Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2023:6830
2023-07-28
Bestuursrecht
AWB - 22 _ 5548
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Buiten zitting, kennelijk gegrond, de stelling van het college dat er niet meer documenten onder hem berusten is niet geloofwaardig. Het college heeft ten onrechte verwezen naar de besluitvorming van de provincie en heeft nagelaten zelf een inventarisatie te doen van de documenten. Door dit niet te doen, is hij tekort geschoten in de besluitvorming.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2022:1743 Raad van State 22-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.918 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5548
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder
(gemachtigde: M. Valé).
Inleiding
Eiseres heeft op 11 oktober 2021 onder verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van alle documenten (vergunningen, toestemmingen, voorstellen, notulen, overeenkomsten, correspondentie, agendastukken, rapportages en/of adviezen etc. ) die zien op de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aan de [adres] te [woonplaats] . Het college heeft bij zijn besluit van 20 januari 2022 twee documenten openbaar gemaakt. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft in zijn besluit van 13 oktober 2022 (het bestreden besluit) verwezen naar een besluit dat door de provincie Utrecht op grond van de Wet open overheid (Woo) is genomen. In aanvulling op de twee documenten die eiseres al heeft ontvangen, heeft het college haar het besluit van de provincie en de daarbij behorende documenten toegestuurd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Overwegingen
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Op 1 mei 2022 is de Woo in werking getreden. De Wob is ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Nu het bestreden besluit ná 1 mei 2022 is genomen, is hierop de Woo van toepassing.
Eiseres stelt in beroep dat er meer documenten moeten zijn dan alleen de documenten die openbaar zijn gemaakt tijdens de (voor)procedure omtrent het bestemmingsplan en dat de gemeente De Bilt zich niet mag verschuilen achter een besluit (over een ander verzoek om informatie) van de provincie Utrecht.
Als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat documenten niet (of niet meer) onder hem berusten en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, dan is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat documenten toch onder het bestuursorgaan berusten. Dit volgt uit vaste rechtspraak.
5. In dit geval acht de rechtbank de ontkenning van het college dat hij niet over meer documenten beschikt over dit onderwerp kennelijk niet geloofwaardig. Aannemelijk is dat, voordat en gedurende dat een (ontwerp)plan ter inzage komt of in procedure is, over de mogelijkheden, aanzetten en concepten van een dergelijk plan wordt gecommuniceerd en/of dat er al dan niet in informerende zin, overleg plaatsvindt. Dat blijkt in dit geval ook uit gedingstuk 6, waarin een medewerker van het college verwijst naar documenten over de communicatie tussen de provincie en de gemeente over de [adres] . Deze documenten waren kennelijk door de provincie geïnventariseerd naar aanleiding van een Woo-verzoek van een derde over hetzelfde terrein en behoren kennelijk niet tot de documenten die in de bestemmingsplanprocedure ter inzage hebben gelegen.
6. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee vast dat het college deze en dergelijke documenten niet zelf heeft beoordeeld in het kader van het Woo-verzoek van eiseres. Zonder meer is aannemelijk dat het college, als bevoegd orgaan ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse, over dergelijke documenten beschikt. Hij had ze allemaal zelf moeten inventariseren en zelf een oordeel moeten vormen over dit soort documenten. Door dit niet te doen, is verweerder tekort geschoten in de besluitvorming.
7. Gebleken is dat onder het college berustende documenten niet volledig zijn geïnventariseerd en beoordeeld. Het bestreden besluit is daarmee genomen in strijd met de vereisten die de artikelen 3.2 en 7.12, eerste lid, van de Awb aan een besluit stellen.
8. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. Het besluit moet worden vernietigd en het college moet een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres nemen, waarbij hij alle bij hem berustende documenten zelf inventariseert, aangeeft welke eventueel al openbaar zijn en motiveert van welke delen hij vindt dat deze niet openbaar kunnen worden gemaakt en waarom.
9. Omdat eiseres terecht beroep heeft ingesteld krijgt zij het griffierecht terug. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 oktober 2022;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat dat de minister het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1743.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5548
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder
(gemachtigde: M. Valé).
Inleiding
Eiseres heeft op 11 oktober 2021 onder verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van alle documenten (vergunningen, toestemmingen, voorstellen, notulen, overeenkomsten, correspondentie, agendastukken, rapportages en/of adviezen etc. ) die zien op de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aan de [adres] te [woonplaats] . Het college heeft bij zijn besluit van 20 januari 2022 twee documenten openbaar gemaakt. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft in zijn besluit van 13 oktober 2022 (het bestreden besluit) verwezen naar een besluit dat door de provincie Utrecht op grond van de Wet open overheid (Woo) is genomen. In aanvulling op de twee documenten die eiseres al heeft ontvangen, heeft het college haar het besluit van de provincie en de daarbij behorende documenten toegestuurd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Overwegingen
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Op 1 mei 2022 is de Woo in werking getreden. De Wob is ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Nu het bestreden besluit ná 1 mei 2022 is genomen, is hierop de Woo van toepassing.
Eiseres stelt in beroep dat er meer documenten moeten zijn dan alleen de documenten die openbaar zijn gemaakt tijdens de (voor)procedure omtrent het bestemmingsplan en dat de gemeente De Bilt zich niet mag verschuilen achter een besluit (over een ander verzoek om informatie) van de provincie Utrecht.
Als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat documenten niet (of niet meer) onder hem berusten en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, dan is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat documenten toch onder het bestuursorgaan berusten. Dit volgt uit vaste rechtspraak.
5. In dit geval acht de rechtbank de ontkenning van het college dat hij niet over meer documenten beschikt over dit onderwerp kennelijk niet geloofwaardig. Aannemelijk is dat, voordat en gedurende dat een (ontwerp)plan ter inzage komt of in procedure is, over de mogelijkheden, aanzetten en concepten van een dergelijk plan wordt gecommuniceerd en/of dat er al dan niet in informerende zin, overleg plaatsvindt. Dat blijkt in dit geval ook uit gedingstuk 6, waarin een medewerker van het college verwijst naar documenten over de communicatie tussen de provincie en de gemeente over de [adres] . Deze documenten waren kennelijk door de provincie geïnventariseerd naar aanleiding van een Woo-verzoek van een derde over hetzelfde terrein en behoren kennelijk niet tot de documenten die in de bestemmingsplanprocedure ter inzage hebben gelegen.
6. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee vast dat het college deze en dergelijke documenten niet zelf heeft beoordeeld in het kader van het Woo-verzoek van eiseres. Zonder meer is aannemelijk dat het college, als bevoegd orgaan ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse, over dergelijke documenten beschikt. Hij had ze allemaal zelf moeten inventariseren en zelf een oordeel moeten vormen over dit soort documenten. Door dit niet te doen, is verweerder tekort geschoten in de besluitvorming.
7. Gebleken is dat onder het college berustende documenten niet volledig zijn geïnventariseerd en beoordeeld. Het bestreden besluit is daarmee genomen in strijd met de vereisten die de artikelen 3.2 en 7.12, eerste lid, van de Awb aan een besluit stellen.
8. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. Het besluit moet worden vernietigd en het college moet een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres nemen, waarbij hij alle bij hem berustende documenten zelf inventariseert, aangeeft welke eventueel al openbaar zijn en motiveert van welke delen hij vindt dat deze niet openbaar kunnen worden gemaakt en waarom.
9. Omdat eiseres terecht beroep heeft ingesteld krijgt zij het griffierecht terug. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 oktober 2022;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat dat de minister het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1743.