Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2019:2961
2019-06-17
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 18/3077
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Pv mondelinge uitspraak. Schadeverzoek 8:88 Awb afgewezen omdat er geen onrechtmatig besluit is.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:CRVB:2025:914 Centrale Raad van Beroep 11-06-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2024:4532 Rechtbank Midden-Nederland 15-07-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (3.583 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/3077
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2019 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. M.E. Buter).
Procesverloop
Op 9 november 2017 heeft verzoekster bij verweerder een verzoek ingediend tot vergoeding van de door haar geleden schade.
Bij brief van 22 januari 2018 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding van verzoekster afgewezen.
De rechtbank heeft op 13 augustus 2018 het verzoekschrift van verzoekster ontvangen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2019. Verzoekster was samen met haar gemachtigde op de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Overwegingen
1. Verzoekster voert aan dat zij een schadevergoeding wil van verweerder naar aanleiding van het besluit van 28 september 2016. Bij dit besluit heeft verweerder de uitkering die verzoekster ontving op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd. Deze beslissing is volgens verzoekster onjuist, omdat zij wel arbeidsongeschikt en dus recht heeft op een uitkering. De gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat er breder naar het schadeverzoek gekeken moet worden en dat er ook gekeken moet worden of dit besluit, maar ook andere beslissingen, wel juist genomen zijn.
2. De rechtbank wijst het schadeverzoek af en overweegt daartoe als volgt. Het gaat in deze zaak enkel om de vraag of verweerder een schadevergoeding verschuldigd is aan verzoekster omdat er een onrechtmatig besluit is genomen. Het kan in deze zaak dus niet gaan om de vraag of de uitkering van verzoekster destijds op goede gronden is beëindigd.
3. Verzoekster heeft destijds wel bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 september 2016, maar dit bezwaar is door verweerder op 7 november 2016 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft vervolgens geen beroep ingesteld. Het besluit van 28 september 2016 staat daarom in rechte vast en kan niet als onrechtmatig beschouwd worden. Van andere door verweerder genomen beslissingen ten aanzien van verzoekster is ook geen onrechtmatigheid vastgesteld. Er is daarom geen grondslag voor het toekennen van een schadevergoeding.
4. Omdat het schadeverzoek wordt afgewezen, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen zijn ter zitting gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/3077
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2019 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. M.E. Buter).
Procesverloop
Op 9 november 2017 heeft verzoekster bij verweerder een verzoek ingediend tot vergoeding van de door haar geleden schade.
Bij brief van 22 januari 2018 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding van verzoekster afgewezen.
De rechtbank heeft op 13 augustus 2018 het verzoekschrift van verzoekster ontvangen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2019. Verzoekster was samen met haar gemachtigde op de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Overwegingen
1. Verzoekster voert aan dat zij een schadevergoeding wil van verweerder naar aanleiding van het besluit van 28 september 2016. Bij dit besluit heeft verweerder de uitkering die verzoekster ontving op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd. Deze beslissing is volgens verzoekster onjuist, omdat zij wel arbeidsongeschikt en dus recht heeft op een uitkering. De gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat er breder naar het schadeverzoek gekeken moet worden en dat er ook gekeken moet worden of dit besluit, maar ook andere beslissingen, wel juist genomen zijn.
2. De rechtbank wijst het schadeverzoek af en overweegt daartoe als volgt. Het gaat in deze zaak enkel om de vraag of verweerder een schadevergoeding verschuldigd is aan verzoekster omdat er een onrechtmatig besluit is genomen. Het kan in deze zaak dus niet gaan om de vraag of de uitkering van verzoekster destijds op goede gronden is beëindigd.
3. Verzoekster heeft destijds wel bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 september 2016, maar dit bezwaar is door verweerder op 7 november 2016 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft vervolgens geen beroep ingesteld. Het besluit van 28 september 2016 staat daarom in rechte vast en kan niet als onrechtmatig beschouwd worden. Van andere door verweerder genomen beslissingen ten aanzien van verzoekster is ook geen onrechtmatigheid vastgesteld. Er is daarom geen grondslag voor het toekennen van een schadevergoeding.
4. Omdat het schadeverzoek wordt afgewezen, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen zijn ter zitting gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.