Eiseres heeft echter geen nieuwe feiten en of omstandigheden aangevoerd die eerder niet bekend waren of niet bekend konden zijn.
De rechtbank heeft de minister niettemin gevraagd op het standpunt dat specifiek gaat over de vaststelling van de recidive te reageren. De minister heeft daarop gereageerd bij brief van 27 januari 2025. Uit deze uitwisseling van standpunten volgt voor de voorzieningenrechter niet dat het overduidelijk is dat het standpunt van verweerder ten aanzien van de recidive niet correct is en in de bezwaarfase dus geen stand zal houden. Bij evidente onrechtmatigheid immers moet de voorzieningenrechter dit meteen kunnen vaststellen zonder onderzoek te hoeven doen naar de relevante feiten en/of de (wettelijke) bepalingen van de zaak. Dat is in deze zaak niet het geval.

8. De voorzieningenrechter ziet in dat wat verder door verzoekster nog is aangevoerd over de onrechtmatigheid van het besluit ook niet dat het bestreden besluit evident geen stand kan houden. Ook ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding anders te oordelen over de spoedeisendheid en de belangen van verzoekster.



Conclusie en gevolgen.

9. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2025.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2775