Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2023:7836

2023-10-24 Strafrecht 1628913022
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2023-10-24
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
1628913022
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van verkrachting, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat het slachtoffer door de ten laste gelegde feitelijkheden is gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. Bewezenverklaring van ontucht, omdat de seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De rechtbank legt aan de verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf van 80 uren. De vordering van de benadeelde partij is gedeeltelijk toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (38.355 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht



Parketnummer: 16/289130-22 (P)




Vonnis van de meervoudige kamer van 24 oktober 2023




in de strafzaak tegen





[verdachte]
,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
hierna: verdachte.




1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2023.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van officier van justitie mr. A. Drogt en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.A. de Kock, advocaat te Utrecht, en wat mr. P. van der Geest, advocaat te Utrecht, namens de benadeelde partij [slachtoffer] , naar voren hebben gebracht.




2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.



De verdenking komt er, in het kort, op neer dat verdachte:




primair
op 28 mei 2020 in Houten samen met een ander [slachtoffer] heeft verkracht;




subsidiair
op 28 mei 2020 in Houten samen met een ander met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaar had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.




3VOORVRAGEN


Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, moet worden beoordeeld of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.




4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Primair: verkrachting



4.1.1


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
De verklaring van aangeefster [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is betrouwbaar, omdat zij consistent en authentiek heeft verklaard. Daarnaast wordt de aangifte ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige] en [getuige] en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , die allen hebben waargenomen dat [slachtoffer] geëmotioneerd was. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte dat de seks met toestemming en op initiatief van [slachtoffer] heeft plaatsgevonden onaannemelijk. Volgens de officier van justitie bestaat de dwang door verdachte uit het onverhoeds achter [slachtoffer] de bosjes ingaan, het onverhoeds zijn penis uit zijn broek halen, het hoofd van [slachtoffer] naar zijn penis brengen en zijn penis in haar mond duwen. Wel heeft de officier van justitie verzocht om verdachte partieel vrij te spreken van het medeplegen van de verkrachting, omdat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.




4.1.2


Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.



Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte bekent dat hij seks met [slachtoffer] heeft gehad, maar dat dit volledig vrijwillig en op initiatief van [slachtoffer] is gebeurd. Het bestanddeel ‘dwang’ kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. De raadsvrouw acht het ook van belang dat [slachtoffer] herhaaldelijk heeft aangegeven geen aangifte tegen verdachte te willen doen.




4.1.3


Het oordeel van de rechtbank

Niet ter discussie staat dat [slachtoffer] en verdachte op 28 mei 2020 bij de [locatie] in Houten seksuele handelingen met elkaar hebben verricht. [slachtoffer] was op dat moment [leeftijd] jaar oud en verdachte [leeftijd] jaar oud. De rechtbank zal hieronder bespreken hoe dit juridisch dient te worden gekwalificeerd en of verdachte zich aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. Voor die beoordeling is van belang welke seksuele handelingen zijn verricht en in welke context. [slachtoffer] en verdachte hebben daar verschillend over verklaard.



In een zedenzaak doet zich vaak de situatie voor dat alleen het slachtoffer en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen en dat zij allebei iets anders verklaren over wat er is gebeurd. Steunbewijs kan ertoe leiden dat toch een bewezenverklaring kan volgen. Of er sprake is van voldoende steunbewijs, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het slachtoffer, als die betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd (slachtoffer).





Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

De rechtbank let bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] op volledigheid, accuraatheid en consistentie. De rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar. Zij heeft een uur na het incident met de politie gesproken en de volgende dag een verklaring afgelegd. Ongeveer een maand later heeft zij opnieuw een uitgebreide verklaring afgelegd bij de aangifte. De rechtbank constateert dat de verklaring van [slachtoffer] consistent is, zowel ten aanzien van de handelingen die zouden hebben plaatsgevonden als over de volgorde daarvan. Ook de verklaring van [slachtoffer] over de omstandigheden voor en na de handelingen met verdachte is consistent. Haar verklaring is op onderdelen gedetailleerd. Verder heeft [slachtoffer] verklaard dat ze twijfelt of bij de seksuele handelingen met verdachte sprake was van dwang, omdat ze geen nee heeft gezegd tegen verdachte. Dit ondersteunt naar het oordeel van de rechtbank de authenticiteit van de verklaring van [slachtoffer] .




Steunbewijs

De verklaring van [slachtoffer] vindt verder voldoende steun in ander bewijsmateriaal. De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] . Hij heeft gezien dat verdachte seks had met [slachtoffer] in doggystyle, en [slachtoffer] heeft tegen hem gezegd dat ze het niet van zichzelf had verwacht. Daarnaast heeft verdachte erkend dat bepaalde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, wat tevens de verklaring van [slachtoffer] steun biedt.



De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] en zal daarom uitgaan van de seksuele handelingen zoals door haar verklaard.




Vrijspraak verkrachting

De rechtbank heeft op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet het wettig en overtuigend bewijs verkregen dat verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.



Voor een bewezenverklaring van dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat [slachtoffer] het seksueel binnendringen van haar lichaam tegen haar wil heeft ondergaan en dat die dwang heeft plaatsgevonden door middel van geweld of een andere feitelijkheid, dan wel bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. Bij een andere feitelijkheid kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het uitoefenen van psychische druk.



Volgens de tenlastelegging zou de dwang door verdachte onder andere hebben bestaan uit het onverhoeds zijn penis uit zijn broek halen, het hoofd van [slachtoffer] naar zijn penis brengen en vervolgens zijn penis in de mond van [slachtoffer] duwen. De verklaring van [slachtoffer] in de aangifte over een jongen die het hoofd van [slachtoffer] naar zijn penis heeft gebracht en zijn penis in haar mond heeft geduwd, heeft echter betrekking op het handelen door de medeverdachte [medeverdachte] en niet door verdachte. Hier kan dus geen door verdachte gebezigde dwang aan worden ontleend.



Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feitelijkheden, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de aangifte kan niet worden afgeleid dat verdachte [slachtoffer] naar een afgelegen plaats/plek heeft meegenomen: zij is zelf naar die plek gelopen om te plassen. Ook blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit het dossier dat op dat moment sprake was van een kwetsbaarheid bij [slachtoffer] , zodat niet enkel op basis van het leeftijdsverschil kan worden gesproken van een afhankelijke en ongelijkwaardige relatie tussen verdachte en [slachtoffer] . Daarnaast is niet gebleken dat verdachte een feitelijk overwicht heeft gehad, waardoor hij psychische druk op [slachtoffer] zou hebben uitgeoefend, zodanig dat zij zich daardoor niet heeft kunnen onttrekken aan de seksuele handelingen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen voornoemde feitelijkheden dan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen.



De rechtbank overweegt dat uit de aangifte wel blijkt dat verdachte ‘ga pijpen’ heeft gezegd, maar dat [slachtoffer] expliciet heeft verklaard dat zij zich niet gedwongen voelde om verdachte te pijpen. Ook uit de opmerking van verdachte ‘mijn vriend maakt het wel af’ kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat verdachte ten tijde van de seksuele handelingen tegen de wil van [slachtoffer] is ingegaan.



Nu naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is komen vast te staan dat [slachtoffer] met de ten laste gelegde feitelijkheden door verdachte is gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen, kan de ten laste gelegde verkrachting niet wettig en overtuigend worden bewezen. De rechtbank zal verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.





4.2

Subsidiair: Ontucht



4.2.1


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en zich niet uitgelaten over de subsidiair tenlastegelegde ontucht.




4.2.2


Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw bepleit dat het ontuchtige karakter in de gegeven omstandigheden ontbreekt, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. De seks heeft vrijwillig plaatsgevonden en er was tussen verdachte en [slachtoffer] sprake van een gering leeftijdsverschil en een gelijkwaardige verhouding en ontwikkelingsfase. Ook waren de seksuele handelingen niet van dien aard dat daarmee het ontuchtige karakter kan worden aangenomen. Het gaat om seksuele handelingen die in het huidige tijdsgewricht als normaal worden beschouwd, aldus de raadsvrouw.




4.2.3


Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde ontucht.




Bewijsmiddelen



Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard:

Het klopt dat ik op 28 mei 2020 in Houten seksuele handelingen met [slachtoffer] heb verricht die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. [slachtoffer] heeft mij gepijpt en ik heb vaginale seks met haar gehad. Ik wist dat [slachtoffer] alcohol had gedronken.

Aangeefster Melissa van [slachtoffer] heeft onder meer het volgende verklaard:

Achternaam: Van [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Geboren: [geboortedatum] 2004



V: Vraag verbalisant
A: Antwoord aangever



V: Wat er met de eerste jongen (de rechtbank begrijpt: verdachte) gebeurde in hoeverre was dat voor jou gewenst?
A: Niet.



EERSTE INCIDENT MET JONGEN 1
A: Hij begon mij te zoenen en handtastelijk te zijn.
V: En wat bedoel je met handtastelijk zijn?
A: Aan mijn borsten en billen zitten. Hij knijpt hier dan in met zijn handen.
V: Wat is dan de volgende stap?A: Hij deed zijn broek open, zijn riem.
V: En toen?A: Ja, toen had ik dus de orale seks gedaan.
V: Wat heb jij met die piemel gedaan?A: Daar heb ik orale seks mee gehad.V: Wat versta jij onder orale seks?A: Ja, die heb ik in mijn mond gedaan.
V: En dan?A: Toen weet ik nog dat hij mij omdraaide.
V: Toen hij je omgedraaid had, wat gebeurde er toen?
A: Nou, toen deed hij mijn jurkje omhoog en begon hij met zijn penis in mijn anus te gaan.
V: Wat voelde je toen hij zijn penis in jouw anus deed?
A: Een immense pijn.
V: En toen?
A: Toen weet ik nog dat ik op mijn rug lag en is de piemel wel in mijn vagina gegaan.




In het informatief gesprek zeden heeft aangeefster [slachtoffer] onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik was heel erg overdonderd. Hij (naar de rechtbank begrijpt: verdachte) heeft later zijn excuses aangeboden. Ik wilde de seks niet.



V: Vertel mij eens alles wat er gebeurde met die jongen?
A: Het was oraal, vaginaal en anaal.
V: Vertel eens alles?A; Hij ging aan mijn borsten zitten. Hij vingerde mijen toen heeft hij mij ontmaagd. Hij vingerde mij in mijn vagina.




Medeverdachte [medeverdachte] heeft onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik heb gezien dat [verdachte] seks heeft gehad met [slachtoffer] . Ik heb [slachtoffer] gevraagd of alles goed met haar ging omdat het haar eerste keer was. Ze vertelde aan mij dat ze het niet van zichzelf had verwacht.
V: Wat heb je gezien van [verdachte] en [slachtoffer] ?
A: Dat ze seks hebben gehad. Volgens mij deden ze ook doggystyle.




Bewijsoverweging

Voor wat betreft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor onder 4.1.3 heeft overwogen.



Voor de subsidiair ten laste gelegde ontucht met seksueel binnendringen moet worden beoordeeld of sprake is van handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Of hier sprake van is, is altijd afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De rechtbank heeft er oog voor dat wat naar de meerderheidsopvattingen als niet leeftijdsadequaat en non-consensueel kan worden beschouwd (‘ontuchtig’), in de beleving van de jongere(n) kan gelden als vrijwillige seksuele contacten, al dan niet in het kader van experimenteergedrag. Deze ‘waardering’ door de direct betrokkenen wordt door de wetgever echter gerelativeerd; uitgangspunt is dat minderjarigen ook tegen zichzelf beschermd moeten worden. Bij de beoordeling of binnen deze context sprake is van overschrijding van de sociaal-ethische norm, kunnen onder andere de volgende factoren van belang zijn: aard en context van de seks, het bestaan van een affectieve relatie, verschil in seksuele ontwikkeling, vrijwilligheid en intentie van de dader.



Verdachte en [slachtoffer] kenden elkaar slechts enkele minuten voordat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Zij hadden dus geen affectieve relatie. Verdachte en [slachtoffer] hebben in de bosjes in korte tijd orale, vaginale en anale seks gehad, in verschillende standjes. Daarbij was er sprake van een verschil in seksuele ontwikkeling, doordat verdachte al ervaring op seksueel gebied had en [slachtoffer] nog maagd was.
Hoewel de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte haar tot de seksuele handelingen heeft gedwongen, kan evenmin worden geconcludeerd dat de seks vanuit [slachtoffer] vrijwillig is geweest. Zij heeft verklaard dat zij zich overdonderd voelde, dat ze de seks niet wilde en dat zij achteraf spijt had. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van ontucht, vindt de rechtbank ook de intentie van verdachte van belang. Verdachte heeft [slachtoffer] na de seks in de bosjes achtergelaten en zich niet meer om haar bekommerd, terwijl hij inmiddels wist dat het haar eerste keer was geweest. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte weinig respect had voor de seksuele integriteit van [slachtoffer] en slechts aan zijn eigen lustgevoelens dacht. Gelet op het voorgaande tezamen genomen, is de rechtbank van oordeel dat de seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, en dat er dus sprake is van ontuchtige handelingen .



Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte ook het voorwaardelijk opzet op het plegen van de ontuchtige handelingen. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat verdachte en [slachtoffer] elkaar niet kenden, verdachte niet heeft gevraagd hoe oud zij was en of zij al ervaring had op seksueel gebied. Ook wist verdachte dat [slachtoffer] alcohol had gedronken. De rechtbank betrekt ook het korte tijdsbestek waarbinnen zowel de ontmoeting als alle seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte kennelijk alleen aan zijn eigen lustgevoelens heeft gedacht doordat hij [slachtoffer] na de seks in de bosjes heeft achtergelaten en zich niet meer wezenlijk om haar heeft bekommerd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door onder deze omstandigheden seksuele handelingen met [slachtoffer] te verrichten, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij ontuchtige handelingen zou plegen.



De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen, omdat niet is gebleken dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] .






5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:



op 28 mei 2020 te Houten met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,
- de borsten, billen en vagina van die [slachtoffer] betast/aangeraakt en beetgepakt en - zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en gehouden en- zijn penis in de vagina en anus van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.



Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.




6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.



Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.





7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.




8OPLEGGING VAN STRAF


8.1


De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van verkrachting te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren.




8.2


Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gelet op de bepleite vrijspraak geen standpunt ingenomen ten aanzien van de op te leggen straf.




8.3


Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft ook gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij deze straf heeft bepaald.




Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met het slachtoffer. De ontucht heeft mede bestaan uit seksueel binnendringen van het lichaam. Verdachte heeft binnen enkele minuten in de bosjes orale, anale en vaginale seks met het slachtoffer gehad. Dit was de eerste seksuele ervaring van het slachtoffer, wat voor haar op een heel vervelende ervaring is uitgelopen. Hoewel verdachte ten tijde van de seksuele handelingen niet wist dat het slachtoffer maagd was, heeft hij haar achtergelaten en zich later ook niet meer wezenlijk om haar bekommerd. Hiermee heeft verdachte het slachtoffer in een kwetsbare situatie gebracht. Verdachte is voorbij gegaan aan de belangen van het slachtoffer en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen seksuele behoeftes. Door deze wijze van handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedenmisdrijven daarvan nog langdurig psychisch nadelige gevolgen ondervinden. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat de gevolgen van de avond als geheel voor [slachtoffer] groot zijn. Ze heeft verklaard dat ze last heeft gekregen van herbelevingen, slaapproblemen en paniekaanvallen Ze heeft nog steeds last van angstgevoelens en vindt het lastig om een intieme relatie aan te gaan.




Persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van 31 augustus 2023, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.



De rechtbank heeft kennisgenomen van een advies van 5 september 2023 van Reclassering Nederland, opgemaakt door [A] , reclasseringswerker. Hieruit blijkt dat de reclassering geen risicofactoren in de verschillende leefgebieden ziet. Verdachte heeft zijn leven op orde en lijkt voldoende probleemoplossende vaardigheden te bezitten. Er zijn geen aanwijzingen voor psychosociale problemen of een seksuele stoornis bij verdachte. Het risico op recidive wordt dan ook ingeschat als laag en de reclassering adviseert geen bijzondere voorwaarden bij een strafoplegging.




De straf

De rechtbank stelt vast dat het te lang heeft geduurd voordat deze zaak is behandeld. Hoewel de redelijke termijn waarbinnen de berechting behoort te geschieden niet is overschreden, ziet de rechtbank aanleiding om bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening te houden met het tijdsverloop.



De rechtbank acht gelet op de ernst van het feit en het tijdsverloop de oplegging van een onvoorwaardelijke en/of voorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur niet aangewezen. De rechtbank is in overeenstemming met uitspraken in vergelijkbare zaken van oordeel dat een taakstraf het meest passend is. Op grond van het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is deze strafmodaliteit voor ontucht echter niet mogelijk. Artikel 22b Sr beperkt de rechterlijke straftoemetingsvrijheid in zoverre dat het onderhavige misdrijf niet kan worden bestraft met enkel een taakstraf. Daarom zal de rechtbank een taakstraf in combinatie met een gevangenisstraf voor de duur van één dag opleggen. Tegen een dergelijk gecombineerde straf verzet artikel 22b Sr zich niet.



Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van één dag passend en geboden met daarbij een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis als verdachte de taakstraf niet (naar behoren) verricht.





9BENADEELDE PARTIJ



[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 12.500,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.



9.1


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel,
hoofdelijk met medeverdachte [medeverdachte] , toe te wijzen met daarbij de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.




9.2


Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding.




9.3


Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, sub b van het Burgerlijk Wetboek kan een benadeelde partij onder meer aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen en/of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank overweegt dat de aard en de ernst van de normschending in de huidige zaak met zich meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen.



De rechtbank ziet aanleiding om een lager bedrag toe te wijzen dan gevorderd, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Gelet op de aard en de ernst en de nadelige gevolgen, die de benadeelde partij blijkens haar vordering heeft ondervonden, acht de rechtbank een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade billijk. Daarbij heeft zij (mede) gelet op de beslissingen in soortgelijke zaken.



De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.




Hoofdelijkheid?

Nu de verdachte het strafbare feit niet samen met een mededader heeft gepleegd, ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk op te leggen.




Wettelijke rente en proceskosten

De rechtbank zal aldus de vordering voor een totaalbedrag van € 2.500,00 toewijzen, geheel bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2020 tot de dag van volledige betaling.



Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.




Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 35 dagen gijzeling.



De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.





10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.









11BESLISSING


De rechtbank:




Vrijspraak


- verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;



Bewezenverklaring




verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 vermeld;


verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;





Strafbaarheid


- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;



Oplegging straf




veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één dag;


veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;


beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis;





Benadeelde partij




wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 2.500,00, geheel bestaande uit immateriële schade;


veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2020 tot de dag van de algehele voldoening;


verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 2.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 35 dagen gijzeling;


bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;


veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.


Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Piet, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. S.M. Schothorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2023,



zijnde mr. Schothorst en mr. Van Bergeijk buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.






Bijlage: de tenlastelegging




Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:




Primair
hij op of omstreeks 28 mei 2020 te Houten, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft verdachte- de borst(en), bil(len) en/of vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] betast/aangeraakt en/of beetgepakt en/of- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden en/of- zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden;



en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met gewelden/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte- die [slachtoffer] mee heeft genomen naar een afgelegen plaats/plek op het eiland en/of- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: “ga pijpen” en/of “mijn riend maakt het wel af” , althans woorden van dergelijke (dwingende) aard en/of strekking en/of- (onverhoeds) zijn penis uit zijn broek heeft gehaald en/of- (vervolgens) het hoofd/gezicht die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht richting zijn penis en/of- (vervolgens) zijn penis in de mond van die [slachtoffer] heeft gebracht/gehouden en/of (daarbij) (een) heen en weergaande beweging(en) heeft gemaakt en/of (daarbij) het hoofd van die [slachtoffer] heen en weer heeft geduwd en/of- die [slachtoffer] in een ongelijkwaardige en/of afhankelijke relatie met hem, verdachte, heeft gebracht/gehouden, gelet op de kwetsbaarheid en/of de (zeer) jonge leeftijd van die [slachtoffer] en/of- het (aldus) - ook door het leeftijdsverschil en/of het feitelijk overwicht - doen opleveren, althans doen ontstaan, van een zodanige psychische druk dat zij geen weerstand kon bieden, in ieder geval het doen ontstaan van een situatie waarin zij geen ‘nee’ kon of durfde te zeggen;( art 242 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht )




Subsidiair
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 mei 2020 te Houten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer] , geboren op 18 juni 2004, die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt,ontuchtige handelingen heeft gepleegd die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal- de borst(en), bil(len) en/of vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] betast/aangeraakt en/of beetgepakt en/of- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden en/of- zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden;( art 245 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht )



Vgl. HR 21 februari 2023 ECLI:NL:HR:2023:261


Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 4 november 2022, genummerd PL0900- 2020166517, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 195. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.


De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 oktober 2023.


Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 24 juni 2020, pagina 102.


Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 24 juni 2020, pagina 114.


Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 24 juni 2020, pagina 115.


Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 24 juni 2020, pagina 116.


Een proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 29 mei 2020, pagina 76.


Een proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 29 mei 2020, pagina 78.


Een proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 29 mei 2020, pagina 76.


Een proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte] d.d. 4 november 2022, pagina 62.


Een proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte] d.d. 4 november 2022, pagina 63.


Een proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte] d.d. 4 november 2022, pagina 63.


Vgl. dr. R. Kool en dr. L. Dalhuisen, Strafbare seks tussen jongeren: ‘ontuchtig’ of ‘anders dan in het kader van een gelijkwaardige relatie’, Proces 2021, afl. 3.