Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2023:7686
2023-06-07
Civiel recht
10375785 \ AC EXPL 23-541
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gedaagde moet een factuur van € 377,65 (vermeerderd met rente en kosten) aan eiseres betalen, omdat de kantonrechter niet kan vaststellen dat gedaagde heeft betaald. Gedaagde draagt de bewijslast van de stelling dat hij contant betaald heeft, omdat hij zich beroept op het rechtsgevolg dat daarmee samengaat, namelijk dat hij door betaling niets meer aan eiseres verschuldigd is. Gedaagde heeft geen betaalbewijs overgelegd en heeft zijn stelling dan ook onvoldoende onderbouwd. Daarom is niet komen vast te staan dat gedaagde (contant) heeft betaald en is hij het factuurbedrag verschuldigd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:2704 Hoge Raad 25-11-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.648 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10375785 AC EXPL 23-541 NA/58602
Vonnis van 7 juni 2023
inzake
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V., mede handelend onder de namen [handelsnamen],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [eiseres] ,
eisende partij,
gemachtigde: Bosveld Gerechtsdeurwaarders B.V.
tegen:
[gedaagde]
,
wonende in [woonplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7;
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 15 maart 2023, aan te merken als de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 10 mei 2023 met één bijlage, aan te merken als de conclusie van dupliek.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] is op 4 april 2022 met [eiseres] een overeenkomst van opdracht aangegaan, op basis waarvan [eiseres] reparatiewerkzaamheden aan de auto van [gedaagde] heeft verricht. De totale kosten van de werkzaamheden zijn € 377,65. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] het bedrag niet betaald, ook niet nadat hij meerdere keren is aangemaand.
2.2.
[eiseres] vordert dat [gedaagde] bij vonnis wordt veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, om de factuur van € 441,13 (hoofdsom inclusief rente en kosten) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 434,30 vanaf 9 februari 2023, tot en met de dag dat het bedrag volledig is betaald. Ook wil [eiseres] dat [gedaagde] haar proceskosten betaalt.
2.3.
De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen. [gedaagde] voert aan dat er geen openstaande vordering is, omdat hij contant betaald heeft.
2.4.
De vraag die daarom centraal staat, is of [gedaagde] de factuur van € 377,65 (hoofdsom) moet betalen aan [eiseres] . Dit is het geval. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De factuur van € 377,65
2.5.
[gedaagde] moet de factuur van € 377,65 aan [eiseres] betalen, omdat de kantonrechter niet kan vaststellen dat [gedaagde] heeft betaald.
2.6.
[gedaagde] draagt de bewijslast van de stelling dat hij contant betaald heeft, omdat hij zich beroept op het rechtsgevolg dat daarmee samengaat, namelijk dat hij door betaling niets meer aan [eiseres] verschuldigd is. [gedaagde] heeft geen betaalbewijs overgelegd en heeft zijn stelling dan ook onvoldoende onderbouwd. Daarom is niet komen vast te staan dat [gedaagde] contant heeft betaald.
2.7.
Hoewel partijen in discussie zijn over hoe de gang van zaken rondom het brengen en halen van de auto feitelijk is verlopen, is dit voor de uitkomst van deze procedure niet van belang. De kantonrechter laat dit daarom in het midden. De door [eiseres] gevorderde hoofdsom wordt toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten, wettelijke rente en proceskosten
2.8.
De door [eiseres] gevorderde buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente daarover komen niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de aanmaning niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voldoet. Niet is gebleken dat [gedaagde] een betalingstermijn van veertien dagen is gegeven ingaande vanaf de dag na ontvangst van de aanmaning. Zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
2.9.
De vervallen wettelijke rente tot 3 februari 2023 ter hoogte van € 6,83 wordt als niet betwist toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 9 februari 2023 tot en met de dag dat het bedrag volledig betaald is, wordt ook toegewezen.
2.10.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 107,91
- griffierecht € 128,00
- salaris gemachtigde € 160,00 (2 punten x tarief € 80,00)
Totaal € 395,91
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 384,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 over een bedrag van € 377,65, tot de dag van algehele voldoening;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] de proceskosten te betalen, tot de uitspraak van dit vonnis vastgesteld op € 395,91, waarvan € 160,- aan salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023.
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10375785 AC EXPL 23-541 NA/58602
Vonnis van 7 juni 2023
inzake
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V., mede handelend onder de namen [handelsnamen],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [eiseres] ,
eisende partij,
gemachtigde: Bosveld Gerechtsdeurwaarders B.V.
tegen:
[gedaagde]
,
wonende in [woonplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7;
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 15 maart 2023, aan te merken als de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 10 mei 2023 met één bijlage, aan te merken als de conclusie van dupliek.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] is op 4 april 2022 met [eiseres] een overeenkomst van opdracht aangegaan, op basis waarvan [eiseres] reparatiewerkzaamheden aan de auto van [gedaagde] heeft verricht. De totale kosten van de werkzaamheden zijn € 377,65. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] het bedrag niet betaald, ook niet nadat hij meerdere keren is aangemaand.
2.2.
[eiseres] vordert dat [gedaagde] bij vonnis wordt veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, om de factuur van € 441,13 (hoofdsom inclusief rente en kosten) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 434,30 vanaf 9 februari 2023, tot en met de dag dat het bedrag volledig is betaald. Ook wil [eiseres] dat [gedaagde] haar proceskosten betaalt.
2.3.
De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen. [gedaagde] voert aan dat er geen openstaande vordering is, omdat hij contant betaald heeft.
2.4.
De vraag die daarom centraal staat, is of [gedaagde] de factuur van € 377,65 (hoofdsom) moet betalen aan [eiseres] . Dit is het geval. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De factuur van € 377,65
2.5.
[gedaagde] moet de factuur van € 377,65 aan [eiseres] betalen, omdat de kantonrechter niet kan vaststellen dat [gedaagde] heeft betaald.
2.6.
[gedaagde] draagt de bewijslast van de stelling dat hij contant betaald heeft, omdat hij zich beroept op het rechtsgevolg dat daarmee samengaat, namelijk dat hij door betaling niets meer aan [eiseres] verschuldigd is. [gedaagde] heeft geen betaalbewijs overgelegd en heeft zijn stelling dan ook onvoldoende onderbouwd. Daarom is niet komen vast te staan dat [gedaagde] contant heeft betaald.
2.7.
Hoewel partijen in discussie zijn over hoe de gang van zaken rondom het brengen en halen van de auto feitelijk is verlopen, is dit voor de uitkomst van deze procedure niet van belang. De kantonrechter laat dit daarom in het midden. De door [eiseres] gevorderde hoofdsom wordt toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten, wettelijke rente en proceskosten
2.8.
De door [eiseres] gevorderde buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente daarover komen niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de aanmaning niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voldoet. Niet is gebleken dat [gedaagde] een betalingstermijn van veertien dagen is gegeven ingaande vanaf de dag na ontvangst van de aanmaning. Zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
2.9.
De vervallen wettelijke rente tot 3 februari 2023 ter hoogte van € 6,83 wordt als niet betwist toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 9 februari 2023 tot en met de dag dat het bedrag volledig betaald is, wordt ook toegewezen.
2.10.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 107,91
- griffierecht € 128,00
- salaris gemachtigde € 160,00 (2 punten x tarief € 80,00)
Totaal € 395,91
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 384,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 over een bedrag van € 377,65, tot de dag van algehele voldoening;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] de proceskosten te betalen, tot de uitspraak van dit vonnis vastgesteld op € 395,91, waarvan € 160,- aan salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023.