Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9865

2026-09-16 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/03/334930 / HA ZA 24-441
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/03/334930 / HA ZA 24-441
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bodemprocedure. Eindvonnis. Gedeeltelijke ontbinding van overeenkomst van aanneming van werk wegens tekortkoming aannemer.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.024 tekens)
RECHTBANK Limburg


Civiel recht



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: C/03/334930 / HA ZA 24-441





Vonnis in verzet van 16 september 2026





in de zaak van





[aannemer] h.o.d.n. [handelsnaam] ,
wonende te [plaats] ,
opposant in verzet,
gedaagde,
hierna te noemen: [aannemer] ,
advocaat: mr. J.E.A. Hendrix,



tegen





[opdrachtgever]
,
wonende te [plaats] ,
geopposeerde in verzet,
eiseres,
hierna te noemen: [opdrachtgever] ,
advocaat: mr. M. De Jong.






1De procedure


1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in verzet van 4 maart 2026 (hierna: ‘het tussenvonnis’),
- de akte na tussenvonnis met productie 9 van [aannemer] ,
- de antwoordakte van [opdrachtgever] .



1.2.
Daarna is opnieuw vonnis bepaald.





2Het tussenvonnis en de bewijslevering


2.1.
De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis. In het tussenvonnis is [aannemer] in de gelegenheid gesteld feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat partijen hebben afgesproken dat de dakkapellen aan de binnenzijde nog zouden worden afgewerkt door een derde.



2.2.
In het kader van deze bewijsopdracht heeft [aannemer] een schriftelijke verklaring van de heer [persoon] (hierna: [persoon] ) als productie 9 overgelegd.


2.3.
Bij de waardering van het schriftelijke bewijsstuk stelt de rechtbank het volgende voorop. Om te slagen in de bewijsopdracht hoeft [aannemer] niet met absolute zekerheid feiten en omstandigheden te bewijzen, waaruit volgt dat partijen hebben afgesproken dat de dakkapellen aan de binnenzijde nog zouden worden afgewerkt door een derde. Het gaat erom dat deze feiten en omstandigheden in voldoende mate aannemelijk zijn geworden op grond van het bewijs dat voorhanden is.





3De standpunten van partijen na de bewijslevering


3.1.

[aannemer] heeft in zijn akte na tussenvonnis het standpunt ingenomen dat hij is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Hiertoe stelt hij dat [persoon] heeft verklaard dat hij twee gipsplaten bij [opdrachtgever] heeft vernieuwd en dat [opdrachtgever] heeft aangegeven zelf de binnenzijde van de dakkapel te zullen schilderen. Volgens [aannemer] staat hiermee voldoende vast dat de werkzaamheden zijn verricht door een derde.



3.2.

[opdrachtgever] heeft zich daarentegen in haar akte op het standpunt gesteld dat [aannemer] niet is geslaagd in de bewijsopdracht. Volgens [opdrachtgever] volgt uit de verklaring van [persoon] namelijk niet dat hij gipsplaten in de zijwanden van de dakkappelen vervangen zou hebben en ook niet dat een afspraak met een derde zou zijn gemaakt voor het afwerken van de binnenzijde. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij twee foto’s in het geding gebracht waaruit volgens haar blijkt dat de door [persoon] vervangen gipsplaten enkel de plafondplaten betreffen en niet de platen in de zijwanden.





4De verdere beoordeling



De bewijsopdracht




4.1.
Naar oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat partijen hebben afgesproken dat de dakkapellen aan de binnenzijde zouden worden afgewerkt door een derde. Hiertoe overweegt zij als volgt. Uit de verklaring van [persoon] volgt weliswaar dat hij twee gipsplaten heeft vernieuwd, maar hij heeft niet gespecificeerd of dit gipsplaten in het plafond of de zijwanden betreffen. Gelet op de foto’s die [opdrachtgever] in het geding heeft gebracht is het aannemelijk dat [persoon] enkel de gipsplaten in het plafond heeft vervangen en niet in de zijwanden. Dat [opdrachtgever] zou hebben aangegeven richting [persoon] dat zij de binnenkant zelf zou schilderen maakt de zaak niet anders. Enkel het schilderen van de binnenzijde van de dakkapellen zorgt niet voor een zodanige afwerking dat de doorgeslagen nagels niet meer zichtbaar zouden zijn. [aannemer] heeft hiermee onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een derde de binnenzijde van de dakkapellen, waartoe ook de wanden behoren (waar het in dit geval voornamelijk om gaat), zou afwerken.



4.2.
Dat [aannemer] niet is geslaagd in de bewijsopdracht is van belang voor de beoordeling van de vorderingen van [opdrachtgever] . In het tussenvonnis is reeds overwogen dat een dakkapel waarbij aan de binnenzijde enkele nagelpunten van de buitenbekleding doorsteken in beginsel niet voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Dit levert aldus een tekortkoming op aan de zijde van [aannemer] .




Ontbinding van de overeenkomst





4.3.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis reeds overwogen dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van [aannemer] , bestaande uit het niet-afgeronde schilderwerk en de nog niet uitgevoerde afwerking van de ramen en de kozijnen. Daar komt het gebrek in de afwerking van de dakkapellen (doorgeslagen nagels) bij. Deze drie gebreken rechtvaardigen niet – zoals de rechtbank reeds bij tussenvonnis heeft overwogen – de algehele ontbinding van de aannemingsovereenkomst. Dit betekent dat de primaire vorderingen van [opdrachtgever] gereedliggen voor afwijzing.



4.4.
De drie gebreken rechtvaardigen naar oordeel van de rechtbank wel een gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst op grond van artikel 6:265 BW. Bij tussenvonnis is reeds vastgesteld dat [aannemer] in verzuim is, zodat het beroep van [opdrachtgever] op gedeeltelijke ontbinding slaagt. De subsidiaire vordering onder 3. zal worden toegewezen.



De gevorderde vergoeding van € 34.696,-





4.5.
Gedeeltelijke ontbinding houdt een evenredige vermindering in van de wederzijdse prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid en heeft tot gevolg dat de overeenkomst met een gewijzigde inhoud voortleeft. Voor het ontbonden gedeelte zijn partijen van hun verbintenis bevrijd. Is reeds meer verricht dan waartoe men na gedeeltelijke ontbinding is gehouden dan ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. Daarnaast kan de partij van wie de tekortkoming heeft geleid tot de ontbinding verplicht zijn aan de wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt doordat geen wederzijdse nakoming, maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt.



4.6.

[opdrachtgever] vordert in geval van partiële ontbinding een vergoeding van € 34.696,-. Hoewel in het petitum van haar (gewijzigde) eis is vermeld dat dit een bedrag betreft ‘ten titel van ongedaanmakingsverbintenis’ begrijpt de rechtbank uit de onderbouwing van deze vordering dat [opdrachtgever] geen (gedeeltelijke) terugbetaling wenst van de door haar betaalde aanneemsom, maar dat zij een vergoeding wenst van de kosten van herstel van de gebreken aan het werk. Dit betreft de in artikel 6:277 BW bedoelde schadevergoeding; het gaat immers om het bedrag dat [opdrachtgever] stelt extra te moeten betalen, nu het (herstel)werk door een derde moet worden verricht. De rechtbank begrijpt de vordering van [opdrachtgever] daarom aldus dat zij een beroep doet op schadevergoeding in de zin van artikel 6:277 BW. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.



4.7.
Aangezien de (toerekenbare) tekortkomingen van [aannemer] grond voor gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst hebben opgeleverd, is hij op grond van artikel 6:277 lid 1 BW verplicht de schade die [opdrachtgever] door zijn tekortkomingen lijdt te vergoeden. De rechtbank begroot die schade – nu [opdrachtgever] de aanneemsom van € 41.000,- volledig heeft voldaan en daarvan geen restitutie vordert – op grond van de kosten die [opdrachtgever] moet maken om de schilderwerkzaamheden te laten afronden, de ramen en kozijnen te laten afwerken en de binnenzijde van de dakkapellen (doorgeslagen nagels) te laten herstellen.



4.8.

Zoals reeds overwogen vordert [opdrachtgever] als vergoeding van de afwerkings- en herstelkosten een bedrag van € 34.696,- incl. btw. Zij baseert zich hierbij op het door haar als productie 24 ingebrachte partijdeskundigenrapport. Het bedrag van € 34.696,- incl. btw ziet blijkens het rapport op herstelkosten van het schilderwerk (ad € 4.840,-), het vervangen van de kozijnen (€ 6.866,-), de dakkapel inclusief zijpanelen (€ 18.150,-) en de boeiboorden (€ 4.840,-).

[aannemer] heeft de door [opdrachtgever] gestelde omvang van de schadevergoedingsverplichting
betwist en heeft zelf een tweetal offertes overgelegd. De eerste offerte komt uit op
€ 6.655,- incl. btw, gebaseerd op de posten (1) steigerbouw, (2) ramen afwerken,
(3) schilderwerkzaamheden, (4) windveer maken, (5) plastisol plaatsen en (6) gespleten sierstrip maken. De tweede offerte bedraagt € 6.292,- incl. btw, op grond van de posten (1) steiger opbouwen, (2) ramen afwerken rubbers schilderwerk klein werkzaamheden, (3) windveer ondergrond maken en (4) plastisol monteren conform contact met [aannemer] . Op basis van het gemiddelde tussen deze offertes stelt [aannemer] dat de kosten voor het afmaken van het werk € 6.473,50 incl. btw bedragen.




4.9.

De rechtbank overweegt dat het deskundigenrapport, waarop [opdrachtgever] haar vordering baseert, niet bruikbaar is voor het bepalen van de schadevergoedingsverplichting. De deskundige heeft het werk immers getoetst aan de normen van goed en deugdelijk werk, professioneel vakmanschap en de specifieke vereisten die gelden voor restauratie van monumentale panden. Dit volgt uit het antwoord op vraag 1 van de onderzoeksvragen. Dat het dak moest worden gerestaureerd conform de eisen voor een monumentaal pand was echter niet het uitgangspunt van de overeenkomst tussen partijen en kan daarom ook niet dienen als grondslag voor de beoordeling in deze zaak. Zoals reeds in het tussenvonnis overwogen komt de omstandigheid dat beide partijen niet op de hoogte waren van de monumentale status van het pand voor rekening van [opdrachtgever] als eigenaar van de woning. De rechtbank begrijpt weliswaar dat [opdrachtgever] op grond van de omgevingsvergunning het dak dient te restaureren conform de vereisten voor monumenten, maar dit komt niet voor rekening van [aannemer] . De door de deskundige beraamde herstelkosten zijn wegens de onjuiste norm te hoog en kunnen daarom in deze procedure niet dienen als grondslag voor de door [aannemer] te betalen schadevergoeding. Daarbij merkt de rechtbank op dat [opdrachtgever] onterecht het herstel van de boeiboorden noemt in het kader van de schadevergoedingsverplichting. Dit is niet aan de orde. In het tussenvonnis heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat deze tekortkoming niet toerekenbaar is aan [aannemer] . De gedeeltelijke ontbinding en de vast te stellen schadevergoedingsverplichting hebben dan ook geen betrekking op dit punt.
De door [aannemer] overgelegde offertes bevatten meer werkzaamheden dan de werkzaamheden waarvoor een schadevergoedingsverplichting bestaat. Daarbij zijn de kosten niet per post gespecificeerd, maar wordt een totaalbedrag genoemd.
De rechtbank kan op basis van de door partijen ingebrachte stukken niet exact berekenen welk bedrag ziet op uitvoering van de specifieke herstelwerkzaamheden en daarom zal de rechtbank het bedrag ex aequo et bono schatten. Gelet op de uit te voeren werkzaamheden en in lijn met de offertes die door [opdrachtgever] zijn ingebracht zal een vergoeding van
€ 5.500 incl. btw worden toegewezen in het kader van de schadevergoedingsverplichting van [aannemer] jegens [opdrachtgever] .




Kosten deskundigenonderzoek





4.10.

[opdrachtgever] vordert – onder verwijzing naar haar producties 24 en 25 – een vergoeding voor de kosten van het deskundigenonderzoek van Loyal Experts ad € 3.025,-. Volgens [opdrachtgever] betreffen dit redelijke kosten die zijn gemaakt ter vaststelling van de schade. [aannemer] betwist deze vordering met het argument dat de rapportage onbruikbaar is omdat deze ziet op herstel conform monumentale vereisten, hetgeen niet aan de orde is.



4.11.
De rechtbank zal deze vordering afwijzen en overweegt daartoe, zoals hiervoor reeds overwogen (rov. 4.9), dat het rapport niet nuttig is gebleken voor deze procedure. De deskundige heeft het werk immers getoetst aan de normen voor restauratie van monumentale panden, hetgeen niet aan de orde was bij het sluiten van de aanneemovereenkomst tussen partijen.



Buitengerechtelijke kosten





4.12.

[opdrachtgever] maakt aanspraak op een bedrag van € 1.285,- aan buitengerechtelijke incassokosten. [aannemer] betwist de verschuldigdheid van deze kosten en voert aan dat hij weliswaar is aangeschreven hierover, maar dat hij toen niet in verzuim was.



4.13.
Als onbetwist staat vast dat [opdrachtgever] [aannemer] heeft aangeschreven en de buitengerechtelijke incassokosten heeft aangezegd. Verder heeft [opdrachtgever] voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De vordering van € 1.285,- als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 786,50 bij een toegewezen hoofdsom van € 5.500,-. De rechtbank zal daarom (het mindere ter hoogte van) € 786,50 toewijzen.



Het verstekvonnis wordt vernietigd





4.14.
De conclusie is dat het verzet van [aannemer] deels gegrond is, zodat het tussen partijen gewezen verstekvonnis niet in stand kan blijven. Dit verstekvonnis zal dan ook worden vernietigd.




Proceskosten





4.15.
Partijen worden over en weer in het ongelijk gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dit een compensatie van de proceskosten in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen. Dit geldt zowel voor de verstek- als de verzetkosten.





5De beslissing


De rechtbank



5.1.
vernietigt het verstekvonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 31 juli 2024 in de zaak C/03/332457/HA ZA 24-310 en ontheft [aannemer] van de in dat vonnis tegen hem uitgesproken veroordelingen,



en, opnieuw rechtdoende





5.2.
ontbindt de overeenkomst van aanneming van werk tussen [opdrachtgever] en [aannemer] voor zover deze betrekking heeft op het schilderwerk, de afwerking van de ramen en kozijnen en de afwerking van de dakkapel;



5.3.
veroordeelt [aannemer] om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 5.500,- inclusief btw ten titel van schadevergoeding als gevolg van de ontbinding;



5.4.
veroordeelt [aannemer] om aan [opdrachtgever] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de buitengerechtelijke kosten ad € 786,50,- te betalen;



5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.




Zie rov. 4.12. van het tussenvonnis.


Zie rov. 4.17. van het tussenvonnis.


Zie rov. 4.17 van het tussenvonnis.


Zie rov. 4.18. van het tussenvonnis.


Artikel 6:270 BW.


Artikel 6:271 BW.


Artikel 6:277 BW.


Zie rov. 2.2. van het tussenvonnis.


Zie productie 8 van [aannemer] .


Zie pagina 5 van productie 24 van [opdrachtgever] ,


Zie rov. 4.10. van het tussenvonnis.


Zie rov. 4.10. van het tussenvonnis.


Artikel 6:97 BW.