Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2023:7697
Inhoudsindicatie
Doorhaling van de zaak op de rol (artikel 246 Rv) is niet mogelijk, omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over betaling van de proceskosten. Er is daarom geen sprake van de vereiste instemming van beide partijen. Eiseres vermindert haar vorderingen tot nihil (artikel 129 Rv). Gedaagde vordert betaling van de werkelijke proceskosten ten bedrage van € 1.689,65. Zo’n vordering is toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering vanwege de overduidelijke ongegrondheid ervan achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, of op stellingen baseert waarvan hij van tevoren moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Hiervan is in onderhavig geval sprake, zodat eisers veroordeeld wordt in de werkelijke de werkelijke proceskoten van gedaagde.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBOVE:2022:2314 Rechtbank Overijssel 19-07-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.672 tekens)
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 10482889 \ AC EXPL 23-995
Vonnis van 23 augustus 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.G. Verheij.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 april 2023 met producties 1 tot en met 3; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5; - akte houdende royement; - de antwoordakte.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2Waar deze zaak over gaat
2.1.
[eiseres] heeft in deze procedure in eerste instantie gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 665,12 (hoofdsom, rente en kosten). Ook heeft [eiseres] gevorderd dat [gedaagde] haar proceskosten betaalt. [eiseres] onderbouwt dit met een beroep op de volgens haar bestaande overeenkomst met [gedaagde] .
2.2.
[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de werkelijke proceskosten, begroot op € 3.500,00. [gedaagde] voert als primair verweer aan dat er geen overeenkomst bestaat tussen [eiseres] en [gedaagde] . Subsidiair voert [gedaagde] aan dat als vastgesteld wordt dat er wel een overeenkomst bestaat, er door [eiseres] geen werkzaamheden zijn verricht.
2.3.
Na de conclusie van antwoord van [gedaagde] , heeft [eiseres] bij akte kenbaar gemaakt dat zij om haar moverende redenen niet verder wil procederen. Zij heeft de kantonrechter daarom verzocht om de zaak door te halen op de rol.
2.4.
[gedaagde] heeft hierop met een antwoordakte gereageerd en stemt in met het doorhalingsverzoek, maar met betrekking tot de proceskosten handhaaft [gedaagde] wat zij hierover heeft gevorderd in haar conclusie van antwoord, namelijk dat [eiseres] wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten. Door het doorhalingsverzoek van [eiseres] zijn de werkelijke proceskosten beperkt gebleven tot een bedrag van € 1.698,65 inclusief btw. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] een factuur gestuurd op basis van een niet bestaande overeenkomst voor werkzaamheden die niet (in opdracht van [gedaagde] ) zijn verricht. [gedaagde] gaat ervan uit dat [eiseres] dit heeft gedaan in de hoop dat de factuur door onvoldoende administratieve controle door [gedaagde] zou worden betaald. [eiseres] heeft [gedaagde] daarom willens en wetens onterecht in deze procedure betrokken. Deze handelswijze levert misbruik van procesrecht en/of onrechtmatig handelen op. Dit rechtvaardigt daarom een veroordeling van [eiseres] in de werkelijke proceskosten, zo stelt [gedaagde] .
3De beoordeling
3.1.
De kantonrechter overweegt dat een zaak op grond van artikel 246 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) alleen met instemming van beide partijen op de rol kan worden doorgehaald. [gedaagde] verzet zich weliswaar in haar antwoordakte niet tegen de verzochte doorhaling, maar vraagt wel om [eiseres] in de werkelijke proceskosten te veroordelen. Aangezien partijen daarover geen overeenstemming hebben bereikt, is geen sprake van de vereiste instemming van beide partijen. Doorhaling van de zaak op de rol is daarom niet mogelijk is.
3.2.
Uit het verzoek tot royement begrijpt de kantonrechter dat [eiseres] haar vorderingen vermindert tot nihil (artikel 129 Rv), zodat deze niet meer hoeven te worden beoordeeld. De kantonrechter moet nog wel beslissen over de proceskosten. De vraag die daarom centraal staat, is of [eiseres] de werkelijke proceskosten van [gedaagde] moet betalen. Dit is het geval. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3.3.
[gedaagde] vordert betaling van de werkelijke proceskosten, namelijk
€ 1,689,65. Zo’n vordering is toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering vanwege de overduidelijke ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij, achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, of op stellingen baseert waarvan hij van tevoren moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] bij het instellen van haar vordering uitging van feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, zodat over wordt gegaan tot veroordeling in de werkelijke proceskoten.
3.5.
[eiseres] heeft in haar dagvaarding vermeld dat er geen verweren aan de zijde van [gedaagde] bekend waren, terwijl het in de conclusie van antwoord gevoerde verweer ook al is verwoord in de brief van 14 maart 2023 aan [eiseres] . Hierop is door [eiseres] nooit gereageerd. In plaats daarvan is [eiseres] direct overgegaan tot dagvaarden, terwijl het verweer van [gedaagde] kennelijk gegrond was. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat [eiseres] na kennisneming van de conclusie van antwoord, zonder overleg met [gedaagde] , een verzoek tot doorhaling heeft ingediend. Doordat [eiseres] zich eerder niets van het verweer heeft aangetrokken, maar er kennelijk voor gekozen heeft om onnodig een procedure aanhangig te maken, heeft [gedaagde] kosten voor juridische bijstand moeten maken, die anders niet nodig waren geweest. Gezien deze gang van zaken en mede gelet op het door [gedaagde] aangehaalde vonnis van de rechtbank Overijssel, kan de kantonrechter zich niet aan de indruk onttrekken dat sprake is van een spookfactuur. Alles bij elkaar genomen ziet de kantonrechter dan ook aanleiding voor een proceskostenveroordeling die afwijkt van het liquidatietarief, zodat de vordering van € 1.698,65 aan werkelijke proceskosten wordt toegewezen.
3.6.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
4De beslissing
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [eiseres] . in de werkelijke proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot dit vonnis vastgesteld op € 1.698,65,
4.2.
veroordeelt [eiseres] . in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 66,00 aan salaris gemachtigde,
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2023.
ECLI:NL:RBOVE:2022:2314