Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:494

2021-01-15 Bestuursrecht; Belastingrecht UTR 20/495, UTR 20/603, UTR 20/604, UTR 20/605 en UTR 20/606
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2021-01-15
Publicatiedatum
2021-02-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 20/495, UTR 20/603, UTR 20/604, UTR 20/605 en UTR 20/606
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | Belastingblad 2021/166 | FutD 2021-0882 | Viditax (FutD) 2021031205

Inhoudsindicatie

Vijf naheffingsaanslagen parkeerbelastingen. Geen geldig parkeerrecht. Verweerder heeft artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet in acht genomen. Beroepen ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.133 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht



zaaknummers: UTR 20/495, UTR 20/603, UTR 20/604, UTR 20/605 en UTR 20/606


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2021 in de zaken tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach)


en




de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: P.E. Boersma).





Procesverloop



UTR 20/495

In de beschikking van 8 juli 2019 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 62,70 opgelegd. Volgens verweerder heeft eiser met zijn voertuig, kenteken [kenteken] , om 17:23 uur op [adres] in [plaats] geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.
In de uitspraak op bezwaar van 13 december 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd, maar wordt ambtshalve uit coulance vernietigd.




UTR 20/603

In de beschikking van 1 juli 2019 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 62,70 opgelegd. Volgens verweerder heeft eiser met zijn voertuig, kenteken [kenteken] , om 14.34 uur op [adres] in [plaats] geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.
In de uitspraak op bezwaar van 13 december 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard.




UTR 20/604

In de beschikking van 3 juli 2019 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 62,70 opgelegd. Volgens verweerder heeft eiser met zijn voertuig, kenteken [kenteken] , om 13:12 uur op [adres] in [plaats] geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.
In de uitspraak op bezwaar van 13 december 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard.




UTR 20/605

In de beschikking van 4 juli 2019 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 62,70 opgelegd. Volgens verweerder heeft eiser met zijn voertuig, kenteken [kenteken] , om 14:36 uur op [adres] in [plaats] geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.
In de uitspraak op bezwaar van 13 december 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd, maar wordt ambtshalve uit coulance vernietigd.




UTR 20/606

In de beschikking van 6 juli 2019 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 62,70 opgelegd. Volgens verweerder heeft eiser met zijn voertuig, kenteken [kenteken] , om 10:46 uur op [adres] in [plaats] geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.
In de uitspraak op bezwaar van 13 december 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd, maar wordt ambtshalve uit coulance vernietigd.



Eiser heeft tegen de vijf naheffingsaanslagen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



De zaak is behandeld op een Skype-zitting van 4 december 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.





Overwegingen

1. Aan eiser zijn vijf naheffingsaanslagen opgelegd. In drie van de vijf uitspraken op
bezwaar van 13 december 2019 heeft verweerder de naheffingsaanslagen uit coulance vernietigd. Dit betreft de naheffingsaanslagen van 4, 6 en 8 juli 2019.

2. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de onderzoeksplicht. Verweerder
had namelijk moeten nagaan of eiser een parkeervergunning had die net was afgelopen. Door dit na te laten, handelt verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Eiser verwijst naar jurisprudentie om zijn standpunt te onderbouwen.

3. De rechtbank overweegt dat de belastingplichtige verantwoordelijk is om de
parkeerbelasting tijdig te voldoen, bijvoorbeeld door het verlengen van een parkeervergunning of door anderszins te zorgen dat hij de verschuldigde parkeerbelasting voldoet. De rechtbank oordeelt dat verweerder in dat verband geen bijzondere onderzoeksplicht heeft, maar slechts dient na te gaan of eiser ten tijde van het parkeren de parkeerbelasting heeft voldaan. Uit het (op ambtseed opgemaakte) fiscale brondocument van de vijf naheffingsaanslagen blijkt dat verweerder hiernaar onderzoek heeft gedaan. Niet is gebleken dat eiser een geldige parkeervergunning had of dat hij de parkeerbelasting op aangifte had voldaan. De rechtbank stelt vast dat verweerder artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet in acht heeft genomen, door niet vaker dan eenmaal per kalenderdag een naheffingsaanslag op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.

4. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder aan hem had moeten communiceren dat de
parkeervergunning zou worden beëindigd. Eiser verwijst naar jurisprudentie om dit standpunt te onderbouwen.

5. De rechtbank overweegt dat de door eiser aangevoerde zaak een situatie betreft waar

sprake was van een afgegeven machtiging tot automatische incasso van de parkeervergunning. Dat is in deze zaak niet aan de orde, want eiser ontvangt voorafgaand aan een nieuwe vergunningsperiode een factuur. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de beëindiging van de parkeervergunning aan eiser op 27 mei 2019 een factuur en op
24 juni 2019 een betalingsherinnering heeft gestuurd. In het beroepschrift erkent eiser dat de betalingsherinnering van 24 juni 2019 door hem is ontvangen. Eiser wordt in deze brief door verweerder erop gewezen dat als hij de factuur voor zijn parkeervergunning voor de periode van 1 juli tot 1 oktober 2019 niet alsnog zal betalen, hij vanaf 1 juli 2019 het risico loopt op een parkeerbon. Naar het oordeel van de rechtbank ligt de omstandigheid dat eiser deze brief niet heeft gelezen in zijn risicosfeer. De beroepsgrond slaagt niet.


6. Op de zitting is gebleken dat de gemachtigde van eiser niet op de hoogte was dat
verweerder drie naheffingsaanslagen uit coulance heeft vernietigd. Hij handhaaft deze beroepen met kenmerken UTR 20/495, UTR 20/605 en UTR 20/606. Het procesbelang is volgens hem gelegen in de proceskostenveroordeling. De gemachtigde van eiser voert aan dat de drie naheffingsaanslagen niet zijn ingetrokken uit coulance, maar omdat hij erover is gaan procederen. Op grond daarvan moet volgens hem een proceskostenveroordeling worden toegekend.

7. De rechtbank oordeelt dat niet aan de criteria van artikel 7:15 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) is voldaan. Zij ziet daarom geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenveroordeling. De bestreden besluiten zijn namelijk niet herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De vijf naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd, maar verweerder heeft drie daarvan ambtshalve uit coulance vernietigd. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep tegen de vijf naheffingsaanslagen is ongegrond. Voor een
proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank verklaart de vijf beroepen ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.M.A. Koeman, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op
15 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.








griffier rechter




Afschrift verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.



ECLI:NL:RVS:2016:963, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8897 en ECLI:NL:GHDHA:2019:3414.


ECLI:NL:GHAMS:2016:4325.