Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9864

2026-09-18 Civiel recht; Arbeidsrecht 12285895 \ CV EXPL 26-3409
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-18
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12285895 \ CV EXPL 26-3409
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1507; AR-Updates.nl 2026-1507; Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/315

Inhoudsindicatie

Vordering tot wedertewerkstelling en loonvorderingen worden toegewezen omdat aannemelijk is geworden dat over de verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd overeenstemming is bereikt.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.256 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: 12285895 \ CV EXPL 26-3409




Vonnis in kort geding van 18 september 2026




in de zaak van





[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. L.E.N. Levels (FNV),



tegen





[werkgever]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. L.H. Janssen.





1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 1 juli 2026 met producties 1 tot en met 14;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5;
- het e-mailbericht van [werknemer] van 9 september 2026 met aanvullende producties 15 en 16;
- de mondelinge behandeling van 14 september 2026, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt en waarbij namens [werknemer] een pleitnota is overgelegd die aan het procesdossier is toegevoegd.




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[werknemer] , geboren [geboortedag] 1972, is op [datum] 2025 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij de [werkgever] , in de functie van HR-medewerker binnen het team bedrijfsvoering en burgerzaken, met een loon van € 3.499,32 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en andere emolumenten. De arbeidsduur bedraagt achtentwintig uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Gemeenten van toepassing verklaard.



2.2.

De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar. In artikel 2 van de arbeidsovereenkomst is over een eventueel vervolg van de arbeidsrelatie als volgt bepaald:
“(…)
Tussen werkgever en werknemer is afgesproken dat bij goed functioneren (te beoordelen door de direct leidinggevende van de werknemer), de arbeidsovereenkomst op [datum] 2026 zal worden omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
(…)”




2.3.
Op 18 december 2025 vond een werkoverleg plaats tussen mevrouw [persoon 1] , leidinggevende van [werknemer] (hierna: [persoon 1] ), mevrouw [persoon 2] , HR-adviseur en directe collega van [werknemer] (hierna: [persoon 2] ) en [werknemer] . Tijdens dit overleg is een discussie ontstaan tussen [werknemer] en [persoon 2] .



2.4.

Op 23 februari 2026 stond een evaluatiegesprek gepland tussen [werknemer] en [persoon 1] . Voorafgaand aan het gesprek heeft [persoon 1] aan [werknemer] een document met de titel “evaluatie – en afstemmingsgesprek” (hierna: het document) gestuurd. Het document bevatte uitleg over het doel van het nog te voeren gesprek, de context en omstandigheden op de werkvloer, een algemene beoordeling van [werknemer] en verdere ontwikkel- en aandachtspunten voor [werknemer] . Als conclusie werd in het document opgenomen:
“Om die reden wordt gekozen voor verlenging van het contract met één aanvullend jaar. Dit aanvullende jaar moet ruimte bieden om onder stabielere omstandigheden verdere groei, rust en bestendiging zichtbaar te maken. Het uitgangspunt blijft daarbij om – bij een positieve en structurele ontwikkeling – samen verder te gaan en toe te werken naar een duurzame voortzetting van de samenwerking.”
Tevens werd in het document opgenomen dat de eerder aan [werknemer] toegekende arbeidsmarkttoelage bij verlenging van het contract zou komen te vervallen.




2.5.
Voorafgaand aan het gesprek heeft [werknemer] haar zienswijze op het document naar [persoon 1] gestuurd.



2.6.
Door omstandigheden vond het gesprek uiteindelijk pas plaats op 25 maart 2026. Enkele minuten voor het gesprek werd ook HR-businesspartner, mevrouw [persoon 3] , als deelnemer aan het gesprek toegevoegd. De emoties liepen tijdens het gesprek hoog op. [persoon 1] heeft daarom aan [werknemer] voorgesteld dat zij naar huis zou gaan zodat zij tot rust kon komen. Zij werd vrijgesteld van werk, met behoud van loon.



2.7.
Per e-mail van 2 april 2026 heeft [persoon 1] aan [werknemer] bevestigd dat zij vrijgesteld was van werk met behoud van loon en dat een vervolggesprek zou plaatsvinden op 7 april 2026.



2.8.
Vlak voor het gesprek op 7 april 2026 heeft [werknemer] een e-mail gestuurd aan de afdeling personeelszaken van de [werkgever] met de mededeling dat zij het aanbod tot verlenging van de arbeidsovereenkomst met een jaar aanvaardde.



2.9.
Tijdens het gesprek op 7 april 2026, waarvan een geluidsopname bestaat, deelde [persoon 1] aan [werknemer] mee dat zij nog weinig voedingsbodem zag om de samenwerking met [werknemer] voort te zetten. Daarop reageerde [werknemer] met de mededeling dat zij het aanbod tot verlenging van de arbeidsovereenkomst reeds had aanvaard, waarop [persoon 1] onder meer opmerkte dat geen sprake was van een aanbod en vervolgens het gesprek beëindigde.



2.10.

[werknemer] heeft na het gesprek een gespreksverslag aan [persoon 1] gemaild, waarbij zij tevens aangaf dat zij beschikbaar was voor werk.



2.11.

[persoon 1] heeft dezelfde dag daarop per mail gereageerd met de mededeling dat ze later inhoudelijk zou terugkomen op het verslag van [werknemer] en dat [werknemer] gedurende twee weken een time-out kreeg met behoud van loon.



2.12.

Per schrijven van 16 april 2026 heeft [persoon 1] [werknemer] bericht dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet werd verlengd en dat [werknemer] tot en met
31 mei 2026 werd vrijgesteld van werk met behoud van loon.




2.13.

[werknemer] heeft zich op 29 april 2026 ziekgemeld.





3Het geschil


3.1.


[werknemer] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de [werkgever] te veroordelen:
- [werknemer] binnen vierentwintig uur na datum vonnis toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per (gedeelte van een) dag dat niet aan die veroordeling wordt voldaan;
- tot betaling van het salaris van € 3.499,32 bruto per maand, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten, vanaf 1 juni 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;
- tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% in geval de [werkgever] nalatig blijft de salarisbetalingen tijdig aan [werknemer] te voldoen;
- tot betaling van € 625,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- tot betaling van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van voornoemde bedragen tot de dag van volledige betaling;
- tot betaling van de proceskosten.




3.2.

[werknemer] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [persoon 1] namens de [werkgever] in het document een aanbod tot verlenging van de arbeidsovereenkomst met een jaar heeft gedaan. Dat aanbod is niet herroepen. Per e-mail van 7 april 2026 heeft [werknemer] dat aanbod aanvaard. [werknemer] heeft dat tevens mondeling aan [persoon 1] bevestigd tijdens het gesprek op 7 april 2026. Omdat er al overeenstemming over verlenging van de arbeidsovereenkomst bereikt was, heeft de aanzegging van 16 april 2026 van [persoon 1] geen rechtsgevolg, aldus [werknemer] .



3.3.

De [werkgever] voert verweer en concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] en subsidiair tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure. Zij voert daartoe aan dat de rechtsverhouding tussen partijen is geëindigd per

[datum] 2026 en dat de dagvaarding pas daarna is betekend. Een vonnis in deze procedure over de gevorderde wedertewerkstelling en doorbetaling van het loon van [werknemer] zou daarom een constitutief karakter hebben en een nieuwe rechtsverhouding tussen partijen schapen en dat is niet mogelijk in kort geding. Subsidiair voert de [werkgever] aan dat er geen verlenging van de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen omdat de zinsnede in het document geen formeel aanbod was dat door [werknemer] kon worden aanvaard. Het betrof enkel een concept en een leidraad voor het nog te voeren gesprek. Daarnaast voert zij aan dat [werknemer] tijdens het gesprek van 25 maart 2026 expliciet heeft aangegeven dat zij niet meer wilde samenwerken met [persoon 2] en dat partijen vervolgens gezamenlijk tot de conclusie zijn gekomen dat er onvoldoende basis was voor een verdere samenwerking in de toekomst. [werknemer] heeft zich na het gesprek van 7 april 2026 bovendien niet gedragen alsof zij nog in dienst was, aldus de [werkgever] .




3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling



Toetsingskader




4.1.
De vorderingen van [werknemer] kunnen alleen worden toegewezen als zij daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu het hier gaat om een vordering tot wedertewerkstelling en een loonvordering. Dat zijn vorderingen die naar hun aard een spoedeisend karakter hebben. De kantonrechter neemt dan ook een spoedeisend belang aan de zijde van [werknemer] aan.



4.2.
Verder is vereist dat de aan de vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vorderingen in een nog te voeren bodemprocedure zullen worden toegewezen. Gelet op het voorlopige karakter van de kortgedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op feiten die erkend of onweersproken zijn of die voorshands aannemelijk zijn geworden. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil.



4.3.
De [werkgever] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [werknemer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding. Daartoe heeft zij gesteld dat een vonnis in deze procedure over de gevorderde wedertewerkstelling en doorbetaling van het loon van [werknemer] een uitspraak over de verlenging van de arbeidsovereenkomst zou impliceren en daardoor een constitutief karakter zou hebben, hetgeen niet mogelijk is in kort geding, gelet op het voorlopige karakter daarvan. Dit verweer wordt verworpen omdat [werknemer] geen constitutieve of declaratoire uitspraak heeft gevorderd en dat de aard van de kortgedingprocedure zich er in zijn algemeenheid niet tegen verzet dat er bij de beantwoording van de vraag of een vordering moet worden toegewezen, ook een voorlopig oordeel over het bestaan of de kwalificatie van een overeenkomst wordt gegeven. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [werknemer] ontvankelijk is in haar vorderingen.



Verlenging van de arbeidsovereenkomst?





4.4.
De kern van het geschil is of partijen overeenstemming hebben bereikt over de verlenging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een aanvullend jaar en of [werknemer] op basis daarvan aanspraak kan maken op wedertewerkstelling en loon.



4.5.
Op grond van artikel 6:217 lid 1 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Zowel een aanbod als een aanvaarding daarvan kan in iedere vorm geschieden: door een uitdrukkelijke wilsverklaring of een feitelijk handelen, een nalaten daaronder begrepen. Daarbij geldt dat een overeenkomst (ook) mondeling kan worden gesloten en dat voor het ontstaan van een overeenkomst niet per se een handtekening is vereist. Of een wilsverklaring of een feitelijk handelen als een aanbod respectievelijk aanvaarding daarvan heeft te gelden, is een kwestie van uitleg. Het komt daarbij aan wat partijen hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid en mochten afleiden. Indien een aanbod is gedaan, kan dat aanbod volgens artikel 6:219 lid 2 BW worden herroepen (ingetrokken) zolang het aanbod nog niet is aanvaard.



4.6.

[werknemer] stelt dat zij het aanbod van de [werkgever] , zoals opgenomen in het document, heeft aanvaard en dat daardoor overeenstemming over een verlenging van de arbeidsovereenkomst is bereikt. De [werkgever] heeft aangevoerd dat het document slechts een concept was en enkel bedoeld was als leidraad voor het nog te voeren evaluatiegesprek en dat dit geen formeel aanbod behelsde. Een eventuele verlenging van de arbeidsovereenkomst was nog afhankelijk van het verloop van het evaluatiegesprek, de verdere (interne) afstemming en de daaropvolgende formele besluitvorming, aldus de [werkgever] .



4.7.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter blijkt uit de formuleringen in het document echter dat [persoon 1] zonder enig voorbehoud een aanbod aan [werknemer] heeft gedaan tot verlenging van de arbeidsovereenkomst met een jaar. Verderop wordt in het document bovendien nog ingegaan op de arbeidsmarkttoelage van [werknemer] , die vanwege verminderde prestaties, zou komen te vervallen bij de voorgestelde contractverlenging maar dat dit onverlet zou laten dat verdere ontwikkeling van [werknemer] mogelijk zou blijven. Tevens worden in het document diverse ontwikkelpunten voor [werknemer] opgesomd, hetgeen ook duidt op een verlenging van de samenwerking. Dat dit aanbod pas zou gelden na afloop van het gesprek blijkt niet uit het document. De gehele formulering van het document duidt er juist op dat de beslissing om de arbeidsovereenkomst te verlengen met een jaar al was genomen door de [werkgever] en dat het document dus een ondubbelzinnig aanbod inhield om de arbeidsovereenkomst met een jaar te verlengen. De kantonrechter acht bovendien van betekenis dat het document afkomstig was van [werknemer] ’ direct leidinggevende, [persoon 1] . Juist aan die leidinggevende kende artikel 2 van de arbeidsovereenkomst een centrale rol toe bij de beoordeling van het functioneren van [werknemer] en de beslissing over de voortzetting van het dienstverband. Als het hier daadwerkelijk slechts een voornemen of concept betrof, zoals door de [werkgever] is gesteld, dan had het op de weg van de [werkgever] gelegen om dit nadrukkelijk in het document op te nemen of anders te formuleren.



4.8.

De [werkgever] voert voorts aan dat [werknemer] tijdens het gesprek van
25 maart 2026 expliciet heeft aangegeven dat zij niet meer wilde samenwerken met haar directe collega [persoon 2] en dat partijen vervolgens gezamenlijk tot de conclusie zijn gekomen dat er onvoldoende basis was voor een verdere samenwerking. Voor zover er al een aanbod was gedaan in het document, dan is dat door deze gezamenlijke conclusie komen te vervallen, aldus de [werkgever] . De kantonrechter volgt dit standpunt niet. [werknemer] heeft weliswaar erkend dat tijdens het gesprek op 25 maart 2026 de moeizame samenwerking met [persoon 2] is besproken en dat de emoties hoog opliepen maar zij voert ook aan dat zij na het gesprek er nog steeds van uitging dat de arbeidsovereenkomst zou worden verlengd met een jaar. Enige conclusie ten aanzien van de voortzetting van de arbeidsovereenkomst is volgens haar dan ook niet getrokken tijdens het gesprek. Dat partijen tijdens het gesprek op 25 maart 2025 samen tot de conclusie zijn gekomen dat een voortzetting van de samenwerking niet meer mogelijk was, en de arbeidsovereenkomst dus zou eindigen, zoals door de [werkgever] is gesteld maar door [werknemer] dus is betwist, acht de kantonrechter dan ook niet aannemelijk. Ook de verklaring die [persoon 1] ter zitting heeft afgelegd, biedt voor die lezing van de [werkgever] geen steun. Temeer niet omdat de [werkgever] na dat gesprek wel nog per e-mail met [werknemer] heeft gecorrespondeerd op 2 en 7 april 2026 maar dat daarin niets wordt vermeld over een eventuele gezamenlijk conclusie die zou zijn getrokken ten aanzien van het einde van het dienstverband. Evenmin is gebleken dat de [werkgever] op enig moment aan [werknemer] kenbaar heeft gemaakt dat het aanbod zoals vermeld in het document was ingetrokken of werd herroepen.




4.9.
De [werkgever] heeft nog aangevoerd dat [werknemer] zich na het gesprek op 7 april 2026 ook niet heeft gedragen alsof zij nog werkzaam wilde zijn voor de gemeente. Dat doet echter niet af aan het gegeven dat [werknemer] het aanbod toen al had aanvaard. Voor zover van belang heeft [werknemer] bovendien nog aangevoerd dat zij zich op 29 april 2026 heeft ziekgemeld en dat de bedrijfsarts in het werkhervattingsadvies heeft geoordeeld dat sprake is van werkgerelateerde aspecten die een forse negatieve invloed hebben op haar belastbaarheid. Het advies was dat partijen met elkaar in gesprek zouden gaan om tot een oplossing te komen. [werknemer] heeft onweersproken gesteld dat zij meermaals tevergeefs heeft geprobeerd om tot een gesprek te komen zodat haar in zoverre ook geen verwijt kan worden gemaakt.



4.10.

De conclusie van het voorgaande is dat aannemelijk is geworden dat partijen op
7 april 2026 overeenstemming hebben bereikt over de verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een jaar. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering tot wedertewerkstelling en de loonvorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat toewijzing in deze kortgedingprocedure gerechtvaardigd is. De kantonrechter wijst de vordering tot wedertewerkstelling en de loonvordering daarom toe, met dien verstande dat de gevorderde dwangsommen zullen worden beperkt zoals vermeld in de beslissing.




Wettelijke verhoging





4.11.

Omdat de [werkgever] het loon over de maanden juni tot en met augustus 2026 niet heeft betaald, is zij hierover de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW verschuldigd tot maximaal 50%. Voor toewijzing van de wettelijke verhoging over toekomstig loon vanaf september 2026 bestaat in het kader van dit kort geding geen aanleiding, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

Wettelijke rente





4.12.
De gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen loon en wettelijke verhoging, is inhoudelijk niet weersproken en is gegrond op de wet. De wettelijke rente over het achterstallige loon zal daarom zoals gevorderd worden toegewezen. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen vanaf de datum van dagvaarding, nu gesteld noch gebleken is dat de [werkgever] met de betaling daarvan eerder in verzuim was.



Buitengerechtelijke incassokosten





4.13.
De kantonrechter zal de door [werknemer] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de daarmee verband houdende gevorderde wettelijke rente afwijzen. Onvoldoende onderbouwd is dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van deze procedure.



Proceskosten





4.14.
De [werkgever] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


155,67







- griffierecht


€


753,00







- salaris gemachtigde


€


865,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.917,67













5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt de [werkgever] om [werknemer] binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de [werkgever] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00,



5.2.

veroordeelt de [werkgever] om aan [werknemer] te betalen:
a) het salaris van € 3.499,32 bruto per maand, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 1 juni 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
b) de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het loon over de maanden juni tot en met augustus 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,




5.3.
veroordeelt de [werkgever] in de proceskosten van € 1.917,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.
















































Zie 2.4.