Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2023:5901
2023-11-08
Strafrecht; Materieel strafrecht
05-235763-21
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrijspraak voor het plegen van ontucht met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. Veroordeling voor poging tot ontucht met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, heimelijk filmen in een woning, het vervaardigen en in bezit hebben van afbeeldingen van ontuchtige handelingen waarbij mensen en een dier zijn betrokken, het tezamen en in vereniging plegen van ontuchtige handelingen met een dier en mishandeling.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (54.364 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 05/235763-21; 05/310570-21 (gev. ttz) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 8 november 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [plaats] , hierna: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 oktober 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T.M. van Wanrooij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. S.A.S. Jansen, advocaat te Apeldoorn, alsmede de benadeelde partijen [aangeefster 1] (roepnaam en hierna tevens genoemd: [aangeefster 1] ) en [aangeefster 2] en mr. N. Wijkman, namens de benadeelde partijen, naar voren hebben gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
ten aanzien van parketnummer 05-235763-21
feit 1, primair
op één of meer tijdstippen in de periode van 7 oktober 2016 tot en met 4 juli 2020 te Eefde, gemeente Lochem, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige stiefdochter/de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [aangeefster 1] ;
subsidiair is dit tenlastegelegd als buiten echt ontucht plegen met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren;
feit 2, primair
op 21 juni 2020 te Eefde, gemeente Lochem, heeft geprobeerd om ontucht te plegen met zijn minderjarige stiefdochter/de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [aangeefster 1] ;
subsidiair is dit tenlastegelegd als poging tot buiten echt ontucht plegen met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren;
meer subsidiair is dit tenlastegelegd als dwang;
feit 3
op één of meer tijdstippen in de periode van 7 oktober 2015 tot en met 4 juli 2020 te Eefde, gemeente Lochem, heimelijk met een camera, in een woning, een of meer afbeeldingen en/of films heeft vervaardigd van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] en één of meer anderen;
feit 4
op 2 mei 2020 te Eefde, gemeente Lochem, afbeeldingen heeft vervaardigd en/of in bezit heeft gehad waarop ontuchtige handelingen zichtbaar zijn waarbij mensen en een dier zijn betrokken;
feit 5
op 2 mei 2020 te Eefde, gemeente Lochem, samen met een ander, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een dier;
ten aanzien van parketnummer 05-310570-21
op 3 maart 2021 te Eefde [aangeefster 2] heeft mishandeld.
3VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
Over de vraag of de officier van justitie ontvankelijk is, overweegt de rechtbank in het kader van een eventuele (partiële) verjaring van het ten aanzien van parketnummer 05-235763-21 onder 3 tenlastegelegde het volgende.
Voor de beantwoording van de vraag of de officier van justitie verdachte (nog) kan vervolgen, is van belang welk strafbaar feit ten laste is gelegd. In dit geval is artikel 139f van het Wetboek van Strafrecht tenlastegelegd: gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen. Dit feit wordt bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar (en/of een geldboete van de vierde categorie).
Verjaring – juridisch kader
Op grond van artikel 70, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vervalt door verjaring het recht op strafvervolging kort gezegd na zes jaar voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaar is gesteld.
Op grond van artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht vangt de termijn van verjaring aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. De verjaring kan worden gestuit door een daad van vervolging (artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht).
Conclusie
Op grond van artikel 70 lid 1 jo. 139f van het Wetboek van Strafrecht is een verjaringstermijn van zes jaar van toepassing.De rechtbank is van oordeel dat de verjaringstermijn voor het eerst is gestuit op 20 september 2023 door het betekenen van de dagvaarding. Het recht tot strafvordering is verjaard voor de periode die, terugrekenend vanaf het moment van stuiting, is gelegen méér dan zes jaar terug; derhalve de periode vóór 20 september 2017.
De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ten aanzien van feit 3 voor de periode van 7 oktober 2015 tot en met 19 september 2017. Voor het overige deel van de ten laste gelegde periode is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. Het betreft de periode 20 september 2017 tot en met 4 juli 2020.
Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten is de officier van justitie eveneens ontvankelijk.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
Ten aanzien van de aan verdachte ten laste gelegde ontucht acht de officier van justitie de verklaring van [aangeefster 1] betrouwbaar. De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat haar verklaring voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier. De verklaring van verdachte dient volgens de officier van justitie als ongeloofwaardig terzijde te worden geschoven. Het feit kan derhalve bewezen worden.
Voor zover relevant worden de standpunten van de officier van justitie verder besproken onder 4.3.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten aanzien van parketnummer 05-235763-21 onder 1, 2 en 3 en het ten aanzien van parketnummer 05-310570-21 tenlastegelegde. Hetgeen ten aanzien van parketnummer 05-235763-21 onder 4 en 5 ten laste is gelegd kan volgens de raadsman bewezen worden verklaard.
Ten aanzien van de aan verdachte ten laste gelegde ontucht acht de raadsman de verklaring van [aangeefster 1] onbetrouwbaar. De raadsman stelt zich verder op het standpunt dat haar verklaring onvoldoende steun vindt in het dossier. Er is volgens de raadsman dan ook niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waardoor het feit niet bewezen kan worden.
Voor zover relevant worden de standpunten van de raadsman verder besproken onder 4.3.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 05-235763-21, feit 1 primair en subsidiair – de ontucht
Bewijs in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken (zoals onderhavige zaak) bij de beoordeling van het bewijs zich vaak de situatie voordoet dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de bewuste handelingen. Als verdachte ontkent, is het het woord van de één tegen het woord van de ander. Dat is in deze zaak ook het geval. Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van de aan hem ten laste gelegde ontucht.
De verklaringen van [aangeefster 1]
heeft in een studioverhoor bij de politie en bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Deze verklaringen bevatten geen wezenlijke innerlijke tegenstrijdigheden en komen de rechtbank authentiek voor. De rechtbank acht haar verklaring dan ook in beginsel betrouwbaar. Het misbruik zou volgens haar op verschillende momenten gedurende een periode van vier jaar hebben plaatsgevonden. [aangeefster 1] verklaart dat het misbruik heeft plaatsgevonden tussen haar [leeftijd] levensjaar, de periode waarin zij met haar moeder en broertje bij verdachte in huis woonde. Het gebeurde steeds op momenten dat er niemand bij was. [aangeefster 1] benoemt dat verdachte vaak dezelfde handelingen uitvoerde, en dat het in totaal meer dan 100 keer is gebeurd.
Juridisch kader
Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, kan, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat in zedenzaken niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangever op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband. Over de vraag in hoeverre de door [aangeefster 1] verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen overweegt de rechtbank als volgt.
Ondersteunend bewijs?
In het dossier bevinden zich allereerst de getuigenverklaringen van de moeder van [aangeefster 1] , [aangeefster 2] (aangeefster). [aangeefster 2] heeft onder meer verklaard dat zij “altijd al het gevoel had dat er meer was gebeurd tussen [aangeefster 1] en [verdachte] ” en dat zij “merkte aan haar (de rechtbank begrijpt: [aangeefster 1] ) dat ze stil was”. Deze verklaring biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inhoudelijke of contextuele steun voor de specifiek aan verdachte ten laste gelegde ontuchtige handelingen. De door haar waargenomen gemoedstoestand (het stiller zijn) en het onderbuikgevoel van moeder onderstrepen wel de geloofwaardigheid van [aangeefster 1] , maar zij houden als steunbewijs voor de ten laste gelegde seksuele handelingen onvoldoende verband met de handelingen als zodanig. Dat geldt eveneens voor de getuigenverklaring van [getuige 1] , de zus van moeder. Zij heeft onder meer verklaard dat zij “een verandering in het gedrag van [aangeefster 1] ” opmerkte; “ze werd stiller”. Ook zou [aangeefster 1] haar wel eens hebben verteld dat zij “ [verdachte] bijvoorbeeld moest masseren”.
In het dossier bevindt zich daarnaast de getuigenverklaring van getuige [getuige 2] , het nichtje van [aangeefster 1] . Zij heeft onder meer verklaard dat [aangeefster 1] wel eens tegen haar zou hebben gezegd dat [verdachte] haar wel eens filmpjes liet zien “van mensen die naakt zijn en met elkaar bezig zijn en bloot op elkaar liggen”. De rechtbank acht ook deze verklaring onvoldoende ondersteunend voor de verklaring van [aangeefster 1] , omdat deze niet ziet op de specifieke handelingen die aan verdachte ten laste zijn gelegd. Daarnaast is [aangeefster 1] de bron van deze verklaring. Daarom kan deze getuigenverklaring evenmin worden gezien als ondersteuning feit 1.
Tot slot bevindt zich in het dossier de uitwerking van USB-stick drie. Door de politie zijn de beelden die bestaan uit beeld en geluid onderzocht en geverbaliseerd in een proces-verbaal. Uit het proces-verbaal blijkt onder meer dat verdachte tegen [aangeefster 1] zegt: “je moet een string aantrekken, je deken af doen en je tieten bloot”. De rechtbank is van oordeel dat dit bewijsmiddel evenmin kan dienen als steunbewijs omdat dit bewijs niet ziet op de specifieke ontuchtige handelingen die aan verdachte ten laste zijn gelegd.
Conclusie
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verklaring van [aangeefster 1] onvoldoende steun vindt in de overige in het dossier aanwezige bewijsmiddelen omdat het steunbewijs te weinig specifiek is voor de ten laste gelegde periode en handelingen, waardoor niet is voldaan aan het bewijsminimum. De rechtbank merkt daarbij op dat dit niet betekent dat hetgeen door [aangeefster 1] is verklaard niet gebeurd zou kunnen zijn of dat de verklaring van [aangeefster 1] onbetrouwbaar zou zijn. De rechtbank is echter gebonden aan de regels over het bewijsminimum en zij is van oordeel dat in het dossier onvoldoende wettig bewijs aanwezig is om het ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder feit 1 tenlastegelegde te bewijzen. De rechtbank zal verdachte daar dan ook van vrijspreken.
Bewijsmiddelen
ten aanzien van parketnummer 05-235763-21, feit 2 – de poging tot ontucht
De verklaring van [aangeefster 1] – zakelijk weergegeven – inhoudende:
A: Als ik mijn telefoon kwijt was, omdat deze was ingenomen, vroeg hij of ik mijn telefoon terug wilde, maar dan moest ik opdrachten doen. Hij zei: pak een string van je moeder en trek die aan.
Een proces-verbaal van bevindingen – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Datum en tijd: 2020-06-21 22:08:32
Op het beeld zien wij voorgenoemde beschreven slaapkamer (de rechtbank begrijpt: de slaapkamer van [aangeefster 1] ).
Het gesprek wordt weergegeven met de volgende afkortingen:
J: [aangeefster 1] (vermoedelijk)
A: [verdachte]
A: Dan moet je een sexy string aantrekken, je deken af doen en je tieten bloot.
Datum en tijd: 2020-06-21 22:09:03
J: Alleen tieten.
A: Nee, alles bloot en dan trek je die string aan.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Het klopt dat ik de man ben die op het filmpje te zien en te horen is. [aangeefster 1] ligt in bed en is diegene tegen wie ik praat.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten aanzien van 05-235763-21 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat het een grapje was, niet geloofwaardig gelet op de strekking van het vervolg van het gesprek en schuift deze terzijde.
ten aanzien van parketnummer 05-235763-21, feit 3 – het heimelijk filmen
De aangifte van [aangeefster 2] – zakelijk weergegeven – inhoudende:
V: Wanneer ben je weggegaan bij [verdachte] ?
A: 4 juli 2020. Dit is ook de dag dat ik het SD-kaartje vond en wist dat er stiekem werd gefilmd in huis.
Een proces-verbaal van bevindingen – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Ik heb de inhoud bekeken van de computer welke in beslag is genomen bij de verdachte.
Ik zag diverse afbeeldingen van porno tussen mens en dier staan. Op de afbeeldingen staan twee personen en één hond weergegeven. De personen herken ik als [aangeefster 2] en [verdachte] . Linksbovenin bij de afbeeldingen wordt de datum 2020-05-02 genoemd.
Boven in de opnames staan de datum en verschillende tijdstippen o.a. 2020-05-02/00:06:24-00:08:26.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Het klopt dat ik in mijn woning (de rechtbank begrijpt: [adres] te [plaats] , gemeente Lochem) gefilmd heb met een camera. Ik heb onder meer opnames gemaakt in de slaapkamer van [aangeefster 1] en in de woonkamer. [aangeefster 1] was daar niet van op de hoogte. Dat geldt eveneens voor een derde die ik gefilmd heb tijdens een trio met mij en [aangeefster 2] .
Bewijsoverweging
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem ten aanzien van 05-235763-21 onder 3 tenlastegelegde. De rechtbank gaat daarbij uit van de periode van 2 mei 2020 tot en met 4 juli 2020 in verband met de partiële verjaring van het feit. Het verweer van de raadsman dat aangeefster, [aangeefster 2] er af en toe mee instemde gefilmd te worden, doet niet aan de bewezenverklaring af, omdat een instemming voor incidentele gebeurtenissen geen instemming voor een gehele, doorlopende periode impliceert. Verdachte heeft daarnaast zelf verklaard dat [aangeefster 1] en een derde niet wisten dat zij gefilmd werden en daarmee toegegeven dat het gebeurde dat hij heimelijk filmopnamen maakte. Daarnaast heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij de camera ook gebruikte omdat hij cocaïne-gebruik vermoedde bij aangeefster [aangeefster 2] . Daarmee erkent hij dat hij haar beoogde heimelijk te filmen.
ten aanzien van parketnummer 05-235763-21, feit 4 en 5 – het medeplegen van ontucht met een dier en het maken/in bezit hebben van afbeeldingen daarvan
Verdachte heeft de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 oktober 2023;
een proces-verbaal van bevindingen van 14 juni 2021, pagina 6 en 7.
De rechtbank acht op grond van voorgaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten aanzien van parketnummer 05-235763-21 onder 4 en 5 tenlastegelegde.
ten aanzien van parketnummer 05/310570-21 – de mishandeling
De aangifte van [aangeefster 2] – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Op 3 maart 2021 was ik onderweg met mijn auto. Ik wilde wat spullen bij mijn ex-vriend neerleggen. Mijn ex-vriend is [verdachte] , woonachtig op de [adres] , te [plaats] .
Met dat ik achteruit reed, zag ik dat mijn ex-vriend al bij mijn auto was en trok hij aan mijn kant het portier open. Daarna pakte hij mijn linkerarm stevig vast. Ik voelde gelijk de pijn aan mijn linker bovenarm, omdat mijn ex-vriend in mijn arm kneep. Toen voelde ik ineens pijn in mijn linkerarm, omdat mijn ex-vriend mijn linkerarm nog steeds vast had. Mijn ex-vriend kwam ten val en ik voelde dat hij aan mijn linkerarm trok. Hierdoor voelde ik pijn aan mijn linkerschouder.
Medische verklaring van L.J. van der Zanden, huisarts – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Bovenste extremiteiten: Hematoom linkerbovenarm van handpalmgrootte.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Ik heb het portier van de auto van [aangeefster 2] geopend en ik heb haar vastgepakt.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem ten aanzien van parketnummer 05/310570-21 tenlastegelegde. Verdachte heeft verklaard dat het niet zijn intentie was om aangeefster pijn te doen en dat hij alleen maar met aangeefster wilde praten. Verdachte zou daarom geen opzet hebben gehad op de mishandeling. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte – minst genomen – met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld en overweegt daartoe als volgt. Aangeefster heeft verklaard dat zij doordat verdachte haar vastpakte terwijl zij met de auto achteruit reed, pijn heeft ervaren aan onder meer haar linker- bovenarm en schouder. Uit de medische verklaring blijkt ook dat aangeefster onder meer een blauwe plek ter grootte van een handpalm op haar linker bovenarm had. De rechtbank stelt dan ook vast dat aangeefster door het handelen van verdachte pijn heeft gehad. Verdachte heeft door aangeefster vast te grijpen de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangeefster pijn zou doen. De rechtbank acht eveneens de context waarin het voorval zich heeft afgespeeld relevant voor de vraag of er sprake is geweest van opzet. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat aangeefster boos was en dat zij weg wilde. Door het portier van de auto te openen terwijl aangeefster reeds in de auto zat, heeft verdachte zichzelf in deze situatie gebracht.
5BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
ten aanzien van parketnummer 05-235763-21
2
op 21 juni 2020 te Eefde, gemeente Lochem,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2005,
ontucht te plegen
naar de slaapkamer van die [aangeefster 1] is gegaan en
tegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij een sexy string aan moest trekken, haar deken moest afdoen en haar tieten bloot moest doen (in ruil voor haar telefoon)
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
in de periode van 2 mei 2020 tot en met 4 juli 2020 te [plaats] , gemeente Lochem,
gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt,
(telkens)
opzettelijk en wederrechtelijk
van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] en één of meer anderen
aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats,
te weten de [adres]
een of meer afbeeldingen en films, heeft vervaardigd;
4
op 2 mei 2020 te Eefde, gemeente Lochem,
afbeeldingen heeft vervaardigd en in bezit gehad,
terwijl op die afbeeldingen ontuchtige handelingen zichtbaar zijn waarbij mensen en een dier zijn betrokken, welke ontuchtige handelingen bestonden uit:
- het vaginaal penetreren van een persoon door een dier (te weten een hond) en
- het likken en in de mond nemen van het geslachtsdeel van een dier (te weten een hond) door een persoon en
- het betasten van het geslachtsdeel van een dier (te weten een hond) door meer personen;
5
op 2 mei 2020 te Eefde, gemeente Lochem,
tezamen en in vereniging met een ander,
ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een dier, te weten een hond, welke ontuchtige handelingen bestonden uit
- het betasten van het geslachtsdeel, althans het aftrekken van de hond en
- het (door zijn mededader laten) likken aan het geslachtsdeel en het in de mond nemen van het geslachtsdeel van de hond en
- het (door zijn mededader) vaginaal laten penetreren door de hond;
ten aanzien van parketnummer 05-310570-21
op 3 maart 2021, in Eefde,
[aangeefster 2] heeft mishandeld door:
- haar (met kracht) bij een arm vast te grijpen,
- haar (met kracht) in een arm te knijpen,
- zich (met kracht) aan haar arm vast te houden, terwijl zij met een auto achteruit probeerde te rijden en
- (met kracht) aan haar arm te trekken.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 2:
poging tot ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;
ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 3:
gebruik maken van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen, meermalen gepleegd;
ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 4:
een afbeelding van een ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken, vervaardigen en in bezit hebben;
ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 5:
medeplegen van ontuchtige handelingen plegen met een dier;
ten aanzien van parketnummer 05/310570-21:
mishandeling.
7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8OPLEGGING VAN STRAF
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als (bijzondere) voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, het vermijden van contact met minderjarigen en een contactverbod voor [aangeefster 1] en [aangeefster 2] en een locatieverbod voor de straat waar zij wonen.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verdachte heeft zijn eigen bedrijf als monteur en lasser. Momenteel heeft verdachte een groot project lopen, waarbij hij eveneens 5 leerlingmonteurs in opleiding heeft. Als aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, heeft dat aldus niet alleen een grote impact op verdachte zelf, maar heeft dat ook grote gevolgen voor zijn huidige opdrachtgever en zijn leerlingmonteurs. De raadsman heeft voorts verzocht rekening te houden met de inhoud van de reclasseringsrapporten en het feit dat verdachte geen relevante documentatie heeft. Bovendien heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met het tijdsverloop, nu de feiten zich meer dan drie jaar geleden hebben voorgedaan.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot het plegen van ontucht met [aangeefster 1] , een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het heimelijk filmen van [aangeefster 1] , haar moeder en een derde, in zijn woning, waar [aangeefster 1] en haar moeder op dat moment verbleven. Verdachte heeft onder meer een camera geplaatst in de slaapkamer van [aangeefster 1] en heeft daar beelden/filmpjes van haar gemaakt. Verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit en seksuele ontwikkeling van [aangeefster 1] beschadigd. Minderjarigen dienen zich op een veilige manier te ontwikkelen, ook op seksueel gebied. Verdachte heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen lustgevoelens. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan het vervaardigen en in bezit hebben van dierenporno, het medeplegen van ontuchtige handelingen met een dier en aan mishandeling van [aangeefster 2] , de ex-partner van verdachte.
De persoon van verdachte
Uit een uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte van 13 oktober 2023 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Dit weegt de rechtbank niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een advies van Reclassering Nederland van 4 februari 2022, uitgebracht door [A] , reclasseringswerker en een aanvulling daarop van 20 juli 2023, eveneens uitgebracht door [A] . Hieruit volgt – zakelijk weergegeven – dat de reclassering geen criminogene factoren heeft vastgesteld die gelinkt kunnen worden aan het delictgedrag van verdachte. De reclassering relateert echter verder dat verdachte terughoudend was in het beantwoorden van vragen van de rapporteur. De reclassering kan daarom het risico op recidive niet inschatten. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, het vermijden van contact met minderjarigen en een houdverbod voor dieren.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft kennisgenomen van straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Hieruit volgt dat de feiten waar verdachte voor wordt veroordeeld op zichzelf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Gelet op de ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf er rekening mee dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 16 januari 2018, 23 januari 2018 en 7 december 2020 is veroordeeld tot geldboetes en een werkstraf. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.
De rechtbank zal het advies van de reclassering deels volgen, in die zin dat de rechtbank een deels voorwaardelijke straf noodzakelijk acht om te voorkomen dat verdachte opnieuw in de fout gaat. De rechtbank acht de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden echter niet aangewezen, mede gezien het feit dat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van feit 1.
Gelet op het feit dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van minder feiten dan de officier van justitie, wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.
De rechtbank zal daarnaast een contactverbod opleggen ten aanzien van de slachtoffers [aangeefster 1] en [aangeefster 2] en een locatieverbod voor de [straat] ( [postcode] ) te [plaats] .
9BESLAG
9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder verdachte in beslag genomen computer dient te worden onttrokken aan het verkeer omdat er dierenporno op staat.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de computer terug te geven aan verdachte omdat zijn financiële administratie daarop staat.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten de computer, onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Met betrekking tot dit voorwerp is bovendien het ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 4 bewezen verklaarde feit begaan.
10BENADEELDE PARTIJEN
[aangeefster 1]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 6.500,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte ten aanzien van parketnummer 05-235763-21 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
10.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
10.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich – gelet op de bepleite vrijspraken – op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.
10.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt voorop dat algemene ervaringsregels leren dat feiten als dezen langdurige en verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de (seksuele) ontwikkeling van het slachtoffer en is, mede gelet op de slachtofferverklaring van [aangeefster 1] , ook van oordeel dat voldoende onderbouwd is dat zij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten schade heeft geleden. Echter zal de rechtbank, gelet op het feit dat de rechtbank minder feiten bewezen verklaart dan de officier van justitie, de schade schatten op basis van de schade die enkel door de bewezen verklaarde feiten is veroorzaakt. De rechtbank begroot het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade naar billijkheid op € 2.000,00.
De rechtbank zal de vordering voor een totaalbedrag van € 2.000,00 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2021 tot de dag van volledige betaling.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangeefster 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster 1] in mindering gebracht. Dat geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
[aangeefster 2]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 700,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten aanzien van parketnummer 05-310570-21 ten laste gelegde feit.
10.4
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
10.5
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich – gelet op de bepleite vrijspraak – op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.
10.6
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Echter kan de rechtbank niet vaststellen dat de schade die de benadeelde partij heeft gevorderd geheel te wijten is aan de door verdachte gepleegde mishandeling. De rechtbank is acht de vordering daarom slechts deels toewijsbaar. De rechtbank begroot het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade naar billijkheid op € 300,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 3 maart 2021 tot de dag van volledige betaling.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangeefster 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 3 maart 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 6 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 60a, 63, 139f, 249, 254, 254a en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
12BESLISSING
De rechtbank:
Ontvankelijkheid officier van justitie
- verklaart de officier van justitie partieel niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien het onder 3 tenlastegelegde van parketnummer 05/235763-21;
Vrijspraak
- verklaart het ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart het ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 2 primair, 3, 4 en 5 en het ten aanzien van parketnummer 05/310570-21 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van vier maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;
- als algemene voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , en [aangeefster 2] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ;
* zich niet zal bevinden op of in de directe omgeving van [straat] , [postcode] te [plaats] , gemeente Lochem;
de politie houdt toezicht op de naleving van dit contact- en locatieverbod;
Beslag
- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:
1 STK Computer (Omschrijving: G2551278);
Benadeelde partijen
wijst de vordering van [aangeefster 1] toe tot een bedrag van € 2.000,00;
veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangeefster 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2021 tot de dag van volledige betaling;
verklaart [aangeefster 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 1] aan de Staat € 2.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 30 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
wijst de vordering van [aangeefster 2] toe tot een bedrag van € 300,00;
veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangeefster 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2021 tot de dag van volledige betaling;
verklaart [aangeefster 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 2] aan de Staat € 300,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 6 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Schnitzler, voorzitter, mrs. M.S. Koppert en A.E. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Opsteyn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 november 2023.
Mr. Van der Wal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
ten aanzien van parketnummer 05-235763-21
1hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2016 tot enmet 4 juli 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,ontucht heeft gepleegdmet zijn minderjarig stiefkind, althans de aan zijn zorg en/of waakzaamheidtoevertrouwde minderjarige [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2005,door(telkens)te likken aan/in de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of aan de borsten vandie [aangeefster 1] en/ofde vagina en/of billen en/of borsten en/of benen en/of rug van die [aangeefster 1] tebetasten/masseren en/ofzijn penis tegen/in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangeefster 1] tebrengen en/ofmet zijn (blote) penis (over de kleding) langs de vagina en/of het lichaam van die[aangeefster 1] te wrijven/schuren en/ofzijn, verdachtes, penis te laten betasten door die [aangeefster 1] ;
( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2016 tot enmet 4 juli 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,met [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die toen de leeftijd van zestien jarennog niet had bereikt,buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te wetenhet likken aan/in de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of aan de borsten vandie [aangeefster 1] en/ofde vagina en/of billen en/of borsten en/of benen en/of rug van die [aangeefster 1]betasten/masseren en/ofzijn penis tegen/in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangeefster 1] heeftgebracht en/of gehouden en/ofmet zijn (blote) penis (over de kleding) langs de vagina en/of het lichaam van die[aangeefster 1] heeft gewreven/geschuurd en/ofzijn, verdachtes, penis laten betasten door die [aangeefster 1] ;
( art 247 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 21 juni 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf ommet zijn minderjarig stiefkind, althans de aan zijn zorg en/of waakzaamheidtoevertrouwde minderjarige [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2005,ontucht te plegennaar de slaapkamer van die [aangeefster 1] is gegaan en/oftegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij een sexy string aan moest trekken, haar dekenmoest afdoen en haar tieten bloot moest doen (in ruil voor haar telefoon)terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 juni 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf ommet [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die toen de leeftijd van zestien jarennog niet had bereikt,buiten echt,ontucht te plegennaar de slaapkamer van die [aangeefster 1] is gegaan en/oftegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij een sexy string aan moest trekken, haar dekenmoest afdoen en haar tieten bloot moest doen (in ruil voor haar telefoon)terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 247 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 juni 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,een ander, te weten [aangeefster 1] (geboren op [geboortedatum] 2005)door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enigeandere feitelijkheid gericht tegen die ander,wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te wetenzich uit te kleden/van haar kleding te ontdoen,door naar de slaapkamer van die [aangeefster 1] te gaan en/of tegen die [aangeefster 1] te zeggen datzij een sexy string aan moest trekken, haar deken moest afdoen en haar tieten blootmoest doen (in ruil voor haar telefoon);
( art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
3hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2015 tot enmet 4 juli 2020 te [plaats] , gemeente Lochem, althans in Nederland,gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet opduidelijke wijze kenbaar was gemaakt,(telkens)opzettelijk enwederrechtelijkvan [aangeefster 2] en/of [aangeefster 1] en/of één of meer anderenaanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats,te weten de [adres]een of meer abeelding(en) en/of films, heeft vervaardigd;
( art 139f Wetboek van Strafrecht )
4hij op of omstreeks 2 mei 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,(een) afbeelding(en) heeft vervaardigd en/of in bezit gehad,terwijl op die afbeelding(en) ontuchtige handelingen zichtbaar zijn waarbij (een)mens(en) en/of een dier is/zijn betrokken, welke ontuchtige handelingenbestonden uit:- het vaginaal penetreren van een persoon door een dier (te weten een hond) en/of- het likken en/of in de mond nemen van het geslachtsdeel van een dier (te weteneen hond) door een persoon en/of- het betasten van het geslachtsdeel van een dier (te weten een hond) door een ofmeer personen;
( art 254a lid 1 Wetboek van Strafrecht )
5hij op of omstreeks 2 mei 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een dier, te weten een hond,welke ontuchtige handelingen bestonden uit- het betasten van het geslachtsdeel, althans het aftrekken van de hond en/of- het (door zijn mededader laten) likken aan het geslachtsdeel en/of het in de mondnemen van het geslachtsdeel van de hond en/of- het (door zijn mededader) vaginaal laten penetreren door de hond;
( art 254 Wetboek van Strafrecht )
ten aanzien van parketnummer 05-310570-21
hij op of omstreeks 3 maart 2021, in Eefde althans in Nederland,[aangeefster 2] heeft mishandeld door:- haar (met kracht) bij een arm vast te grijpen,- haar (met kracht) in een arm te knijpen,- zich (met kracht) aan haar arm vast te houden, terwijl zij met een auto achteruitprobeerde te rijden en/of te vluchten en/of- (met kracht) aan haar arm te trekken;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 3 augustus 2021 en 13 april 2021, genummerd PL0600-2021161932, opgemaakt door politie Oost-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 81 en PL0600-2021115835, opgemaakt door politie Oost-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 49. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Proces-verbaal van verhoor getuige [aangeefster 1] van 12 mei 2021, pagina 25.
Proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2021, pagina 62.
Idem, pagina 64.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 oktober 2023.
Proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 2] van 18 mei 2021, pagina 16.
Proces-verbaal van bevindingen van 16 juli 2021, pagina 74.
Proces-verbaal van bevindingen van 14 juni 2021, pagina 7.
Proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 2] van 17 maart 2021, pagina 3.
Medische verklaring van 3 maart 2021, pagina 8.
Medische verklaring van 3 maart 2021, pagina 8.
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 05/235763-21; 05/310570-21 (gev. ttz) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 8 november 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [plaats] , hierna: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 oktober 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T.M. van Wanrooij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. S.A.S. Jansen, advocaat te Apeldoorn, alsmede de benadeelde partijen [aangeefster 1] (roepnaam en hierna tevens genoemd: [aangeefster 1] ) en [aangeefster 2] en mr. N. Wijkman, namens de benadeelde partijen, naar voren hebben gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
ten aanzien van parketnummer 05-235763-21
feit 1, primair
op één of meer tijdstippen in de periode van 7 oktober 2016 tot en met 4 juli 2020 te Eefde, gemeente Lochem, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige stiefdochter/de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [aangeefster 1] ;
subsidiair is dit tenlastegelegd als buiten echt ontucht plegen met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren;
feit 2, primair
op 21 juni 2020 te Eefde, gemeente Lochem, heeft geprobeerd om ontucht te plegen met zijn minderjarige stiefdochter/de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [aangeefster 1] ;
subsidiair is dit tenlastegelegd als poging tot buiten echt ontucht plegen met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren;
meer subsidiair is dit tenlastegelegd als dwang;
feit 3
op één of meer tijdstippen in de periode van 7 oktober 2015 tot en met 4 juli 2020 te Eefde, gemeente Lochem, heimelijk met een camera, in een woning, een of meer afbeeldingen en/of films heeft vervaardigd van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] en één of meer anderen;
feit 4
op 2 mei 2020 te Eefde, gemeente Lochem, afbeeldingen heeft vervaardigd en/of in bezit heeft gehad waarop ontuchtige handelingen zichtbaar zijn waarbij mensen en een dier zijn betrokken;
feit 5
op 2 mei 2020 te Eefde, gemeente Lochem, samen met een ander, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een dier;
ten aanzien van parketnummer 05-310570-21
op 3 maart 2021 te Eefde [aangeefster 2] heeft mishandeld.
3VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
Over de vraag of de officier van justitie ontvankelijk is, overweegt de rechtbank in het kader van een eventuele (partiële) verjaring van het ten aanzien van parketnummer 05-235763-21 onder 3 tenlastegelegde het volgende.
Voor de beantwoording van de vraag of de officier van justitie verdachte (nog) kan vervolgen, is van belang welk strafbaar feit ten laste is gelegd. In dit geval is artikel 139f van het Wetboek van Strafrecht tenlastegelegd: gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen. Dit feit wordt bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar (en/of een geldboete van de vierde categorie).
Verjaring – juridisch kader
Op grond van artikel 70, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vervalt door verjaring het recht op strafvervolging kort gezegd na zes jaar voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaar is gesteld.
Op grond van artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht vangt de termijn van verjaring aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. De verjaring kan worden gestuit door een daad van vervolging (artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht).
Conclusie
Op grond van artikel 70 lid 1 jo. 139f van het Wetboek van Strafrecht is een verjaringstermijn van zes jaar van toepassing.De rechtbank is van oordeel dat de verjaringstermijn voor het eerst is gestuit op 20 september 2023 door het betekenen van de dagvaarding. Het recht tot strafvordering is verjaard voor de periode die, terugrekenend vanaf het moment van stuiting, is gelegen méér dan zes jaar terug; derhalve de periode vóór 20 september 2017.
De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ten aanzien van feit 3 voor de periode van 7 oktober 2015 tot en met 19 september 2017. Voor het overige deel van de ten laste gelegde periode is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. Het betreft de periode 20 september 2017 tot en met 4 juli 2020.
Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten is de officier van justitie eveneens ontvankelijk.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
Ten aanzien van de aan verdachte ten laste gelegde ontucht acht de officier van justitie de verklaring van [aangeefster 1] betrouwbaar. De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat haar verklaring voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier. De verklaring van verdachte dient volgens de officier van justitie als ongeloofwaardig terzijde te worden geschoven. Het feit kan derhalve bewezen worden.
Voor zover relevant worden de standpunten van de officier van justitie verder besproken onder 4.3.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten aanzien van parketnummer 05-235763-21 onder 1, 2 en 3 en het ten aanzien van parketnummer 05-310570-21 tenlastegelegde. Hetgeen ten aanzien van parketnummer 05-235763-21 onder 4 en 5 ten laste is gelegd kan volgens de raadsman bewezen worden verklaard.
Ten aanzien van de aan verdachte ten laste gelegde ontucht acht de raadsman de verklaring van [aangeefster 1] onbetrouwbaar. De raadsman stelt zich verder op het standpunt dat haar verklaring onvoldoende steun vindt in het dossier. Er is volgens de raadsman dan ook niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waardoor het feit niet bewezen kan worden.
Voor zover relevant worden de standpunten van de raadsman verder besproken onder 4.3.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 05-235763-21, feit 1 primair en subsidiair – de ontucht
Bewijs in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken (zoals onderhavige zaak) bij de beoordeling van het bewijs zich vaak de situatie voordoet dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de bewuste handelingen. Als verdachte ontkent, is het het woord van de één tegen het woord van de ander. Dat is in deze zaak ook het geval. Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van de aan hem ten laste gelegde ontucht.
De verklaringen van [aangeefster 1]
heeft in een studioverhoor bij de politie en bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Deze verklaringen bevatten geen wezenlijke innerlijke tegenstrijdigheden en komen de rechtbank authentiek voor. De rechtbank acht haar verklaring dan ook in beginsel betrouwbaar. Het misbruik zou volgens haar op verschillende momenten gedurende een periode van vier jaar hebben plaatsgevonden. [aangeefster 1] verklaart dat het misbruik heeft plaatsgevonden tussen haar [leeftijd] levensjaar, de periode waarin zij met haar moeder en broertje bij verdachte in huis woonde. Het gebeurde steeds op momenten dat er niemand bij was. [aangeefster 1] benoemt dat verdachte vaak dezelfde handelingen uitvoerde, en dat het in totaal meer dan 100 keer is gebeurd.
Juridisch kader
Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, kan, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat in zedenzaken niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangever op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband. Over de vraag in hoeverre de door [aangeefster 1] verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen overweegt de rechtbank als volgt.
Ondersteunend bewijs?
In het dossier bevinden zich allereerst de getuigenverklaringen van de moeder van [aangeefster 1] , [aangeefster 2] (aangeefster). [aangeefster 2] heeft onder meer verklaard dat zij “altijd al het gevoel had dat er meer was gebeurd tussen [aangeefster 1] en [verdachte] ” en dat zij “merkte aan haar (de rechtbank begrijpt: [aangeefster 1] ) dat ze stil was”. Deze verklaring biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inhoudelijke of contextuele steun voor de specifiek aan verdachte ten laste gelegde ontuchtige handelingen. De door haar waargenomen gemoedstoestand (het stiller zijn) en het onderbuikgevoel van moeder onderstrepen wel de geloofwaardigheid van [aangeefster 1] , maar zij houden als steunbewijs voor de ten laste gelegde seksuele handelingen onvoldoende verband met de handelingen als zodanig. Dat geldt eveneens voor de getuigenverklaring van [getuige 1] , de zus van moeder. Zij heeft onder meer verklaard dat zij “een verandering in het gedrag van [aangeefster 1] ” opmerkte; “ze werd stiller”. Ook zou [aangeefster 1] haar wel eens hebben verteld dat zij “ [verdachte] bijvoorbeeld moest masseren”.
In het dossier bevindt zich daarnaast de getuigenverklaring van getuige [getuige 2] , het nichtje van [aangeefster 1] . Zij heeft onder meer verklaard dat [aangeefster 1] wel eens tegen haar zou hebben gezegd dat [verdachte] haar wel eens filmpjes liet zien “van mensen die naakt zijn en met elkaar bezig zijn en bloot op elkaar liggen”. De rechtbank acht ook deze verklaring onvoldoende ondersteunend voor de verklaring van [aangeefster 1] , omdat deze niet ziet op de specifieke handelingen die aan verdachte ten laste zijn gelegd. Daarnaast is [aangeefster 1] de bron van deze verklaring. Daarom kan deze getuigenverklaring evenmin worden gezien als ondersteuning feit 1.
Tot slot bevindt zich in het dossier de uitwerking van USB-stick drie. Door de politie zijn de beelden die bestaan uit beeld en geluid onderzocht en geverbaliseerd in een proces-verbaal. Uit het proces-verbaal blijkt onder meer dat verdachte tegen [aangeefster 1] zegt: “je moet een string aantrekken, je deken af doen en je tieten bloot”. De rechtbank is van oordeel dat dit bewijsmiddel evenmin kan dienen als steunbewijs omdat dit bewijs niet ziet op de specifieke ontuchtige handelingen die aan verdachte ten laste zijn gelegd.
Conclusie
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verklaring van [aangeefster 1] onvoldoende steun vindt in de overige in het dossier aanwezige bewijsmiddelen omdat het steunbewijs te weinig specifiek is voor de ten laste gelegde periode en handelingen, waardoor niet is voldaan aan het bewijsminimum. De rechtbank merkt daarbij op dat dit niet betekent dat hetgeen door [aangeefster 1] is verklaard niet gebeurd zou kunnen zijn of dat de verklaring van [aangeefster 1] onbetrouwbaar zou zijn. De rechtbank is echter gebonden aan de regels over het bewijsminimum en zij is van oordeel dat in het dossier onvoldoende wettig bewijs aanwezig is om het ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder feit 1 tenlastegelegde te bewijzen. De rechtbank zal verdachte daar dan ook van vrijspreken.
Bewijsmiddelen
ten aanzien van parketnummer 05-235763-21, feit 2 – de poging tot ontucht
De verklaring van [aangeefster 1] – zakelijk weergegeven – inhoudende:
A: Als ik mijn telefoon kwijt was, omdat deze was ingenomen, vroeg hij of ik mijn telefoon terug wilde, maar dan moest ik opdrachten doen. Hij zei: pak een string van je moeder en trek die aan.
Een proces-verbaal van bevindingen – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Datum en tijd: 2020-06-21 22:08:32
Op het beeld zien wij voorgenoemde beschreven slaapkamer (de rechtbank begrijpt: de slaapkamer van [aangeefster 1] ).
Het gesprek wordt weergegeven met de volgende afkortingen:
J: [aangeefster 1] (vermoedelijk)
A: [verdachte]
A: Dan moet je een sexy string aantrekken, je deken af doen en je tieten bloot.
Datum en tijd: 2020-06-21 22:09:03
J: Alleen tieten.
A: Nee, alles bloot en dan trek je die string aan.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Het klopt dat ik de man ben die op het filmpje te zien en te horen is. [aangeefster 1] ligt in bed en is diegene tegen wie ik praat.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten aanzien van 05-235763-21 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat het een grapje was, niet geloofwaardig gelet op de strekking van het vervolg van het gesprek en schuift deze terzijde.
ten aanzien van parketnummer 05-235763-21, feit 3 – het heimelijk filmen
De aangifte van [aangeefster 2] – zakelijk weergegeven – inhoudende:
V: Wanneer ben je weggegaan bij [verdachte] ?
A: 4 juli 2020. Dit is ook de dag dat ik het SD-kaartje vond en wist dat er stiekem werd gefilmd in huis.
Een proces-verbaal van bevindingen – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Ik heb de inhoud bekeken van de computer welke in beslag is genomen bij de verdachte.
Ik zag diverse afbeeldingen van porno tussen mens en dier staan. Op de afbeeldingen staan twee personen en één hond weergegeven. De personen herken ik als [aangeefster 2] en [verdachte] . Linksbovenin bij de afbeeldingen wordt de datum 2020-05-02 genoemd.
Boven in de opnames staan de datum en verschillende tijdstippen o.a. 2020-05-02/00:06:24-00:08:26.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Het klopt dat ik in mijn woning (de rechtbank begrijpt: [adres] te [plaats] , gemeente Lochem) gefilmd heb met een camera. Ik heb onder meer opnames gemaakt in de slaapkamer van [aangeefster 1] en in de woonkamer. [aangeefster 1] was daar niet van op de hoogte. Dat geldt eveneens voor een derde die ik gefilmd heb tijdens een trio met mij en [aangeefster 2] .
Bewijsoverweging
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem ten aanzien van 05-235763-21 onder 3 tenlastegelegde. De rechtbank gaat daarbij uit van de periode van 2 mei 2020 tot en met 4 juli 2020 in verband met de partiële verjaring van het feit. Het verweer van de raadsman dat aangeefster, [aangeefster 2] er af en toe mee instemde gefilmd te worden, doet niet aan de bewezenverklaring af, omdat een instemming voor incidentele gebeurtenissen geen instemming voor een gehele, doorlopende periode impliceert. Verdachte heeft daarnaast zelf verklaard dat [aangeefster 1] en een derde niet wisten dat zij gefilmd werden en daarmee toegegeven dat het gebeurde dat hij heimelijk filmopnamen maakte. Daarnaast heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij de camera ook gebruikte omdat hij cocaïne-gebruik vermoedde bij aangeefster [aangeefster 2] . Daarmee erkent hij dat hij haar beoogde heimelijk te filmen.
ten aanzien van parketnummer 05-235763-21, feit 4 en 5 – het medeplegen van ontucht met een dier en het maken/in bezit hebben van afbeeldingen daarvan
Verdachte heeft de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 oktober 2023;
een proces-verbaal van bevindingen van 14 juni 2021, pagina 6 en 7.
De rechtbank acht op grond van voorgaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten aanzien van parketnummer 05-235763-21 onder 4 en 5 tenlastegelegde.
ten aanzien van parketnummer 05/310570-21 – de mishandeling
De aangifte van [aangeefster 2] – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Op 3 maart 2021 was ik onderweg met mijn auto. Ik wilde wat spullen bij mijn ex-vriend neerleggen. Mijn ex-vriend is [verdachte] , woonachtig op de [adres] , te [plaats] .
Met dat ik achteruit reed, zag ik dat mijn ex-vriend al bij mijn auto was en trok hij aan mijn kant het portier open. Daarna pakte hij mijn linkerarm stevig vast. Ik voelde gelijk de pijn aan mijn linker bovenarm, omdat mijn ex-vriend in mijn arm kneep. Toen voelde ik ineens pijn in mijn linkerarm, omdat mijn ex-vriend mijn linkerarm nog steeds vast had. Mijn ex-vriend kwam ten val en ik voelde dat hij aan mijn linkerarm trok. Hierdoor voelde ik pijn aan mijn linkerschouder.
Medische verklaring van L.J. van der Zanden, huisarts – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Bovenste extremiteiten: Hematoom linkerbovenarm van handpalmgrootte.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Ik heb het portier van de auto van [aangeefster 2] geopend en ik heb haar vastgepakt.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem ten aanzien van parketnummer 05/310570-21 tenlastegelegde. Verdachte heeft verklaard dat het niet zijn intentie was om aangeefster pijn te doen en dat hij alleen maar met aangeefster wilde praten. Verdachte zou daarom geen opzet hebben gehad op de mishandeling. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte – minst genomen – met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld en overweegt daartoe als volgt. Aangeefster heeft verklaard dat zij doordat verdachte haar vastpakte terwijl zij met de auto achteruit reed, pijn heeft ervaren aan onder meer haar linker- bovenarm en schouder. Uit de medische verklaring blijkt ook dat aangeefster onder meer een blauwe plek ter grootte van een handpalm op haar linker bovenarm had. De rechtbank stelt dan ook vast dat aangeefster door het handelen van verdachte pijn heeft gehad. Verdachte heeft door aangeefster vast te grijpen de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangeefster pijn zou doen. De rechtbank acht eveneens de context waarin het voorval zich heeft afgespeeld relevant voor de vraag of er sprake is geweest van opzet. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat aangeefster boos was en dat zij weg wilde. Door het portier van de auto te openen terwijl aangeefster reeds in de auto zat, heeft verdachte zichzelf in deze situatie gebracht.
5BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
ten aanzien van parketnummer 05-235763-21
2
op 21 juni 2020 te Eefde, gemeente Lochem,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2005,
ontucht te plegen
naar de slaapkamer van die [aangeefster 1] is gegaan en
tegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij een sexy string aan moest trekken, haar deken moest afdoen en haar tieten bloot moest doen (in ruil voor haar telefoon)
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
in de periode van 2 mei 2020 tot en met 4 juli 2020 te [plaats] , gemeente Lochem,
gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt,
(telkens)
opzettelijk en wederrechtelijk
van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] en één of meer anderen
aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats,
te weten de [adres]
een of meer afbeeldingen en films, heeft vervaardigd;
4
op 2 mei 2020 te Eefde, gemeente Lochem,
afbeeldingen heeft vervaardigd en in bezit gehad,
terwijl op die afbeeldingen ontuchtige handelingen zichtbaar zijn waarbij mensen en een dier zijn betrokken, welke ontuchtige handelingen bestonden uit:
- het vaginaal penetreren van een persoon door een dier (te weten een hond) en
- het likken en in de mond nemen van het geslachtsdeel van een dier (te weten een hond) door een persoon en
- het betasten van het geslachtsdeel van een dier (te weten een hond) door meer personen;
5
op 2 mei 2020 te Eefde, gemeente Lochem,
tezamen en in vereniging met een ander,
ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een dier, te weten een hond, welke ontuchtige handelingen bestonden uit
- het betasten van het geslachtsdeel, althans het aftrekken van de hond en
- het (door zijn mededader laten) likken aan het geslachtsdeel en het in de mond nemen van het geslachtsdeel van de hond en
- het (door zijn mededader) vaginaal laten penetreren door de hond;
ten aanzien van parketnummer 05-310570-21
op 3 maart 2021, in Eefde,
[aangeefster 2] heeft mishandeld door:
- haar (met kracht) bij een arm vast te grijpen,
- haar (met kracht) in een arm te knijpen,
- zich (met kracht) aan haar arm vast te houden, terwijl zij met een auto achteruit probeerde te rijden en
- (met kracht) aan haar arm te trekken.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 2:
poging tot ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;
ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 3:
gebruik maken van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen, meermalen gepleegd;
ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 4:
een afbeelding van een ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken, vervaardigen en in bezit hebben;
ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 5:
medeplegen van ontuchtige handelingen plegen met een dier;
ten aanzien van parketnummer 05/310570-21:
mishandeling.
7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8OPLEGGING VAN STRAF
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als (bijzondere) voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, het vermijden van contact met minderjarigen en een contactverbod voor [aangeefster 1] en [aangeefster 2] en een locatieverbod voor de straat waar zij wonen.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verdachte heeft zijn eigen bedrijf als monteur en lasser. Momenteel heeft verdachte een groot project lopen, waarbij hij eveneens 5 leerlingmonteurs in opleiding heeft. Als aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, heeft dat aldus niet alleen een grote impact op verdachte zelf, maar heeft dat ook grote gevolgen voor zijn huidige opdrachtgever en zijn leerlingmonteurs. De raadsman heeft voorts verzocht rekening te houden met de inhoud van de reclasseringsrapporten en het feit dat verdachte geen relevante documentatie heeft. Bovendien heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met het tijdsverloop, nu de feiten zich meer dan drie jaar geleden hebben voorgedaan.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot het plegen van ontucht met [aangeefster 1] , een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het heimelijk filmen van [aangeefster 1] , haar moeder en een derde, in zijn woning, waar [aangeefster 1] en haar moeder op dat moment verbleven. Verdachte heeft onder meer een camera geplaatst in de slaapkamer van [aangeefster 1] en heeft daar beelden/filmpjes van haar gemaakt. Verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit en seksuele ontwikkeling van [aangeefster 1] beschadigd. Minderjarigen dienen zich op een veilige manier te ontwikkelen, ook op seksueel gebied. Verdachte heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen lustgevoelens. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan het vervaardigen en in bezit hebben van dierenporno, het medeplegen van ontuchtige handelingen met een dier en aan mishandeling van [aangeefster 2] , de ex-partner van verdachte.
De persoon van verdachte
Uit een uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte van 13 oktober 2023 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Dit weegt de rechtbank niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een advies van Reclassering Nederland van 4 februari 2022, uitgebracht door [A] , reclasseringswerker en een aanvulling daarop van 20 juli 2023, eveneens uitgebracht door [A] . Hieruit volgt – zakelijk weergegeven – dat de reclassering geen criminogene factoren heeft vastgesteld die gelinkt kunnen worden aan het delictgedrag van verdachte. De reclassering relateert echter verder dat verdachte terughoudend was in het beantwoorden van vragen van de rapporteur. De reclassering kan daarom het risico op recidive niet inschatten. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, het vermijden van contact met minderjarigen en een houdverbod voor dieren.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft kennisgenomen van straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Hieruit volgt dat de feiten waar verdachte voor wordt veroordeeld op zichzelf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Gelet op de ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf er rekening mee dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 16 januari 2018, 23 januari 2018 en 7 december 2020 is veroordeeld tot geldboetes en een werkstraf. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.
De rechtbank zal het advies van de reclassering deels volgen, in die zin dat de rechtbank een deels voorwaardelijke straf noodzakelijk acht om te voorkomen dat verdachte opnieuw in de fout gaat. De rechtbank acht de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden echter niet aangewezen, mede gezien het feit dat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van feit 1.
Gelet op het feit dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van minder feiten dan de officier van justitie, wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.
De rechtbank zal daarnaast een contactverbod opleggen ten aanzien van de slachtoffers [aangeefster 1] en [aangeefster 2] en een locatieverbod voor de [straat] ( [postcode] ) te [plaats] .
9BESLAG
9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder verdachte in beslag genomen computer dient te worden onttrokken aan het verkeer omdat er dierenporno op staat.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de computer terug te geven aan verdachte omdat zijn financiële administratie daarop staat.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten de computer, onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Met betrekking tot dit voorwerp is bovendien het ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 4 bewezen verklaarde feit begaan.
10BENADEELDE PARTIJEN
[aangeefster 1]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 6.500,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte ten aanzien van parketnummer 05-235763-21 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
10.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
10.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich – gelet op de bepleite vrijspraken – op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.
10.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt voorop dat algemene ervaringsregels leren dat feiten als dezen langdurige en verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de (seksuele) ontwikkeling van het slachtoffer en is, mede gelet op de slachtofferverklaring van [aangeefster 1] , ook van oordeel dat voldoende onderbouwd is dat zij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten schade heeft geleden. Echter zal de rechtbank, gelet op het feit dat de rechtbank minder feiten bewezen verklaart dan de officier van justitie, de schade schatten op basis van de schade die enkel door de bewezen verklaarde feiten is veroorzaakt. De rechtbank begroot het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade naar billijkheid op € 2.000,00.
De rechtbank zal de vordering voor een totaalbedrag van € 2.000,00 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2021 tot de dag van volledige betaling.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangeefster 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster 1] in mindering gebracht. Dat geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
[aangeefster 2]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 700,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten aanzien van parketnummer 05-310570-21 ten laste gelegde feit.
10.4
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
10.5
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich – gelet op de bepleite vrijspraak – op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.
10.6
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Echter kan de rechtbank niet vaststellen dat de schade die de benadeelde partij heeft gevorderd geheel te wijten is aan de door verdachte gepleegde mishandeling. De rechtbank is acht de vordering daarom slechts deels toewijsbaar. De rechtbank begroot het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade naar billijkheid op € 300,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 3 maart 2021 tot de dag van volledige betaling.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangeefster 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 3 maart 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 6 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 60a, 63, 139f, 249, 254, 254a en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
12BESLISSING
De rechtbank:
Ontvankelijkheid officier van justitie
- verklaart de officier van justitie partieel niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien het onder 3 tenlastegelegde van parketnummer 05/235763-21;
Vrijspraak
- verklaart het ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart het ten aanzien van parketnummer 05/235763-21 onder 2 primair, 3, 4 en 5 en het ten aanzien van parketnummer 05/310570-21 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van vier maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;
- als algemene voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , en [aangeefster 2] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ;
* zich niet zal bevinden op of in de directe omgeving van [straat] , [postcode] te [plaats] , gemeente Lochem;
de politie houdt toezicht op de naleving van dit contact- en locatieverbod;
Beslag
- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:
1 STK Computer (Omschrijving: G2551278);
Benadeelde partijen
wijst de vordering van [aangeefster 1] toe tot een bedrag van € 2.000,00;
veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangeefster 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2021 tot de dag van volledige betaling;
verklaart [aangeefster 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 1] aan de Staat € 2.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 30 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
wijst de vordering van [aangeefster 2] toe tot een bedrag van € 300,00;
veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangeefster 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2021 tot de dag van volledige betaling;
verklaart [aangeefster 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 2] aan de Staat € 300,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 6 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Schnitzler, voorzitter, mrs. M.S. Koppert en A.E. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Opsteyn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 november 2023.
Mr. Van der Wal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
ten aanzien van parketnummer 05-235763-21
1hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2016 tot enmet 4 juli 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,ontucht heeft gepleegdmet zijn minderjarig stiefkind, althans de aan zijn zorg en/of waakzaamheidtoevertrouwde minderjarige [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2005,door(telkens)te likken aan/in de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of aan de borsten vandie [aangeefster 1] en/ofde vagina en/of billen en/of borsten en/of benen en/of rug van die [aangeefster 1] tebetasten/masseren en/ofzijn penis tegen/in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangeefster 1] tebrengen en/ofmet zijn (blote) penis (over de kleding) langs de vagina en/of het lichaam van die[aangeefster 1] te wrijven/schuren en/ofzijn, verdachtes, penis te laten betasten door die [aangeefster 1] ;
( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2016 tot enmet 4 juli 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,met [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die toen de leeftijd van zestien jarennog niet had bereikt,buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te wetenhet likken aan/in de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of aan de borsten vandie [aangeefster 1] en/ofde vagina en/of billen en/of borsten en/of benen en/of rug van die [aangeefster 1]betasten/masseren en/ofzijn penis tegen/in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangeefster 1] heeftgebracht en/of gehouden en/ofmet zijn (blote) penis (over de kleding) langs de vagina en/of het lichaam van die[aangeefster 1] heeft gewreven/geschuurd en/ofzijn, verdachtes, penis laten betasten door die [aangeefster 1] ;
( art 247 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 21 juni 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf ommet zijn minderjarig stiefkind, althans de aan zijn zorg en/of waakzaamheidtoevertrouwde minderjarige [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2005,ontucht te plegennaar de slaapkamer van die [aangeefster 1] is gegaan en/oftegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij een sexy string aan moest trekken, haar dekenmoest afdoen en haar tieten bloot moest doen (in ruil voor haar telefoon)terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 juni 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf ommet [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die toen de leeftijd van zestien jarennog niet had bereikt,buiten echt,ontucht te plegennaar de slaapkamer van die [aangeefster 1] is gegaan en/oftegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij een sexy string aan moest trekken, haar dekenmoest afdoen en haar tieten bloot moest doen (in ruil voor haar telefoon)terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 247 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 juni 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,een ander, te weten [aangeefster 1] (geboren op [geboortedatum] 2005)door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enigeandere feitelijkheid gericht tegen die ander,wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te wetenzich uit te kleden/van haar kleding te ontdoen,door naar de slaapkamer van die [aangeefster 1] te gaan en/of tegen die [aangeefster 1] te zeggen datzij een sexy string aan moest trekken, haar deken moest afdoen en haar tieten blootmoest doen (in ruil voor haar telefoon);
( art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
3hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2015 tot enmet 4 juli 2020 te [plaats] , gemeente Lochem, althans in Nederland,gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet opduidelijke wijze kenbaar was gemaakt,(telkens)opzettelijk enwederrechtelijkvan [aangeefster 2] en/of [aangeefster 1] en/of één of meer anderenaanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats,te weten de [adres]een of meer abeelding(en) en/of films, heeft vervaardigd;
( art 139f Wetboek van Strafrecht )
4hij op of omstreeks 2 mei 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,(een) afbeelding(en) heeft vervaardigd en/of in bezit gehad,terwijl op die afbeelding(en) ontuchtige handelingen zichtbaar zijn waarbij (een)mens(en) en/of een dier is/zijn betrokken, welke ontuchtige handelingenbestonden uit:- het vaginaal penetreren van een persoon door een dier (te weten een hond) en/of- het likken en/of in de mond nemen van het geslachtsdeel van een dier (te weteneen hond) door een persoon en/of- het betasten van het geslachtsdeel van een dier (te weten een hond) door een ofmeer personen;
( art 254a lid 1 Wetboek van Strafrecht )
5hij op of omstreeks 2 mei 2020 te Eefde, gemeente Lochem, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een dier, te weten een hond,welke ontuchtige handelingen bestonden uit- het betasten van het geslachtsdeel, althans het aftrekken van de hond en/of- het (door zijn mededader laten) likken aan het geslachtsdeel en/of het in de mondnemen van het geslachtsdeel van de hond en/of- het (door zijn mededader) vaginaal laten penetreren door de hond;
( art 254 Wetboek van Strafrecht )
ten aanzien van parketnummer 05-310570-21
hij op of omstreeks 3 maart 2021, in Eefde althans in Nederland,[aangeefster 2] heeft mishandeld door:- haar (met kracht) bij een arm vast te grijpen,- haar (met kracht) in een arm te knijpen,- zich (met kracht) aan haar arm vast te houden, terwijl zij met een auto achteruitprobeerde te rijden en/of te vluchten en/of- (met kracht) aan haar arm te trekken;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 3 augustus 2021 en 13 april 2021, genummerd PL0600-2021161932, opgemaakt door politie Oost-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 81 en PL0600-2021115835, opgemaakt door politie Oost-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 49. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Proces-verbaal van verhoor getuige [aangeefster 1] van 12 mei 2021, pagina 25.
Proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2021, pagina 62.
Idem, pagina 64.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 oktober 2023.
Proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 2] van 18 mei 2021, pagina 16.
Proces-verbaal van bevindingen van 16 juli 2021, pagina 74.
Proces-verbaal van bevindingen van 14 juni 2021, pagina 7.
Proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 2] van 17 maart 2021, pagina 3.
Medische verklaring van 3 maart 2021, pagina 8.
Medische verklaring van 3 maart 2021, pagina 8.