Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2025:1391
2025-03-27
Bestuursrecht
UTR 25/1166
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vovo rechtbank onbevoegd. Na herstelverzuimbrief geen besluit overgelegd en ook is niet gebleken van een lopende bezwaar- of beroepsprocedure.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2018:2111 Raad van State 27-06-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.696 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1166
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
en
Onbekende verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op 12 februari 2025 heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Zij vraagt de voorzieningenrechter daarin om een voorlopige financiële tegemoetkoming zodat zij haar leven weer kan oppakken. Verzoekster stuurt bij dit verzoek diverse bijlagen mee.
3. Omdat het de voorzieningenrechter op basis van deze bijlagen niet duidelijk was tegen welk besluit verzoekster opkomt, heeft zij haar op 13 februari 2025 een brief gestuurd. In deze brief vraagt de voorzieningenrechter om binnen één week de ontbrekende stukken toe te sturen. Dit betrof onder andere een kopie van het besluit waartegen verzoekster opkomt, een kopie van het bezwaar- of beroepschrift dat verzoekster daartegen heeft ingediend en een onderbouwing van het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening(en).
4. Op 20 februari 2025 heeft verzoekster gereageerd en verzocht om uitstel van deze termijn in verband met persoonlijke medische problemen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen en aangegeven dat verzoekster tot uiterlijk 26 maart 2025 het verzoekschrift kan completeren.
5. Op 19 maart 2025 heeft verzoekster een aanvullende toelichting met aanvullende stukken toegestuurd. Daaruit leidt de voorzieningenrechter af dat verzoekster veel problemen en leed heeft ervaren. Zij doet de voorzieningenrechter in relatie tot deze problemen enkele verzoeken.
6. In artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald in welke gevallen de voorzieningenrechter bevoegd is om te oordelen op een verzoek om een voorlopige voorziening. Hiervoor is nodig dat een bestuursorgaan een besluit in de zin van de Awb heeft genomen, of dat een dergelijk besluit op een door een belanghebbende gedane aanvraag uitblijft.
7. Als de voorzieningenrechter het goed begrijpt gaat één van de verzoeken van verzoekster over het op naam stellen van een camper. Dat is geen voorziening die die voorzieningenrechter kan treffen, omdat het registreren van een kenteken een bevoegdheid is van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). Uit de stukken volgt niet dat verzoekster de RDW al heeft gevraagd om dat te doen, en (dus) ook niet dat de RDW daarover al een besluit heeft genomen.
8. Voor zover verzoekster heeft beoogd om beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen van het Openbaar Ministerie op een door haar ingediende klacht overweegt de voorzieningenrechter dat het niet tijdig behandelen van een klacht niet vatbaar is voor beroep.
9. De voorzieningenrechter heeft in de stukken verder geen besluit(en) in de zin van de Awb aangetroffen. Ook is niet gebleken van een lopende bezwaar- of beroepsprocedure in relatie tot de overgelegde stukken. Nu geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb is de voorzieningenrechter onbevoegd om te oordelen over het ingediende verzoek.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2111).
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1166
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
en
Onbekende verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op 12 februari 2025 heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Zij vraagt de voorzieningenrechter daarin om een voorlopige financiële tegemoetkoming zodat zij haar leven weer kan oppakken. Verzoekster stuurt bij dit verzoek diverse bijlagen mee.
3. Omdat het de voorzieningenrechter op basis van deze bijlagen niet duidelijk was tegen welk besluit verzoekster opkomt, heeft zij haar op 13 februari 2025 een brief gestuurd. In deze brief vraagt de voorzieningenrechter om binnen één week de ontbrekende stukken toe te sturen. Dit betrof onder andere een kopie van het besluit waartegen verzoekster opkomt, een kopie van het bezwaar- of beroepschrift dat verzoekster daartegen heeft ingediend en een onderbouwing van het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening(en).
4. Op 20 februari 2025 heeft verzoekster gereageerd en verzocht om uitstel van deze termijn in verband met persoonlijke medische problemen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen en aangegeven dat verzoekster tot uiterlijk 26 maart 2025 het verzoekschrift kan completeren.
5. Op 19 maart 2025 heeft verzoekster een aanvullende toelichting met aanvullende stukken toegestuurd. Daaruit leidt de voorzieningenrechter af dat verzoekster veel problemen en leed heeft ervaren. Zij doet de voorzieningenrechter in relatie tot deze problemen enkele verzoeken.
6. In artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald in welke gevallen de voorzieningenrechter bevoegd is om te oordelen op een verzoek om een voorlopige voorziening. Hiervoor is nodig dat een bestuursorgaan een besluit in de zin van de Awb heeft genomen, of dat een dergelijk besluit op een door een belanghebbende gedane aanvraag uitblijft.
7. Als de voorzieningenrechter het goed begrijpt gaat één van de verzoeken van verzoekster over het op naam stellen van een camper. Dat is geen voorziening die die voorzieningenrechter kan treffen, omdat het registreren van een kenteken een bevoegdheid is van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). Uit de stukken volgt niet dat verzoekster de RDW al heeft gevraagd om dat te doen, en (dus) ook niet dat de RDW daarover al een besluit heeft genomen.
8. Voor zover verzoekster heeft beoogd om beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen van het Openbaar Ministerie op een door haar ingediende klacht overweegt de voorzieningenrechter dat het niet tijdig behandelen van een klacht niet vatbaar is voor beroep.
9. De voorzieningenrechter heeft in de stukken verder geen besluit(en) in de zin van de Awb aangetroffen. Ook is niet gebleken van een lopende bezwaar- of beroepsprocedure in relatie tot de overgelegde stukken. Nu geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb is de voorzieningenrechter onbevoegd om te oordelen over het ingediende verzoek.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2111).