Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2022:6381
2022-12-22
Bestuursrecht
UTR 22/4822
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geen machtiging overgelegd. Voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.051 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4822
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2022 in de zaak tussen
[verzoekster] , [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: I.A. Fredison-Janssen),
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 23 maart 2021.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Verzoekster heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening aanvraagt moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 184,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft verzoekster op 19 oktober 2022 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoekster het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank.
5. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoekster heeft daar geen geldige reden voor gegeven.
6. Het verzoek zal niet inhoudelijk worden behandeld en de voorzieningenrechter zal geen uitspraak over het verzoek doen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:83 Awb).
7. De voorzieningenrechter heeft verder ook gevraagd, bij brief van 14 november 2022 om binnen twee weken na datum van verzending een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat I.A. Fredison-Janssen gemachtigd is om namens verzoekster op te treden. Dit heeft I.A. Fredison-Janssen niet gedaan. Dit betekent dat er in deze procedure geen toereikende machtiging is overlegd. Ook om die reden is het verzoek niet-ontvankelijk.
7. Verzoekster krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
22 december 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4822
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2022 in de zaak tussen
[verzoekster] , [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: I.A. Fredison-Janssen),
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 23 maart 2021.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Verzoekster heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening aanvraagt moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 184,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft verzoekster op 19 oktober 2022 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoekster het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank.
5. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoekster heeft daar geen geldige reden voor gegeven.
6. Het verzoek zal niet inhoudelijk worden behandeld en de voorzieningenrechter zal geen uitspraak over het verzoek doen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:83 Awb).
7. De voorzieningenrechter heeft verder ook gevraagd, bij brief van 14 november 2022 om binnen twee weken na datum van verzending een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat I.A. Fredison-Janssen gemachtigd is om namens verzoekster op te treden. Dit heeft I.A. Fredison-Janssen niet gedaan. Dit betekent dat er in deze procedure geen toereikende machtiging is overlegd. Ook om die reden is het verzoek niet-ontvankelijk.
7. Verzoekster krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
22 december 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.