Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2023:7785
2023-09-14
Bestuursrecht
UTR 22/262
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
ongegrond; NOBZ; bezwaar te laat
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:5547 Rechtbank Midden-Nederland 21-12-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:5547 Rechtbank Midden-Nederland 21-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.000 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/262
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.
Verder heeft als partij aan de zaak deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 10 januari 2022.
Verweerder heeft op 2 september 2022 een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft middels een MS-Teams verbinding plaatsgevonden op 4 september 2023. Eiseres is zelf niet verschenen, maar haar gemachtigde wel. Namens verweerder is
mr. [A] verschenen.
Overwegingen
1. Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt (artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt. In dit geval is de WOZ-beschikking bekendgemaakt op 30 november 2019. Het bezwaarschrift had dus uiterlijk op 13 januari 2020 door verweerder ontvangen moeten zijn. Verweerder heeft het bezwaar ontvangen op
23 april 2021. Dat is buiten de wettelijk voorgeschreven termijn. De hoofdregel is dan dat verweerder het bezwaarschrift niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
2. Verweerder heeft eiseres op 18 november 2021 een brief gestuurd waarin haar werd verzocht om binnen twee weken aan te geven waarom het bezwaar te laat is ingediend. Ook is er aangegeven dat als er niet op tijd wordt gereageerd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
3. Op 4 december 2021, ontvangen door verweerder op 6 december 2021, heeft eiseres een e-mail gestuurd aan verweerder waarin zij aangeeft dat zij elke dag de te bezorgen post tijdig ter bestemder plaatse ter verdere verwerking door én onder verantwoordelijkheid van PostNl laat bezorgen. Eiseres stelt ook dat dit is af te leiden uit de datering op het bezwaarschrift én de reguliere poststempel op de envelop.
4. Eiseres geeft in haar beroepsschrift aan dat het bezwaarschrift volstrekt ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Ook stelt eiseres dat de gevraagde mondelinge hoorzitting niet adequaat én evenmin naar behoren is georganiseerd.
5. Ter zitting voert eiseres aan dat hij het aanslagbiljet later heeft ontvangen dan
30 november 2019.
6. De gronden van eiseres slagen niet. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat het aanslagbiljet een barcode boven de NAW-gegevens bevat en dat deze barcode is geplaatst door hun verzender, DataB. Dat houdt in dat het aanslagbiljet met de reguliere post is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst op dat adres. Dit brengt mee dat de heffingsambtenaar in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om dit vermoeden te ontzenuwen. Verweerder heeft tijdens de zitting toegelicht dat de aanslag is verstuurd naar [eiseres] B.V. zelf en dat Bartels pas later, in 2021, is gaan optreden voor diverse horeca ondernemingen in [plaats] . Dit verklaart volgens verweerder de te late indiening van het bezwaarschrift door Bartels. Ter zitting heeft Bartels hier niet inhoudelijk op gereageerd.
7. Verweerder heeft dus terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.
De overschrijding van de redelijke termijn
8. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vanwege dit verzoek is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) onderzoek aangemerkt als partij in deze zaken. De minister voor Rechtsbescherming voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. De rechtbank heeft daarom de minister niet uitgenodigd voor de zitting. De rechtbank toetst de verzoeken aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
9. In deze zaak is sprake van een opvolgende bezwaar- en beroepsprocedure. De behandeling daarvan mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. In deze zaak ving de redelijke termijn aan op 23 april 2021, toen het bezwaarschrift is ingediend. De rechtbank had binnen twee jaar, dus uiterlijk op 23 april 2023 uitspraak moeten doen. Deze termijn is met bijna vijf maanden overschreden. Dat is deels te wijten aan de heffingsambtenaar (die negen maanden over de behandeling van het bezwaar heeft gedaan) en deels aan de rechtbank.
10. Net als in haar uitspraak van 21 december 2022 (ECLI:NL:RBMNE:2022:5547) oordeelt de rechtbank dat de bestuursrechter moet differentiëren bij de toekenning van een schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn en dat de huidige door de hoogste bestuursrechter toegepaste forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar te grofmazig is. Net als in die uitspraak oordeelt de rechtbank niet over een nieuw forfaitair tarief, maar beoordeelt zij waar de overschrijding van de redelijke termijn in de nu voorliggende zaak toe moet leiden.
11. Eiseres is een rechtspersoon. Deze procedure gaat over één onroerende zaak – een pand– dat eiseres in eigendom heeft naast andere panden. De belangen van eiseres zijn dan ook uitsluitend financieel van aard. De bij eiseres betrokken personen kunnen in afwachting van uitsluitsel over de belastingaanslag spanning en stress ervaren, maar de rechtbank vindt dat een relatief gering belang dat bovendien onlosmakelijk verbonden is met het bedrijfsmatig beheren van vastgoed. Alles afwegend vindt de rechtbank een schadevergoeding van € 50,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden in deze zaken billijk.
12. In dit geval is de redelijke termijn met bijna vijf maanden overschreden. Dat leidt tot een aanspraak op schadevergoeding van € 50,-. De termijnoverschrijding is deels te wijten aan de heffingsambtenaar, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar tot de schadevergoeding zal veroordelen en deels aan de rechtbank, zodat de rechtbank de Staat tot de schadevergoeding zal veroordelen. Dat leidt ertoe dat de heffingsambtenaar € 25,- aan schadevergoeding aan eiseres moet betalen en de Staat ook € 25,- moet betalen aan eiseres.
Het griffierecht
13. Omdat het beroep ongegrond is, hoeft de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht niet te vergoeden.
14. Het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn heeft eiseres gedaan gedurende het beroep, overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid van de Awb. Daarvoor was eiseres geen griffierecht verschuldigd, wat volgt uit artikel 8:94, tweede lid, van de Awb. Voor het verzoek is dan ook geen griffierecht geheven, zodat geen sprake kan zijn van vergoeding daarvan.
Proceskosten van eiseres
15. Eiseres heeft verzocht om de heffingsambtenaar te veroordelen in zijn proceskosten, die bestaan uit de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
16. Omdat het beroep ongegrond is, zal de rechtbank het verzoek om een veroordeling in eiseres haar rechtsbijstandskosten afwijzen, voor zover die bijstand is verleend voor het inhoudelijke beroep.
17. Voor de beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding hoefde de gemachtigde van eiseres vrijwel geen werkzaamheden te verrichten, en uit de processtukken blijkt dat hij dat ook niet heeft gedaan. Tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van daadwerkelijke kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken voor rechtsbijstand in de procedures over de verzoeken om vergoeding van immateriële schade. De rechtbank sluit ook hier aan bij de hiervoor genoemde uitspraak van 21 december 2022, (ECLI:NL:RBMNE:2022:5547). Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van de heffingsambtenaar.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 25,-.
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 25,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is uitgesproken op 14 september 2023 .
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/262
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.
Verder heeft als partij aan de zaak deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 10 januari 2022.
Verweerder heeft op 2 september 2022 een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft middels een MS-Teams verbinding plaatsgevonden op 4 september 2023. Eiseres is zelf niet verschenen, maar haar gemachtigde wel. Namens verweerder is
mr. [A] verschenen.
Overwegingen
1. Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt (artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt. In dit geval is de WOZ-beschikking bekendgemaakt op 30 november 2019. Het bezwaarschrift had dus uiterlijk op 13 januari 2020 door verweerder ontvangen moeten zijn. Verweerder heeft het bezwaar ontvangen op
23 april 2021. Dat is buiten de wettelijk voorgeschreven termijn. De hoofdregel is dan dat verweerder het bezwaarschrift niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
2. Verweerder heeft eiseres op 18 november 2021 een brief gestuurd waarin haar werd verzocht om binnen twee weken aan te geven waarom het bezwaar te laat is ingediend. Ook is er aangegeven dat als er niet op tijd wordt gereageerd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
3. Op 4 december 2021, ontvangen door verweerder op 6 december 2021, heeft eiseres een e-mail gestuurd aan verweerder waarin zij aangeeft dat zij elke dag de te bezorgen post tijdig ter bestemder plaatse ter verdere verwerking door én onder verantwoordelijkheid van PostNl laat bezorgen. Eiseres stelt ook dat dit is af te leiden uit de datering op het bezwaarschrift én de reguliere poststempel op de envelop.
4. Eiseres geeft in haar beroepsschrift aan dat het bezwaarschrift volstrekt ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Ook stelt eiseres dat de gevraagde mondelinge hoorzitting niet adequaat én evenmin naar behoren is georganiseerd.
5. Ter zitting voert eiseres aan dat hij het aanslagbiljet later heeft ontvangen dan
30 november 2019.
6. De gronden van eiseres slagen niet. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat het aanslagbiljet een barcode boven de NAW-gegevens bevat en dat deze barcode is geplaatst door hun verzender, DataB. Dat houdt in dat het aanslagbiljet met de reguliere post is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst op dat adres. Dit brengt mee dat de heffingsambtenaar in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om dit vermoeden te ontzenuwen. Verweerder heeft tijdens de zitting toegelicht dat de aanslag is verstuurd naar [eiseres] B.V. zelf en dat Bartels pas later, in 2021, is gaan optreden voor diverse horeca ondernemingen in [plaats] . Dit verklaart volgens verweerder de te late indiening van het bezwaarschrift door Bartels. Ter zitting heeft Bartels hier niet inhoudelijk op gereageerd.
7. Verweerder heeft dus terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.
De overschrijding van de redelijke termijn
8. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vanwege dit verzoek is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) onderzoek aangemerkt als partij in deze zaken. De minister voor Rechtsbescherming voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. De rechtbank heeft daarom de minister niet uitgenodigd voor de zitting. De rechtbank toetst de verzoeken aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
9. In deze zaak is sprake van een opvolgende bezwaar- en beroepsprocedure. De behandeling daarvan mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. In deze zaak ving de redelijke termijn aan op 23 april 2021, toen het bezwaarschrift is ingediend. De rechtbank had binnen twee jaar, dus uiterlijk op 23 april 2023 uitspraak moeten doen. Deze termijn is met bijna vijf maanden overschreden. Dat is deels te wijten aan de heffingsambtenaar (die negen maanden over de behandeling van het bezwaar heeft gedaan) en deels aan de rechtbank.
10. Net als in haar uitspraak van 21 december 2022 (ECLI:NL:RBMNE:2022:5547) oordeelt de rechtbank dat de bestuursrechter moet differentiëren bij de toekenning van een schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn en dat de huidige door de hoogste bestuursrechter toegepaste forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar te grofmazig is. Net als in die uitspraak oordeelt de rechtbank niet over een nieuw forfaitair tarief, maar beoordeelt zij waar de overschrijding van de redelijke termijn in de nu voorliggende zaak toe moet leiden.
11. Eiseres is een rechtspersoon. Deze procedure gaat over één onroerende zaak – een pand– dat eiseres in eigendom heeft naast andere panden. De belangen van eiseres zijn dan ook uitsluitend financieel van aard. De bij eiseres betrokken personen kunnen in afwachting van uitsluitsel over de belastingaanslag spanning en stress ervaren, maar de rechtbank vindt dat een relatief gering belang dat bovendien onlosmakelijk verbonden is met het bedrijfsmatig beheren van vastgoed. Alles afwegend vindt de rechtbank een schadevergoeding van € 50,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden in deze zaken billijk.
12. In dit geval is de redelijke termijn met bijna vijf maanden overschreden. Dat leidt tot een aanspraak op schadevergoeding van € 50,-. De termijnoverschrijding is deels te wijten aan de heffingsambtenaar, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar tot de schadevergoeding zal veroordelen en deels aan de rechtbank, zodat de rechtbank de Staat tot de schadevergoeding zal veroordelen. Dat leidt ertoe dat de heffingsambtenaar € 25,- aan schadevergoeding aan eiseres moet betalen en de Staat ook € 25,- moet betalen aan eiseres.
Het griffierecht
13. Omdat het beroep ongegrond is, hoeft de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht niet te vergoeden.
14. Het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn heeft eiseres gedaan gedurende het beroep, overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid van de Awb. Daarvoor was eiseres geen griffierecht verschuldigd, wat volgt uit artikel 8:94, tweede lid, van de Awb. Voor het verzoek is dan ook geen griffierecht geheven, zodat geen sprake kan zijn van vergoeding daarvan.
Proceskosten van eiseres
15. Eiseres heeft verzocht om de heffingsambtenaar te veroordelen in zijn proceskosten, die bestaan uit de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
16. Omdat het beroep ongegrond is, zal de rechtbank het verzoek om een veroordeling in eiseres haar rechtsbijstandskosten afwijzen, voor zover die bijstand is verleend voor het inhoudelijke beroep.
17. Voor de beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding hoefde de gemachtigde van eiseres vrijwel geen werkzaamheden te verrichten, en uit de processtukken blijkt dat hij dat ook niet heeft gedaan. Tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van daadwerkelijke kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken voor rechtsbijstand in de procedures over de verzoeken om vergoeding van immateriële schade. De rechtbank sluit ook hier aan bij de hiervoor genoemde uitspraak van 21 december 2022, (ECLI:NL:RBMNE:2022:5547). Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van de heffingsambtenaar.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 25,-.
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 25,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is uitgesproken op 14 september 2023 .
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.