Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9909
2026-09-01
Bestuursrecht
C/03/355199 / HA RK 26-142
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
wraking- regievoering is aan de rechter - procesbeslissing - ongegrond
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.127 tekens)
beslissing
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/355199 / HA RK 26-142
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. Sprakel, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.
1De procedure
Op 12 augustus 2026, tijdens de mondelinge behandeling van de voorlopige voorziening en van het beroep heeft de verzoeker de rechter gewraakt. Het beroep is gericht tegen het besluit van het College van bestuur van de Stichting Limburg Voortgezet Onderwijs (hierna: het College) om de twee kinderen van verzoeker te schorsen. Tegen dit besluit is ook de voorlopige voorziening gevraagd. Het College heeft beslist op het bezwaar tegen het schorsingsbesluit en heeft tegelijk een verwijderingsbesluit genomen. De schorsing is vervallen nu de kinderen inmiddels van school zijn verwijderd.
De wrakingskamer heeft op 13 augustus 2026 het proces-verbaal van wraking ontvangen.
De rechter heeft de wrakingskamer op 13 augustus 2026 bericht niet in de wraking te berusten en alleen een schriftelijke reactie te zullen uitbrengen. Op 20 augustus 2026 is haar schriftelijke reactie ontvangen.
Op 13 augustus 2026 heeft verzoeker de wrakingskamer een schriftelijke uitwerking en aanvulling met bijlagen gestuurd van het ter zitting mondeling gedane verzoek tot wraking.
Op 18 augustus 2026 heeft verzoeker de wrakingskamer om een onmiddellijke zitting van de wrakingskamer verzocht omdat de rechtbank voor een tweede verzoek om voorlopige voorziening in dezelfde procedure geen nieuwe zaak aanmaakt.
De wrakingskamer heeft op 20 augustus 2026 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het beroep en de voorlopige voorziening ontvangen, alsook het bijbehorende proces-verbaal van het kind gesprek.
De wrakingskamer heeft op 21 augustus 2026 van verzoeker een ‘repliek op de reactie van de rechter’ ontvangen.
De mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking heeft plaatsgevonden ter zitting van de wrakingskamer op 25 augustus 2026. Verzoeker is met zijn dochter verschenen. De rechter is, met bericht, niet verschenen.
2De gronden van het verzoek
Verzoeker voert – zakelijk weergegeven - aan dat voor hem de hele gang van zaken ter zitting aanleiding is om te wraken. Hij stelt dat er geen sprake was van een gelijkwaardige behandeling van de procespartijen en dat er bovendien sprake was van inhoudelijke identificatie van de rechter met het standpunt van het College. Daardoor bestond er een structurele asymmetrie tussen partijen. Verzoeker stelt dat hij onvoldoende ruimte kreeg om zijn reactie te geven en zijn standpunt toe te lichten. Ook werden zijn kinderen beperkt in het geven van hun reactie. Tot slot stelt verzoeker dat hij de indruk had dat de rechter haar oordeel in de zaak reeds had gevormd. Hij vindt dat, nu de feitelijke situatie nog niet vaststaat, de rechter niet mag zeggen dat zij begrip heeft voor het standpunt van het College.
3De beoordeling
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking geldt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegen een partij een vooringenomenheid koestert, of dat de bij verzoeker daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Op grond van artikel 8:16, lid 1, van de Awb wordt het verzoek gedaan zodra feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden en in artikel 8:16 lid 3, is bepaald dat alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. Dit betekent dat, waar verzoeker na de indiening van zijn wrakingsverzoek ter zitting met nieuwe feiten of omstandigheden komt deze niet in de beoordeling kunnen en mogen worden meegenomen.
Procedurele beslissingen als zodanig kunnen nooit een grond vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. In de wrakingsprocedure wordt niet beoordeeld of proces-beslissingen juist zijn. Dergelijke procesbeslissingen kunnen slechts leiden tot inwilliging van een wrakingsverzoek, als deze op zich of in onderlinge samenhang bezien, of in samenhang met het verdere optreden van de rechter, een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat daaruit blijkt van vooringenomenheid van de rechter die de betrokken beslissing of beslissingen heeft genomen.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de stukken. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker een toelichting gegeven op de gronden.
Voor zover verzoeker in zijn toelichting ter zitting nieuwe bezwaren aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd worden deze door de wrakingskamer, onder verwijzing naar voornoemd artikel 8:16, lid 3 Awb, niet in de beoordeling betrokken.
De zitting van 12 augustus jl. is voor geen van de aanwezigen een gemakkelijke zitting geweest. Ondanks de verschillende standpunten is voor iedereen het belang van de twee kinderen duidelijk. De kinderen hebben hun belang ook ieder voor zich duidelijk gemaakt. Verzoeker en verweerder hebben hun zienswijze op de zaak gegeven door een toelichting te geven, maar vooral door de vragen van de rechter te beantwoorden. Een zitting is ook met name bedoeld om (ontbrekende) informatie te vergaren, vandaar dat de rechter vragen stelt om uiteindelijk een afweging van de belangen te kunnen maken. Juist daarom heeft de rechter de vrijheid om veel te vragen of juist niet. Om door te vragen, om zich meer naar de ene partij dan naar de andere te richten en om kritisch te zijn. Maar ook om te luisteren, begripvol te zijn en soms stil te staan bij wat een gebeurtenis betekent. Dat is regievoering en dat is aan de rechter en dat is geen optelsom in tijd besteed aan de ene partij of in het aantal vragen besteed aan een andere partij. Uit de beschikbare processen-verbaal en de (op dit punt niet betwiste) reactie van de rechter volgt dat - waar oorspronkelijk slechts een uur voor de behandeling beschikbaar was - de behandeling uiteindelijk 2,5 uur heeft geduurd. Daarbij zijn ook beide kinderen uitvoerig gehoord. De wrakingskamer leidt hieruit af dat beide partijen ruim gelegenheid werd geboden hun standpunten toe te lichten.
De wrakingskamer komt tot de slotsom dat de rechter op haar eigen onafhankelijke wijze de zitting heeft geleid en de regie heeft gehad en daarin procesbeslissingen heeft genomen. Het is, zoals vermeld, niet aan de wrakingskamer om in deze procesbeslissingen te treden. De wrakingskamer is van oordeel dat nergens uit blijkt dat verzoeker is beknot in zijn mogelijkheden om het woord te voeren of om een toelichting te geven. Dat verzoeker dit vanuit zijn interpretatie anders ziet maakt dit oordeel niet anders.
De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter geen blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, het verzoek tot wraking is daarom ongegrond.
4De beslissing
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. Otto, mr. Peters, en
mr. Van den Acker, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken
op 1 september 2026.
De voorzitter is verhinderd om de beslissing te ondertekenen.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/355199 / HA RK 26-142
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. Sprakel, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.
1De procedure
Op 12 augustus 2026, tijdens de mondelinge behandeling van de voorlopige voorziening en van het beroep heeft de verzoeker de rechter gewraakt. Het beroep is gericht tegen het besluit van het College van bestuur van de Stichting Limburg Voortgezet Onderwijs (hierna: het College) om de twee kinderen van verzoeker te schorsen. Tegen dit besluit is ook de voorlopige voorziening gevraagd. Het College heeft beslist op het bezwaar tegen het schorsingsbesluit en heeft tegelijk een verwijderingsbesluit genomen. De schorsing is vervallen nu de kinderen inmiddels van school zijn verwijderd.
De wrakingskamer heeft op 13 augustus 2026 het proces-verbaal van wraking ontvangen.
De rechter heeft de wrakingskamer op 13 augustus 2026 bericht niet in de wraking te berusten en alleen een schriftelijke reactie te zullen uitbrengen. Op 20 augustus 2026 is haar schriftelijke reactie ontvangen.
Op 13 augustus 2026 heeft verzoeker de wrakingskamer een schriftelijke uitwerking en aanvulling met bijlagen gestuurd van het ter zitting mondeling gedane verzoek tot wraking.
Op 18 augustus 2026 heeft verzoeker de wrakingskamer om een onmiddellijke zitting van de wrakingskamer verzocht omdat de rechtbank voor een tweede verzoek om voorlopige voorziening in dezelfde procedure geen nieuwe zaak aanmaakt.
De wrakingskamer heeft op 20 augustus 2026 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het beroep en de voorlopige voorziening ontvangen, alsook het bijbehorende proces-verbaal van het kind gesprek.
De wrakingskamer heeft op 21 augustus 2026 van verzoeker een ‘repliek op de reactie van de rechter’ ontvangen.
De mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking heeft plaatsgevonden ter zitting van de wrakingskamer op 25 augustus 2026. Verzoeker is met zijn dochter verschenen. De rechter is, met bericht, niet verschenen.
2De gronden van het verzoek
Verzoeker voert – zakelijk weergegeven - aan dat voor hem de hele gang van zaken ter zitting aanleiding is om te wraken. Hij stelt dat er geen sprake was van een gelijkwaardige behandeling van de procespartijen en dat er bovendien sprake was van inhoudelijke identificatie van de rechter met het standpunt van het College. Daardoor bestond er een structurele asymmetrie tussen partijen. Verzoeker stelt dat hij onvoldoende ruimte kreeg om zijn reactie te geven en zijn standpunt toe te lichten. Ook werden zijn kinderen beperkt in het geven van hun reactie. Tot slot stelt verzoeker dat hij de indruk had dat de rechter haar oordeel in de zaak reeds had gevormd. Hij vindt dat, nu de feitelijke situatie nog niet vaststaat, de rechter niet mag zeggen dat zij begrip heeft voor het standpunt van het College.
3De beoordeling
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking geldt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegen een partij een vooringenomenheid koestert, of dat de bij verzoeker daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Op grond van artikel 8:16, lid 1, van de Awb wordt het verzoek gedaan zodra feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden en in artikel 8:16 lid 3, is bepaald dat alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. Dit betekent dat, waar verzoeker na de indiening van zijn wrakingsverzoek ter zitting met nieuwe feiten of omstandigheden komt deze niet in de beoordeling kunnen en mogen worden meegenomen.
Procedurele beslissingen als zodanig kunnen nooit een grond vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. In de wrakingsprocedure wordt niet beoordeeld of proces-beslissingen juist zijn. Dergelijke procesbeslissingen kunnen slechts leiden tot inwilliging van een wrakingsverzoek, als deze op zich of in onderlinge samenhang bezien, of in samenhang met het verdere optreden van de rechter, een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat daaruit blijkt van vooringenomenheid van de rechter die de betrokken beslissing of beslissingen heeft genomen.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de stukken. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker een toelichting gegeven op de gronden.
Voor zover verzoeker in zijn toelichting ter zitting nieuwe bezwaren aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd worden deze door de wrakingskamer, onder verwijzing naar voornoemd artikel 8:16, lid 3 Awb, niet in de beoordeling betrokken.
De zitting van 12 augustus jl. is voor geen van de aanwezigen een gemakkelijke zitting geweest. Ondanks de verschillende standpunten is voor iedereen het belang van de twee kinderen duidelijk. De kinderen hebben hun belang ook ieder voor zich duidelijk gemaakt. Verzoeker en verweerder hebben hun zienswijze op de zaak gegeven door een toelichting te geven, maar vooral door de vragen van de rechter te beantwoorden. Een zitting is ook met name bedoeld om (ontbrekende) informatie te vergaren, vandaar dat de rechter vragen stelt om uiteindelijk een afweging van de belangen te kunnen maken. Juist daarom heeft de rechter de vrijheid om veel te vragen of juist niet. Om door te vragen, om zich meer naar de ene partij dan naar de andere te richten en om kritisch te zijn. Maar ook om te luisteren, begripvol te zijn en soms stil te staan bij wat een gebeurtenis betekent. Dat is regievoering en dat is aan de rechter en dat is geen optelsom in tijd besteed aan de ene partij of in het aantal vragen besteed aan een andere partij. Uit de beschikbare processen-verbaal en de (op dit punt niet betwiste) reactie van de rechter volgt dat - waar oorspronkelijk slechts een uur voor de behandeling beschikbaar was - de behandeling uiteindelijk 2,5 uur heeft geduurd. Daarbij zijn ook beide kinderen uitvoerig gehoord. De wrakingskamer leidt hieruit af dat beide partijen ruim gelegenheid werd geboden hun standpunten toe te lichten.
De wrakingskamer komt tot de slotsom dat de rechter op haar eigen onafhankelijke wijze de zitting heeft geleid en de regie heeft gehad en daarin procesbeslissingen heeft genomen. Het is, zoals vermeld, niet aan de wrakingskamer om in deze procesbeslissingen te treden. De wrakingskamer is van oordeel dat nergens uit blijkt dat verzoeker is beknot in zijn mogelijkheden om het woord te voeren of om een toelichting te geven. Dat verzoeker dit vanuit zijn interpretatie anders ziet maakt dit oordeel niet anders.
De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter geen blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, het verzoek tot wraking is daarom ongegrond.
4De beslissing
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. Otto, mr. Peters, en
mr. Van den Acker, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken
op 1 september 2026.
De voorzitter is verhinderd om de beslissing te ondertekenen.