Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2023:2751

2023-03-07 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 22/5543
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2023-03-07
Publicatiedatum
2023-06-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
22/5543
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Compensatie warmtekosten via WMO; niet gebleken van causaal verband tussen medische problematiek en hoge energiekosten; ongegrond

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.921 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 22/5543


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2023 in de zaak tussen



[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
(gemachtigde: mr. B. Arabaci).




Inleiding

1. Eiseres heeft op 6 mei 2021 verzocht om een voorziening vanuit de Wmo 2015 voor extra warmte- en elektriciteitskosten als gevolg van haar medische omstandigheden en op 26 mei 2021 daar een aanvraag voor gedaan. In het besluit van 25 oktober 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat een tegemoetkoming voor extra warmte- en elektriciteitskosten geen voorzieningen zijn in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Bovendien blijkt er geen sprake van extra warmtekosten.

2. Met het bestreden besluit van 23 november 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiseres afgewezen. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.

3. Eiseres en verweerder hebben de rechtbank toestemming gegeven zonder zitting uitspraak te doen. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.



Beoordeling door de rechtbank

4. In deze zaak is relevant dat eiseres eerder bijzondere bijstand ontving voor onder andere warmtekosten vanwege ziekte op grond van de Participatiewet (Pw). Haar verzoek tot verlenging van de bijzondere bijstand voor warmtekosten is door verweerder afgewezen, omdat eiseres geen aantoonbare meerkosten heeft gehad voor het verwarmen van haar woning. Eiseres heeft bezwaar en vervolgens beroep tegen dat besluit ingesteld. In de uitspraak van 30 september 2022 heeft deze rechtbank geoordeeld dat verweerder de aanvraag om bijzondere bijstand voor warmtekosten op goede gronden heeft afgewezen. Eiseres heeft hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Voor zover bekend heeft de CRvB nog geen uitspraak gedaan.
Standpunt van partijen
5. Eiseres voert aan dat de kosten van elektriciteit en verwarming medisch gezien noodzakelijk zijn in verband met haar gezondheid. Eiseres heeft chronisch-medische aandoeningen en moet daardoor extra kosten maken voor het verwarmen van haar woning. Ook maakt zij extra kosten voor elektriciteit in verband met de (elektrische) aanpassingen in haar woning. De facto heeft eiseres de extra kosten de afgelopen jaren niet gemaakt omdat zij dit niet kan betalen. Als eiseres haar energiekosten niet meer kan betalen, dan kan zij ook niet meer in haar eigen woning verblijven. Feitelijk zou dit betekenen dat zij niet meer zelfredzaam zal zijn en in dat geval naar een verzorgingsinstelling moet. Dit zal haar participatiemogelijkheden (ernstig) aantasten. De uitspraak waar verweerder naar verwijst is volgens eiseres niet te vergelijken met haar situatie.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres vraagt om compensatie van de door haar gemaakte bestaanskosten. In feite vraagt eiseres volgens verweerder om een inkomensvoorziening en daar is de Wmo niet voor bedoeld. De Wmo is (uitsluitend) gericht op het compenseren van beperkingen die men ondervindt in het dagelijks leven als gevolg van bijvoorbeeld een handicap of een (chronisch) psychisch probleem. Niet is gebleken dat eiseres problemen ondervindt bij deelname aan het maatschappelijk verkeer, het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen of het voeren van een gestructureerd huishouden. Voorts is niet gebleken dat eiseres extra warmtekosten maakt.



Oordeel van de rechtbank


7. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiseres chronisch-medische aandoeningen heeft. Eiseres vraagt in deze procedure om compensatie voor de kosten van extra verwarming van haar woning en elektriciteit. Hiermee vraagt eiseres feitelijk om compensatie van de door haar (mogelijk) gemaakte bestaanskosten. Daar is de Wmo niet voor bedoeld. De Wmo is gericht op het vergroten van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Compensatie voor energiekosten is niet aan te merken als compensatie voor beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.

8. De rechtbank begrijpt de stelling van eiseres dat zij meerkosten moet maken voor de verwarming van haar woning vanwege haar medische situatie en dat zij dat momenteel niet kan betalen. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat er een causaal verband bestaat tussen de medische problematiek van eiseres en de hoge energiekosten. Eiseres heeft immers tot op heden niet aangetoond dat zij die meerkosten op enig moment in het verleden ook werkelijk heeft gemaakt. De rechtbank verwijst in dit verband naar het standpunt van verweerder in het primaire besluit. Eiseres heeft dit standpunt van verweerder niet nader gemotiveerd betwist. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de aanvraag afgewezen op grond van artikel 2.3.5., derde lid, van de Wmo.



Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft. Verweerder heeft terecht de aanvraag om een voorziening vanuit de Wmo 2015 voor extra warmtekosten afgewezen. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2023.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:RBMNE:2022:4659.


Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 mei 2021, ECLI:NL:CRVB: 2021:1073.