Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9908
2026-09-23
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/03/350630 / HA ZA 26-118
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Non-conformiteit van een woning. Knallende dakplaten van een woning als gevolg van een gebrekkige dakconstructie levert een gebrek op dat het normale gebruik van de woning als woonhuis verhindert. De schadevergoeding bestaande uit de herstelkosten van het dak wordt toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.701 tekens)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/350630 / HA ZA 26-118
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
1 [eiser] ,
te [plaats 1] ,2. [eiseres],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M. Struik,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats 2] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. G.M.P. Strang.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
1. de dagvaarding met producties 1 tot en met 19;
2. de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4;
3. de akte van [eisers] inhoudende overlegging producties 20 tot en met 32;
4. de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
5. de mondelinge behandeling van 22 juli 2026, ter gelegenheid waarvan aan de zijde van zowel [eisers] als [gedaagden] spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Verwijzing naar bijlagen vindt plaats door vermelding van het nummer van het processtuk gevolg door het nummer van de bijlage.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben op 25 maart 2024 een overeenkomst gesloten op basis waarvan [eisers] de woning aan de [adres] van [gedaagden] heeft gekocht (bijlage 1,1). In de koopovereenkomst is onder andere het volgende opgenomen:
6.1.
De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van deze koopovereenkomst bevindt, derhalve me alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen ‘bijzondere lasten’ zijn.
6.3.
De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als:
woning
.
10.1.
De onroerende zaak is met ingang van het moment van tekenen van de akte van levering voor risico van koper, tenzij de feitelijke levering eerder plaatsvindt, in welk geval het risico per dat moment overgaat op koper.’
2.2.
Bij de koopovereenkomst hoorde de ‘vragenlijst verkoop woning’ (bijlage 1,2). Op de vraag of er in het verleden gebreken zijn geconstateerd aan de dakconstructie zoals scheve, doorbuigende, krakende, beschadigde en/of aangetaste dakdelen, heeft [gedaagden] ‘nee’ geantwoord.
2.3.
De woning is op 1 juli 2024 aan [eisers] geleverd (bijlage 1,3).
2.4.
Op 27 augustus 2024 heeft [eisers] [gedaagden] bericht dat er ‘knallen’ hoorbaar zijn vanuit het dak/de zolder, waarbij hij [gedaagden] uitnodigt dit zelf te komen beluisteren en te laten herstellen (bijlage 1,4). [gedaagden] reageert hierop bij brief van 10 september 2024 dat hij geen last heeft gehad van knallende geluiden vanuit het dak en niet gehouden is om tot herstel over te gaan of schade te vergoeden (bijlage 1,5). Hierna hebben partijen over en weer nog verder met elkaar gecorrespondeerd waarbij zij in hun standpunten volharden (bijlage 1,6 tot en met 1,9).
2.5.
[bedrijf 1] heeft in opdracht van [eisers] het dak onderzocht en zijn bevindingen vastgelegd in het rapport van 4 juni 2025 (bijlage 1,10). [bedrijf 1] concludeert kort gezegd dat:
- de geluiden kunnen worden veroorzaakt doordat:
o geen oplegvilt is geplaatst tussen de sandwichpanelen in het dak en op de ondersteuningen;
o de sandwichpanelen met onvoldoende bevestigingsmiddelen zijn gemonteerd;
o de bevestiging van de tussengordingen en de nokgording niet geschikt is;
o er geen raveling is aangebracht;
o de toegepaste panlatten niet de goede afmeting hebben;
de zonnepanelen een minimale invloed hebben op de knallende geluiden;
de knallende geluiden al tijdens de overdracht van de woning aan de orde waren en het aannemelijk is dat [gedaagden] daarvan wist;
de kosten voor herstel € 37.400,00 inclusief btw bedragen.
2.6.
In opdracht van [gedaagden] heeft vervolgens de heer [persoon] van [bedrijf 2] een onderzoek verricht op 2 september 2025. De bevindingen zijn vastgelegd in het rapport van 24 oktober 2025 (bijlage 1,14). [persoon] concludeert dat:
er geen sprake is van bouwkundige gebreken die de knallende geluiden veroorzaken;
[bedrijf 1] aan de verkeerde norm heeft getoetst;
het aanbrengen van zonnepanelen in combinatie met het gewijzigde gebruik van de zolder en de daarmee samenhangende koeling door een airco en veranderde vochthuishouding kunnen bijdragen aan het verergeren van de geluiden;
de door [bedrijf 1] voorgestelde herstelmaatregelen zijn prematuur en disproportioneel.
2.7.
[eisers] heeft verder verschillende video- en geluidsopnames gemaakt aan de hand waarvan hij een logboek met de knallen heeft bijgehouden (bijlage 1,21). Hieruit volgt dat er in de periode van 30 mei 2026 (‘s avonds) tot en met 14 juni 2026 (’s ochtends) in totaal circa 900 knallen zijn waargenomen, dat de geluiden reproduceerbaar zijn door (lichte) druk op constructiedelen uit te oefenen en dat de geluiden vanuit verschillende delen van het dak afkomstig zijn.
2.8.
Het is partijen uiteindelijk niet gelukt om tot een oplossing te komen voor hun geschil.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vordert samengevat:
primair: te verklaren voor recht dat [gedaagden] aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade ten gevolge van de non-conformiteit en tekortkomingen en [gedaagden] te veroordelen tot betaling van € 37.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2024;
subsidiair: te verklaren voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen in die zin dat de koopprijs met een bedrag van € 37.400,00 word verminderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2024;
meer subsidiair: te verklaren voor recht dat [gedaagden] gehouden is tot vergoeding van de geleden schade ten gevolge van de onrechtmatige daad en [gedaagden] te veroordelen tot betaling van € 37.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2024;
voorwaardelijk: voor recht te verklaren dat [gedaagden] aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade ten gevolge van de tekortkomingen in het geval blijkt dat de vierkante meters op de zolderverdieping niet zijn inbegrepen in de 160 vierkante meters woonruimte van de woning en [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat;
zowel primair, subsidiair, meer subsidiair als voorwaardelijk: [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eisers] voert aan dat sprake is van non-conformiteit, omdat de woning niet de eigenschappen bezit die [eisers] daarvan op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Volgens [eisers] is [gedaagden] daarom op grond van artikel 6:74 Burgerlijk wetboek (hierna: BW) gehouden om de schade ad 37.400,00 te vergoeden. Subsidiair stelt [eisers] dat hij bij het sluiten van de koopovereenkomst heeft gedwaald. Als [eisers] had geweten van de knallende geluiden, had hij de overeenkomst niet (onder dezelfde voorwaarden) gesloten. Op grond van artikel 6:230 lid 2 BW is [gedaagden] daarom schadevergoeding verschuldigd. Meer subsidiair is [gedaagden] volgens [eisers] gehouden om de schade te betalen uit hoofde van onrechtmatige daad. Voor het geval de zolder wordt gekwalificeerd als ‘overige inpandige ruimte’ en niet als verblijfsruimte, stelt [eisers] zich op het standpunt dat hij in dat geval te veel voor de woning heeft betaald, omdat de zolder wel als verblijfsruimte bij de koop is aangemerkt en dit duurder is dan wanneer de zolder als ‘overige inpandige ruimte’ was aangemerkt. [eisers] verzoekt in dat geval een verwijzing naar de schadestaatprocedure.
3.3.
[gedaagden] voert verweer en stelt dat hij op grond van de artikelen 6.3 en 10.1 van de koopovereenkomst alleen aansprakelijk is voor gebreken die het normale gebruik van de woning in de weg staan en dit gebrek al aanwezig was bij het sluiten van de overeenkomst. Volgens [gedaagden] is geen sprake van een gebrek en als dit er al zou zijn, staat dit het normale gebruik van de woning niet in de weg en was dit ten tijde van het sluiten van de overeenkomst (nog) niet aan de orde. Verder stelt [gedaagden] dat van dwaling geen sprake is, omdat hij geen onjuiste informatie heeft verschaft en bovendien niet bekend was met de knallende geluiden. Wat betreft de voorwaardelijke vordering van [eisers] , betwist [gedaagden] dat sprake is van schade.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Gebrek
4.1.
De primaire vordering van [eisers] is gebaseerd op zijn stelling dat de woning niet de eigenschappen bezit die [eisers] daarvan op grond van de overeenkomst mocht verwachten, zodat sprake is van non-conformiteit.
4.2.
Non-conformiteit is uitgewerkt in artikel 7:17 BW. Lid 1 van dit artikel bepaalt dat de zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Volgens lid 2 beantwoordt een zaak niet aan de overeenkomst indien zij niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Partijen hebben in de artikelen 6.1 en 6.3 van de koopovereenkomst een van artikel 7:17 BW afwijkende regeling getroffen. Op grond van de artikelen 6.1 en 6.3 van de koopovereenkomst heeft [eisers] de woning aanvaard in de staat waarin deze zich bevindt, met dien verstande dat [gedaagden] instaat voor de afwezigheid van gebreken (op het moment van levering van de woning) die het normale gebruik als woonhuis verhinderen, voor zover deze niet bekend of kenbaar waren voor [eisers] op het moment van het tot stand komen van de koopovereenkomst.
4.3.
Artikel 6.3 betreft een standaardbepaling die vrijwel in iedere koopovereenkomst voor een woning wordt opgenomen. Bij de vraag hoe een “normaal gebruik” zoals bepaald in artikel 6.3 moet worden uitgelegd, komt het daarom allereerst aan op de betekenis die partijen naar gangbaar spraakgebruik redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen. Naar gangbaar spraakgebruik houdt een normaal gebruik als woonhuis in dat de woning op een voldoende veilige manier kan worden bewoond, met een redelijke mate van duurzaamheid en zonder dat het woongenot wezenlijk wordt aangetast. Bij de vraag of sprake is van een “normaal gebruik” kan ook de staat van de woning, de prijs, de ouderdom van de woning en de mededelingen van de verkoper of makelaar een rol spelen.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport van [bedrijf 1] en de door [eisers] overgelegde beeld- en geluidsfragmenten volgt dat sprake is van een gebrek dat het normale gebruik van de woning als woonhuis verhindert en licht dit als volgt toe.
4.5.
Na de inspectie van 26 februari 2025 en na de geluidsmeting door [bedrijf 1] – waarbij gebruik is gemaakt van daarvoor geschikte apparatuur – die op de zolder van ’s ochtends 30 april 2025 tot ’s middags 2 mei 2025 is verricht, heeft [bedrijf 1] antwoord gegeven op de aan hem gestelde onderzoeksvragen. [bedrijf 1] heeft al vaker onderzoek gedaan naar zogeheten “knaldaken”, hetgeen de waarde vergroot die aan het rapport van [bedrijf 1] kan worden toegekend. Afgezien van kleine onjuistheden in het rapport die later worden uitgelegd, is het rapport uitvoerig en goed onderbouwd. Daartegenover staat het rapport van [persoon] . De rechtbank overweegt dat [persoon] bij zijn onderzoek geen geluidsmeting heeft verricht en ook verder geen onderzoek heeft gedaan naar de beschikbare geluidsdata. Daarnaast antwoordt [persoon] op de vraag of hij knalgeluiden heeft waargenomen dat hij 15 a 20 minuten op de zolder is geweest en tijdens dat bezoek geen geluiden uit het dak heeft waargenomen. Uit de audio-opname die tijdens het bezoek van [persoon] is gemaakt volgt echter dat [persoon] de knallende/tikkende geluiden wél heeft gehoord (bijlage 3,25). Dit maakt zijn rapport dan ook minder betrouwbaar.
4.6.
Over de stelling van [gedaagden] dat bij het rapport van [bedrijf 1] geen hoor en wederhoor is toegepast en daarom minder waarde aan het rapport moet worden toegekend, overweegt de rechtbank als volgt. Voor de inspectie van [bedrijf 1] van 26 februari 2025 was ook [gedaagden] uitgenodigd. Op deze uitnodiging heeft [gedaagden] echter niet gereageerd. De opmerking van [gedaagden] dat de dag van de inspectie hem pas enkele dagen ervoor bekend werd en hij op die korte termijn geen mogelijkheid had om bij het onderzoek aanwezig te zijn, waardoor geen hoor en wederhoor kon worden toegepast, kan de rechtbank niet volgen. Het had dan immers op de weg van [gedaagden] gelegen om aan [bedrijf 1] mee te delen dat hij die dag verhinderd was en te vragen om een andere datum. Door dit niet te doen, is het aan [gedaagden] zelf te wijten dat bij het onderzoek geen hoor en wederhoor is toegepast.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank dan ook uit van de juistheid van het rapport van [bedrijf 1] .
4.7.
Een van de vragen die [bedrijf 1] heeft beantwoord is of de knalgeluiden de norm overschrijden. Uit het antwoord van [bedrijf 1] volgt dat het maximaal toelaatbare geluidsniveau 45 decibel bedraagt. Tijdens voornoemde periode zijn in totaal 127 knalgeluiden uit het dak waargenomen die de 50 decibel overschrijden. Het geluidsniveau van de knallen zat meestal rond de 55-65 decibel met uitschieters tot 77,4 decibel. De knallen komen dus ruim boven het toelaatbare geluidsniveau uit en zijn frequent waarneembaar.
4.8.
De oorzaak van de knallende geluiden is volgens [bedrijf 1] de werking van het dak, hetgeen te wijten is aan de montage van de dakconstructie en de gebruikte of juist niet gebruikte materialen (een en ander zoals uitgewerkt in rechtsoverweging 2.5 van dit vonnis). Zelfs als de rechtbank was uitgegaan van de juistheid van het rapport van [persoon] , dan volgt ook uit dat rapport dat uit de bouwpraktijk bekend is dat dakconstructies waarin geïsoleerde sandwich dakplaten zijn toegepast, kunnen leiden tot geluidproductie. Daarmee staat voldoende vast dat de oorzaak van de knalgeluiden is gelegen in de dakconstructie en de montage. De rechtbank is het overigens met [persoon] eens dat een zekere mate van werking van het dak geaccepteerd moet worden. In dit geval is echter sprake van zodanig luide knallen met een zodanige regelmaat dat deze knallen beschouwd moeten worden als een gebrek.
4.9.
In zijn rapport geeft [bedrijf 1] verder aan dat de onderliggende oorzaak van de knalgeluiden al aan de orde moet zijn geweest ten tijde van de overdracht van de woning. De stelling van [gedaagden] dat de knallende geluiden worden veroorzaakt door de zonnepanelen die [eisers] na de levering van de woning heeft geplaatst, en er zodoende op het moment van levering nog geen sprake was van een gebrek, volgt de rechtbank niet. Zoals [bedrijf 1] in zijn rapport aangeeft, is het voorstelbaar dat het dak door de zonnepanelen wellicht iets meer geluiden is gaan produceren, maar is de invloed hiervan op de resultaten van de geluidsmeting minimaal en leidt dat niet tot andere conclusies. Bovendien is het ook voorstelbaar dat de zonnepanelen er juist voor zorgen dat de knalgeluiden afnemen.
4.10.
Verder speelt in dit verband mee dat de knallen al voor het plaatsen van de zonnepanelen hoorbaar waren. Dit volgt uit het feit dat de zonnepanelen op 7 augustus 2024 zijn geplaatst en [eisers] op 5 augustus 2024 aan [bedrijf 3] (die een bouwkundige inspectie heeft uitgevoerd) een e-mail heeft verstuurd waarin [eisers] aangeeft dat er knallen te horen zijn vanuit het dak (bijlage 1,8).
4.11.
Het voorgaande maakt dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van een gebrek dat al ten tijde van de levering aanwezig was. De opmerking van [gedaagden] dat hij de knalgeluiden nooit heeft gehoord toen hij zelf nog in de woning woonde, maakt dit niet anders.
4.12.
De volgende vraag is of de gebrekkige dakconstructie en de daaruit voortvloeiende knalgeluiden ervoor zorgen dat deze het normale gebruik van de woning als woonhuis verhinderen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en licht dit als volgt toe. [eisers] heeft aangevoerd dat hij de zolder als slaapkamer wilde gebruiken. Door de luide en frequente knallen bleek dit echter niet mogelijk. [eiser] slaapt daarom al 2 jaar op de bank. [eiseres] slaapt bij haar dochter op de slaapkamer. De rechtbank acht de stellingen van [eisers] hierover geloofwaardig. Niet alleen vanwege de emoties die dit onderwerp opriep tijdens de mondelinge behandeling, maar ook vanwege de eigen waarneming van de overgelegde USB-stick met beelden en geluid, waaruit duidelijk blijkt dat de knallen zodanig zijn dat geheel invoelbaar is dat daardoor niet op de bovenste verdieping geslapen kan worden. Tenslotte ondersteunen de meetgegevens van deskundige [bedrijf 1] dat de geluidssterkte en frequentie van de knallen abnormaal waren.
4.13.
[gedaagden] heeft aangevoerd dat de zolder niet als woonruimte verkocht is. [eisers] stelt daarentegen dat al bij de bezichtiging is aangegeven dat van de zolder een slaapkamer gemaakt zou worden. De rechtbank passeert het argument dat de zolder niet voor bewoning bestemd was, met name omdat in de verkoopbrochure zelf is opgenomen dat op de zolder een 3e of 4e slaapkamer kan worden gerealiseerd. De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat sprake is van een gebrek dat het normaal gebruik van de woning als woonhuis in de weg staat.
Meldplicht
4.14.
[gedaagden] verwijt [eisers] dat hij niet tijdig aan zijn meldplicht heeft voldaan door pas voor het eerst op 27 augustus 2024 aan [gedaagden] te melden dat hij last heeft van knalgeluiden, terwijl de koopovereenkomst al op 25 maart 2024 is gesloten en de levering op 1 juli 2024 heeft plaatsgevonden.
4.15.
Artikel 7:23 BW bepaalt dat [eisers] zich niet kan beroepen op non-conformiteit van de woning als hij niet binnen bekwame tijd melding van het gebrek heeft gemaakt.
4.16.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisers] verklaard dat er na de levering van de woning eerst drie tot vier weken is verbouwd, in welke periode [eisers] niet in de woning heeft gewoond. Om die reden heeft hij de knalgeluiden op dat moment dus nog niet in die ernst kunnen waarnemen dan zoals hij dit deed toen hij erna de woning betrok. [eisers] legt uit dat hij tijdens de verbouwing weliswaar een enkele keer een knalgeluid heeft gehoord, maar hij eerst wilde afwachten of dit een toevalligheid was en dit vanzelf weer zou weggaan. Uiteindelijk heeft [eisers] op 5 augustus bij [bedrijf 3] gemeld dat er knallen hoorbaar waren. Hierna heeft [eisers] het rapport van [bedrijf 3] afgewacht. De rechtbank overweegt dat het logisch is dat [eisers] niet bij het eerste hoorbare geluid melding heeft gemaakt bij [gedaagden] , maar eerst de uitkomst van het rapport van [bedrijf 3] heeft afgewacht. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat artikel 7:23 BW tot doel heeft dat de verkoper, in dit geval [gedaagden] , niet in zijn bewijspositie wordt geschaad op het moment dat een gebrek pas laat wordt gemeld. [gedaagden] is echter niet in zijn bewijspositie geschaad, omdat het dak nog naderhand, ook na het plaatsen van de zonnepanelen, onderzocht kon worden. De rechtbank is dus van oordeel dat [eisers] haar meldingsplicht niet heeft geschonden.
Tussenconclusie
4.17.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat artikel 6.3 van de koopovereenkomst is geschonden en de woning niet voldoet aan wat [eisers] daarvan op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Hiermee staat vast dat [gedaagden] tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenis en daarom gehouden is de schade van [eisers] te vergoeden.
Schade
4.18.
De schade bestaat volgens [eisers] uit een bedrag van € 37.400,00 aan kosten om het dak te herstellen. Dit bedrag is gebaseerd op de door [bedrijf 1] begrote herstelkosten (bijlage 1,10). [gedaagden] voert verweer tegen dit schadebedrag. De rechtbank overweegt dat de door [bedrijf 1] gehanteerde bedragen redelijk lijken. Daar komt bij dat het gevorderde bedrag is gebaseerd op de herstelkosten zoals deze worden begroot door [bedrijf 1] . De praktijk leert dat de daadwerkelijk te betalen herstelkosten doorgaans hoger uitvallen. Bovendien dateert de begroting van 4 juni 2025. Door de inflatie lijkt het reëel dat de kosten hedendaags duurder zouden uitvallen. Het voorgaande maakt dat de door [bedrijf 1] begrote herstelkosten de rechtbank redelijk voorkomen, zodat een bedrag van € 37.400,00 aan schade wordt toegewezen.
4.19.
[eisers] vordert wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 11 september 2024. De rechtbank is met [gedaagden] van oordeel dat het rapport van [bedrijf 1] met de daarin opgenomen kostenbegroting pas op 13 juni 2025 aan [gedaagden] is verstuurd, waardoor er geen rente verschuldigd kan zijn vóór die datum. De rechtbank zal de wettelijke rente dan ook toewijzen vanaf 13 juni 2025.
4.20.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
Verklaring voor recht
4.21.
Naast een veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 37.400,00 vordert [eisers] een verklaring voor recht dat [gedaagden] aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade ten gevolge van de aan [gedaagden] toe te rekenen non-conformiteit en tekortkomingen. Dat deel van de vordering wijst de rechtbank af. De rechtbank ziet het belang van dat deel van de vordering niet in, omdat de daarop voortbouwende veroordeling tot betaling van de schade al wordt toegewezen. [eisers] heeft zijn belang verder ook niet toegelicht, dus dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
Voorwaardelijke vordering
4.22.
[eisers] vordert verder een verklaring voor recht dat [gedaagden] aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade in geval mocht blijken dat de vierkante meters op de zolderverdieping niet zijn inbegrepen in de 160 vierkante meter woonruimte in de woning. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de zolder als een andere ruimte dan woonruimte is verkocht, zodat aan een beoordeling van de voorwaardelijk vordering niet wordt toegekomen.
Proceskosten
4.23.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
157,76
- griffierecht
€
1.414,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.432,76
4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 37.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.432,76, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dethmers en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/350630 / HA ZA 26-118
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
1 [eiser] ,
te [plaats 1] ,2. [eiseres],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M. Struik,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats 2] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. G.M.P. Strang.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
1. de dagvaarding met producties 1 tot en met 19;
2. de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4;
3. de akte van [eisers] inhoudende overlegging producties 20 tot en met 32;
4. de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
5. de mondelinge behandeling van 22 juli 2026, ter gelegenheid waarvan aan de zijde van zowel [eisers] als [gedaagden] spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Verwijzing naar bijlagen vindt plaats door vermelding van het nummer van het processtuk gevolg door het nummer van de bijlage.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben op 25 maart 2024 een overeenkomst gesloten op basis waarvan [eisers] de woning aan de [adres] van [gedaagden] heeft gekocht (bijlage 1,1). In de koopovereenkomst is onder andere het volgende opgenomen:
6.1.
De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van deze koopovereenkomst bevindt, derhalve me alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen ‘bijzondere lasten’ zijn.
6.3.
De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als:
woning
.
10.1.
De onroerende zaak is met ingang van het moment van tekenen van de akte van levering voor risico van koper, tenzij de feitelijke levering eerder plaatsvindt, in welk geval het risico per dat moment overgaat op koper.’
2.2.
Bij de koopovereenkomst hoorde de ‘vragenlijst verkoop woning’ (bijlage 1,2). Op de vraag of er in het verleden gebreken zijn geconstateerd aan de dakconstructie zoals scheve, doorbuigende, krakende, beschadigde en/of aangetaste dakdelen, heeft [gedaagden] ‘nee’ geantwoord.
2.3.
De woning is op 1 juli 2024 aan [eisers] geleverd (bijlage 1,3).
2.4.
Op 27 augustus 2024 heeft [eisers] [gedaagden] bericht dat er ‘knallen’ hoorbaar zijn vanuit het dak/de zolder, waarbij hij [gedaagden] uitnodigt dit zelf te komen beluisteren en te laten herstellen (bijlage 1,4). [gedaagden] reageert hierop bij brief van 10 september 2024 dat hij geen last heeft gehad van knallende geluiden vanuit het dak en niet gehouden is om tot herstel over te gaan of schade te vergoeden (bijlage 1,5). Hierna hebben partijen over en weer nog verder met elkaar gecorrespondeerd waarbij zij in hun standpunten volharden (bijlage 1,6 tot en met 1,9).
2.5.
[bedrijf 1] heeft in opdracht van [eisers] het dak onderzocht en zijn bevindingen vastgelegd in het rapport van 4 juni 2025 (bijlage 1,10). [bedrijf 1] concludeert kort gezegd dat:
- de geluiden kunnen worden veroorzaakt doordat:
o geen oplegvilt is geplaatst tussen de sandwichpanelen in het dak en op de ondersteuningen;
o de sandwichpanelen met onvoldoende bevestigingsmiddelen zijn gemonteerd;
o de bevestiging van de tussengordingen en de nokgording niet geschikt is;
o er geen raveling is aangebracht;
o de toegepaste panlatten niet de goede afmeting hebben;
de zonnepanelen een minimale invloed hebben op de knallende geluiden;
de knallende geluiden al tijdens de overdracht van de woning aan de orde waren en het aannemelijk is dat [gedaagden] daarvan wist;
de kosten voor herstel € 37.400,00 inclusief btw bedragen.
2.6.
In opdracht van [gedaagden] heeft vervolgens de heer [persoon] van [bedrijf 2] een onderzoek verricht op 2 september 2025. De bevindingen zijn vastgelegd in het rapport van 24 oktober 2025 (bijlage 1,14). [persoon] concludeert dat:
er geen sprake is van bouwkundige gebreken die de knallende geluiden veroorzaken;
[bedrijf 1] aan de verkeerde norm heeft getoetst;
het aanbrengen van zonnepanelen in combinatie met het gewijzigde gebruik van de zolder en de daarmee samenhangende koeling door een airco en veranderde vochthuishouding kunnen bijdragen aan het verergeren van de geluiden;
de door [bedrijf 1] voorgestelde herstelmaatregelen zijn prematuur en disproportioneel.
2.7.
[eisers] heeft verder verschillende video- en geluidsopnames gemaakt aan de hand waarvan hij een logboek met de knallen heeft bijgehouden (bijlage 1,21). Hieruit volgt dat er in de periode van 30 mei 2026 (‘s avonds) tot en met 14 juni 2026 (’s ochtends) in totaal circa 900 knallen zijn waargenomen, dat de geluiden reproduceerbaar zijn door (lichte) druk op constructiedelen uit te oefenen en dat de geluiden vanuit verschillende delen van het dak afkomstig zijn.
2.8.
Het is partijen uiteindelijk niet gelukt om tot een oplossing te komen voor hun geschil.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vordert samengevat:
primair: te verklaren voor recht dat [gedaagden] aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade ten gevolge van de non-conformiteit en tekortkomingen en [gedaagden] te veroordelen tot betaling van € 37.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2024;
subsidiair: te verklaren voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen in die zin dat de koopprijs met een bedrag van € 37.400,00 word verminderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2024;
meer subsidiair: te verklaren voor recht dat [gedaagden] gehouden is tot vergoeding van de geleden schade ten gevolge van de onrechtmatige daad en [gedaagden] te veroordelen tot betaling van € 37.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2024;
voorwaardelijk: voor recht te verklaren dat [gedaagden] aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade ten gevolge van de tekortkomingen in het geval blijkt dat de vierkante meters op de zolderverdieping niet zijn inbegrepen in de 160 vierkante meters woonruimte van de woning en [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat;
zowel primair, subsidiair, meer subsidiair als voorwaardelijk: [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eisers] voert aan dat sprake is van non-conformiteit, omdat de woning niet de eigenschappen bezit die [eisers] daarvan op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Volgens [eisers] is [gedaagden] daarom op grond van artikel 6:74 Burgerlijk wetboek (hierna: BW) gehouden om de schade ad 37.400,00 te vergoeden. Subsidiair stelt [eisers] dat hij bij het sluiten van de koopovereenkomst heeft gedwaald. Als [eisers] had geweten van de knallende geluiden, had hij de overeenkomst niet (onder dezelfde voorwaarden) gesloten. Op grond van artikel 6:230 lid 2 BW is [gedaagden] daarom schadevergoeding verschuldigd. Meer subsidiair is [gedaagden] volgens [eisers] gehouden om de schade te betalen uit hoofde van onrechtmatige daad. Voor het geval de zolder wordt gekwalificeerd als ‘overige inpandige ruimte’ en niet als verblijfsruimte, stelt [eisers] zich op het standpunt dat hij in dat geval te veel voor de woning heeft betaald, omdat de zolder wel als verblijfsruimte bij de koop is aangemerkt en dit duurder is dan wanneer de zolder als ‘overige inpandige ruimte’ was aangemerkt. [eisers] verzoekt in dat geval een verwijzing naar de schadestaatprocedure.
3.3.
[gedaagden] voert verweer en stelt dat hij op grond van de artikelen 6.3 en 10.1 van de koopovereenkomst alleen aansprakelijk is voor gebreken die het normale gebruik van de woning in de weg staan en dit gebrek al aanwezig was bij het sluiten van de overeenkomst. Volgens [gedaagden] is geen sprake van een gebrek en als dit er al zou zijn, staat dit het normale gebruik van de woning niet in de weg en was dit ten tijde van het sluiten van de overeenkomst (nog) niet aan de orde. Verder stelt [gedaagden] dat van dwaling geen sprake is, omdat hij geen onjuiste informatie heeft verschaft en bovendien niet bekend was met de knallende geluiden. Wat betreft de voorwaardelijke vordering van [eisers] , betwist [gedaagden] dat sprake is van schade.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Gebrek
4.1.
De primaire vordering van [eisers] is gebaseerd op zijn stelling dat de woning niet de eigenschappen bezit die [eisers] daarvan op grond van de overeenkomst mocht verwachten, zodat sprake is van non-conformiteit.
4.2.
Non-conformiteit is uitgewerkt in artikel 7:17 BW. Lid 1 van dit artikel bepaalt dat de zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Volgens lid 2 beantwoordt een zaak niet aan de overeenkomst indien zij niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Partijen hebben in de artikelen 6.1 en 6.3 van de koopovereenkomst een van artikel 7:17 BW afwijkende regeling getroffen. Op grond van de artikelen 6.1 en 6.3 van de koopovereenkomst heeft [eisers] de woning aanvaard in de staat waarin deze zich bevindt, met dien verstande dat [gedaagden] instaat voor de afwezigheid van gebreken (op het moment van levering van de woning) die het normale gebruik als woonhuis verhinderen, voor zover deze niet bekend of kenbaar waren voor [eisers] op het moment van het tot stand komen van de koopovereenkomst.
4.3.
Artikel 6.3 betreft een standaardbepaling die vrijwel in iedere koopovereenkomst voor een woning wordt opgenomen. Bij de vraag hoe een “normaal gebruik” zoals bepaald in artikel 6.3 moet worden uitgelegd, komt het daarom allereerst aan op de betekenis die partijen naar gangbaar spraakgebruik redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen. Naar gangbaar spraakgebruik houdt een normaal gebruik als woonhuis in dat de woning op een voldoende veilige manier kan worden bewoond, met een redelijke mate van duurzaamheid en zonder dat het woongenot wezenlijk wordt aangetast. Bij de vraag of sprake is van een “normaal gebruik” kan ook de staat van de woning, de prijs, de ouderdom van de woning en de mededelingen van de verkoper of makelaar een rol spelen.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport van [bedrijf 1] en de door [eisers] overgelegde beeld- en geluidsfragmenten volgt dat sprake is van een gebrek dat het normale gebruik van de woning als woonhuis verhindert en licht dit als volgt toe.
4.5.
Na de inspectie van 26 februari 2025 en na de geluidsmeting door [bedrijf 1] – waarbij gebruik is gemaakt van daarvoor geschikte apparatuur – die op de zolder van ’s ochtends 30 april 2025 tot ’s middags 2 mei 2025 is verricht, heeft [bedrijf 1] antwoord gegeven op de aan hem gestelde onderzoeksvragen. [bedrijf 1] heeft al vaker onderzoek gedaan naar zogeheten “knaldaken”, hetgeen de waarde vergroot die aan het rapport van [bedrijf 1] kan worden toegekend. Afgezien van kleine onjuistheden in het rapport die later worden uitgelegd, is het rapport uitvoerig en goed onderbouwd. Daartegenover staat het rapport van [persoon] . De rechtbank overweegt dat [persoon] bij zijn onderzoek geen geluidsmeting heeft verricht en ook verder geen onderzoek heeft gedaan naar de beschikbare geluidsdata. Daarnaast antwoordt [persoon] op de vraag of hij knalgeluiden heeft waargenomen dat hij 15 a 20 minuten op de zolder is geweest en tijdens dat bezoek geen geluiden uit het dak heeft waargenomen. Uit de audio-opname die tijdens het bezoek van [persoon] is gemaakt volgt echter dat [persoon] de knallende/tikkende geluiden wél heeft gehoord (bijlage 3,25). Dit maakt zijn rapport dan ook minder betrouwbaar.
4.6.
Over de stelling van [gedaagden] dat bij het rapport van [bedrijf 1] geen hoor en wederhoor is toegepast en daarom minder waarde aan het rapport moet worden toegekend, overweegt de rechtbank als volgt. Voor de inspectie van [bedrijf 1] van 26 februari 2025 was ook [gedaagden] uitgenodigd. Op deze uitnodiging heeft [gedaagden] echter niet gereageerd. De opmerking van [gedaagden] dat de dag van de inspectie hem pas enkele dagen ervoor bekend werd en hij op die korte termijn geen mogelijkheid had om bij het onderzoek aanwezig te zijn, waardoor geen hoor en wederhoor kon worden toegepast, kan de rechtbank niet volgen. Het had dan immers op de weg van [gedaagden] gelegen om aan [bedrijf 1] mee te delen dat hij die dag verhinderd was en te vragen om een andere datum. Door dit niet te doen, is het aan [gedaagden] zelf te wijten dat bij het onderzoek geen hoor en wederhoor is toegepast.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank dan ook uit van de juistheid van het rapport van [bedrijf 1] .
4.7.
Een van de vragen die [bedrijf 1] heeft beantwoord is of de knalgeluiden de norm overschrijden. Uit het antwoord van [bedrijf 1] volgt dat het maximaal toelaatbare geluidsniveau 45 decibel bedraagt. Tijdens voornoemde periode zijn in totaal 127 knalgeluiden uit het dak waargenomen die de 50 decibel overschrijden. Het geluidsniveau van de knallen zat meestal rond de 55-65 decibel met uitschieters tot 77,4 decibel. De knallen komen dus ruim boven het toelaatbare geluidsniveau uit en zijn frequent waarneembaar.
4.8.
De oorzaak van de knallende geluiden is volgens [bedrijf 1] de werking van het dak, hetgeen te wijten is aan de montage van de dakconstructie en de gebruikte of juist niet gebruikte materialen (een en ander zoals uitgewerkt in rechtsoverweging 2.5 van dit vonnis). Zelfs als de rechtbank was uitgegaan van de juistheid van het rapport van [persoon] , dan volgt ook uit dat rapport dat uit de bouwpraktijk bekend is dat dakconstructies waarin geïsoleerde sandwich dakplaten zijn toegepast, kunnen leiden tot geluidproductie. Daarmee staat voldoende vast dat de oorzaak van de knalgeluiden is gelegen in de dakconstructie en de montage. De rechtbank is het overigens met [persoon] eens dat een zekere mate van werking van het dak geaccepteerd moet worden. In dit geval is echter sprake van zodanig luide knallen met een zodanige regelmaat dat deze knallen beschouwd moeten worden als een gebrek.
4.9.
In zijn rapport geeft [bedrijf 1] verder aan dat de onderliggende oorzaak van de knalgeluiden al aan de orde moet zijn geweest ten tijde van de overdracht van de woning. De stelling van [gedaagden] dat de knallende geluiden worden veroorzaakt door de zonnepanelen die [eisers] na de levering van de woning heeft geplaatst, en er zodoende op het moment van levering nog geen sprake was van een gebrek, volgt de rechtbank niet. Zoals [bedrijf 1] in zijn rapport aangeeft, is het voorstelbaar dat het dak door de zonnepanelen wellicht iets meer geluiden is gaan produceren, maar is de invloed hiervan op de resultaten van de geluidsmeting minimaal en leidt dat niet tot andere conclusies. Bovendien is het ook voorstelbaar dat de zonnepanelen er juist voor zorgen dat de knalgeluiden afnemen.
4.10.
Verder speelt in dit verband mee dat de knallen al voor het plaatsen van de zonnepanelen hoorbaar waren. Dit volgt uit het feit dat de zonnepanelen op 7 augustus 2024 zijn geplaatst en [eisers] op 5 augustus 2024 aan [bedrijf 3] (die een bouwkundige inspectie heeft uitgevoerd) een e-mail heeft verstuurd waarin [eisers] aangeeft dat er knallen te horen zijn vanuit het dak (bijlage 1,8).
4.11.
Het voorgaande maakt dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van een gebrek dat al ten tijde van de levering aanwezig was. De opmerking van [gedaagden] dat hij de knalgeluiden nooit heeft gehoord toen hij zelf nog in de woning woonde, maakt dit niet anders.
4.12.
De volgende vraag is of de gebrekkige dakconstructie en de daaruit voortvloeiende knalgeluiden ervoor zorgen dat deze het normale gebruik van de woning als woonhuis verhinderen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en licht dit als volgt toe. [eisers] heeft aangevoerd dat hij de zolder als slaapkamer wilde gebruiken. Door de luide en frequente knallen bleek dit echter niet mogelijk. [eiser] slaapt daarom al 2 jaar op de bank. [eiseres] slaapt bij haar dochter op de slaapkamer. De rechtbank acht de stellingen van [eisers] hierover geloofwaardig. Niet alleen vanwege de emoties die dit onderwerp opriep tijdens de mondelinge behandeling, maar ook vanwege de eigen waarneming van de overgelegde USB-stick met beelden en geluid, waaruit duidelijk blijkt dat de knallen zodanig zijn dat geheel invoelbaar is dat daardoor niet op de bovenste verdieping geslapen kan worden. Tenslotte ondersteunen de meetgegevens van deskundige [bedrijf 1] dat de geluidssterkte en frequentie van de knallen abnormaal waren.
4.13.
[gedaagden] heeft aangevoerd dat de zolder niet als woonruimte verkocht is. [eisers] stelt daarentegen dat al bij de bezichtiging is aangegeven dat van de zolder een slaapkamer gemaakt zou worden. De rechtbank passeert het argument dat de zolder niet voor bewoning bestemd was, met name omdat in de verkoopbrochure zelf is opgenomen dat op de zolder een 3e of 4e slaapkamer kan worden gerealiseerd. De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat sprake is van een gebrek dat het normaal gebruik van de woning als woonhuis in de weg staat.
Meldplicht
4.14.
[gedaagden] verwijt [eisers] dat hij niet tijdig aan zijn meldplicht heeft voldaan door pas voor het eerst op 27 augustus 2024 aan [gedaagden] te melden dat hij last heeft van knalgeluiden, terwijl de koopovereenkomst al op 25 maart 2024 is gesloten en de levering op 1 juli 2024 heeft plaatsgevonden.
4.15.
Artikel 7:23 BW bepaalt dat [eisers] zich niet kan beroepen op non-conformiteit van de woning als hij niet binnen bekwame tijd melding van het gebrek heeft gemaakt.
4.16.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisers] verklaard dat er na de levering van de woning eerst drie tot vier weken is verbouwd, in welke periode [eisers] niet in de woning heeft gewoond. Om die reden heeft hij de knalgeluiden op dat moment dus nog niet in die ernst kunnen waarnemen dan zoals hij dit deed toen hij erna de woning betrok. [eisers] legt uit dat hij tijdens de verbouwing weliswaar een enkele keer een knalgeluid heeft gehoord, maar hij eerst wilde afwachten of dit een toevalligheid was en dit vanzelf weer zou weggaan. Uiteindelijk heeft [eisers] op 5 augustus bij [bedrijf 3] gemeld dat er knallen hoorbaar waren. Hierna heeft [eisers] het rapport van [bedrijf 3] afgewacht. De rechtbank overweegt dat het logisch is dat [eisers] niet bij het eerste hoorbare geluid melding heeft gemaakt bij [gedaagden] , maar eerst de uitkomst van het rapport van [bedrijf 3] heeft afgewacht. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat artikel 7:23 BW tot doel heeft dat de verkoper, in dit geval [gedaagden] , niet in zijn bewijspositie wordt geschaad op het moment dat een gebrek pas laat wordt gemeld. [gedaagden] is echter niet in zijn bewijspositie geschaad, omdat het dak nog naderhand, ook na het plaatsen van de zonnepanelen, onderzocht kon worden. De rechtbank is dus van oordeel dat [eisers] haar meldingsplicht niet heeft geschonden.
Tussenconclusie
4.17.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat artikel 6.3 van de koopovereenkomst is geschonden en de woning niet voldoet aan wat [eisers] daarvan op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Hiermee staat vast dat [gedaagden] tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenis en daarom gehouden is de schade van [eisers] te vergoeden.
Schade
4.18.
De schade bestaat volgens [eisers] uit een bedrag van € 37.400,00 aan kosten om het dak te herstellen. Dit bedrag is gebaseerd op de door [bedrijf 1] begrote herstelkosten (bijlage 1,10). [gedaagden] voert verweer tegen dit schadebedrag. De rechtbank overweegt dat de door [bedrijf 1] gehanteerde bedragen redelijk lijken. Daar komt bij dat het gevorderde bedrag is gebaseerd op de herstelkosten zoals deze worden begroot door [bedrijf 1] . De praktijk leert dat de daadwerkelijk te betalen herstelkosten doorgaans hoger uitvallen. Bovendien dateert de begroting van 4 juni 2025. Door de inflatie lijkt het reëel dat de kosten hedendaags duurder zouden uitvallen. Het voorgaande maakt dat de door [bedrijf 1] begrote herstelkosten de rechtbank redelijk voorkomen, zodat een bedrag van € 37.400,00 aan schade wordt toegewezen.
4.19.
[eisers] vordert wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 11 september 2024. De rechtbank is met [gedaagden] van oordeel dat het rapport van [bedrijf 1] met de daarin opgenomen kostenbegroting pas op 13 juni 2025 aan [gedaagden] is verstuurd, waardoor er geen rente verschuldigd kan zijn vóór die datum. De rechtbank zal de wettelijke rente dan ook toewijzen vanaf 13 juni 2025.
4.20.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
Verklaring voor recht
4.21.
Naast een veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 37.400,00 vordert [eisers] een verklaring voor recht dat [gedaagden] aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade ten gevolge van de aan [gedaagden] toe te rekenen non-conformiteit en tekortkomingen. Dat deel van de vordering wijst de rechtbank af. De rechtbank ziet het belang van dat deel van de vordering niet in, omdat de daarop voortbouwende veroordeling tot betaling van de schade al wordt toegewezen. [eisers] heeft zijn belang verder ook niet toegelicht, dus dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
Voorwaardelijke vordering
4.22.
[eisers] vordert verder een verklaring voor recht dat [gedaagden] aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade in geval mocht blijken dat de vierkante meters op de zolderverdieping niet zijn inbegrepen in de 160 vierkante meter woonruimte in de woning. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de zolder als een andere ruimte dan woonruimte is verkocht, zodat aan een beoordeling van de voorwaardelijk vordering niet wordt toegekomen.
Proceskosten
4.23.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
157,76
- griffierecht
€
1.414,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.432,76
4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 37.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.432,76, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dethmers en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.