Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9796
2026-09-11
Civiel recht
C/03/355496 / HA RK 26-147
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wraking; verzoek afgewezen. Verwijten zien op bejegening.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.867 tekens)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/355496 / HA RK 26-147
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker]
,
woonachtig te [plaats 1] , thans verblijvende in een psychiatrisch ziekenhuis te [plaats 2] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. N.R. Heilhof.
1De procedure
1.1.
Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in de procedure betreffende een verzoek om verlening van een zorgmachtiging ingevolgde de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) heeft [verzoeker] op 24 augustus 2026 (in de zaak met nummer 354879/ BZ RK 26-1576) mr. R.H.A.M. Beaumont, rechter in de rechtbank Limburg (hierna: de rechter), gewraakt.
1.2.
De advocaat van [verzoeker] heeft op 24 augustus 2026 een schriftelijk stuk ingediend.
1.3.
De rechter heeft op 26 augustus 2026 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend en daarin aangegeven dat hij niet in de wraking berust.
1.4.
De advocaat van [verzoeker] heeft op 3 september 2026 een schriftelijk stuk ingediend.
1.5.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 3 september 2026 behandeld.
Bij de mondelinge behandeling is de advocaat van [verzoeker] verschenen.
1.6.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
In voormeld proces-verbaal is over het wrakingsverzoek opgenomen:
“Betrokkene (opmerking wrakingskamer: hiermee wordt [verzoeker] bedoeld):
Ik ben heel vaak getest, mijn hele leven lang en op het eind van de klinische opname is er
ook een test geweest en daar heb ik ook geen uitslagen van gekregen.
Psychiater:
We kunnen daar nog eens gaan kijken.
Betrokkene wordt plotseling verbaal agressief begint te schreeuwen, tegen de rechter te
schelden en hem te dreigen. De rechter heeft daarop tegen betrokkene gezegd: hey
meneertje, even dimmen, ja?’
Betrokkene:
Ik wil wel kunnen praten, jij laat mij niet praten, jij bent geen goede rechter, ik vind dat jij
mij behandelt als een klein kind. Oude gek dat je bent, ik ben geen meneertje, mafkees dat je
bent. Ik heb er schijt aan dat je rechter bent, ik zeg dat gewoon. Dat laat ik je later nog wel
eens goed merken. Jij neemt mij helemaal niet serieus. Je behandelt mij als een klein kind,
ouwe zak.
Rechter:
Ik neem u wel serieus, daarom heb ik de zaak vorige week juist aangehouden, zodat de arts
hier op de zitting onder andere uw vragen over de diagnostiek kan beantwoorden en het
verzoek om een zorgmachtiging kan toelichten.
Betrokkene:
Hoe durf je zo tegen mij te praten, mafkees. Dit gaat hier om mijn toekomst. Ik wraak deze
rechtbank, ik vind dat jij mij niet serieus neemt en ik wil een andere rechter en ook een
andere psychiater en een andere casemanager.”
2.2.
De advocaat van [verzoeker] heeft als toelichting hierop aangegeven dat [verzoeker]
tijdens de zitting geen reële gelegenheid heeft gekregen van de rechter om zijn standpunt toe te lichten. Op het moment dat [verzoeker] iets wilde zeggen, begon de rechter te zuchten, te puffen, met zijn hoofd te schudden en trok de rechter zijn wenkbrauwen op.
[verzoeker] raakte hierdoor geagiteerd. Van de rechter mag verlangd worden dat hij [verzoeker] (juist in een Wvggz-procedure) op een rustige en respectvolle wijze in staat stelt om gehoord te worden. Hierna heeft de rechter [verzoeker] aangesproken met “meneertje”.
[verzoeker] voelde zich niet serieus genomen en had geen vertrouwen meer in eerlijke onpartijdige rechtspraak door een onpartijdige rechter.
Deze gedragingen van de rechter in onderlinge samenhang bezien leiden ertoe dat er sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid
3De beoordeling
3.1.
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn als uit dat wat de rechter doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of die vrees objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
3.3.
De wrakingsgronden zien op i) de door de rechter niet geboden reële gelegenheid aan [verzoeker] om zijn standpunt toe te lichten, ii) de door de advocaat van [verzoeker] gestelde non-verbale communicatie van de rechter (zoals hiervoor beschreven) en iii)
de door de rechter gemaakte opmerking “meneertje” naar [verzoeker] . Deze verwijten aan de rechter zijn naar het oordeel van de wrakingskamer niet zodanig van aard dat aangenomen dient te worden dat sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid bij de rechter. De wrakingskamer merkt hierbij op dat de rechter volgens het proces-verbaal van de zitting met de psychiater in debat was op het moment dat [verzoeker] het verzoek tot wraking deed. De rechter was er tot op dat moment nog niet aan toegekomen [verzoeker] het woord te geven. Daarnaast ontkent de rechter de door [verzoeker] gestelde non-verbale communicatie van zijn kant. De rechter erkent wel dat hij heeft gezegd “hé meneertje, effe dimmen graag, ja?”.
3.4.
Al met al is de wrakingskamer van oordeel dat de klachten van [verzoeker] in de kern betrekking hebben op de bejegening door de rechter tijdens de zitting. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening partijdigheid van de rechter tegen verzoeker besloten ligt of dat sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, heeft [verzoeker] verder niet aangevoerd.
3.5.
De wrakingskamer zal daarom het verzoek afwijzen.
4De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. Schreurs-van de Langemheen, voorzitter, mr. Beije en mr. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/355496 / HA RK 26-147
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker]
,
woonachtig te [plaats 1] , thans verblijvende in een psychiatrisch ziekenhuis te [plaats 2] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. N.R. Heilhof.
1De procedure
1.1.
Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in de procedure betreffende een verzoek om verlening van een zorgmachtiging ingevolgde de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) heeft [verzoeker] op 24 augustus 2026 (in de zaak met nummer 354879/ BZ RK 26-1576) mr. R.H.A.M. Beaumont, rechter in de rechtbank Limburg (hierna: de rechter), gewraakt.
1.2.
De advocaat van [verzoeker] heeft op 24 augustus 2026 een schriftelijk stuk ingediend.
1.3.
De rechter heeft op 26 augustus 2026 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend en daarin aangegeven dat hij niet in de wraking berust.
1.4.
De advocaat van [verzoeker] heeft op 3 september 2026 een schriftelijk stuk ingediend.
1.5.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 3 september 2026 behandeld.
Bij de mondelinge behandeling is de advocaat van [verzoeker] verschenen.
1.6.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
In voormeld proces-verbaal is over het wrakingsverzoek opgenomen:
“Betrokkene (opmerking wrakingskamer: hiermee wordt [verzoeker] bedoeld):
Ik ben heel vaak getest, mijn hele leven lang en op het eind van de klinische opname is er
ook een test geweest en daar heb ik ook geen uitslagen van gekregen.
Psychiater:
We kunnen daar nog eens gaan kijken.
Betrokkene wordt plotseling verbaal agressief begint te schreeuwen, tegen de rechter te
schelden en hem te dreigen. De rechter heeft daarop tegen betrokkene gezegd: hey
meneertje, even dimmen, ja?’
Betrokkene:
Ik wil wel kunnen praten, jij laat mij niet praten, jij bent geen goede rechter, ik vind dat jij
mij behandelt als een klein kind. Oude gek dat je bent, ik ben geen meneertje, mafkees dat je
bent. Ik heb er schijt aan dat je rechter bent, ik zeg dat gewoon. Dat laat ik je later nog wel
eens goed merken. Jij neemt mij helemaal niet serieus. Je behandelt mij als een klein kind,
ouwe zak.
Rechter:
Ik neem u wel serieus, daarom heb ik de zaak vorige week juist aangehouden, zodat de arts
hier op de zitting onder andere uw vragen over de diagnostiek kan beantwoorden en het
verzoek om een zorgmachtiging kan toelichten.
Betrokkene:
Hoe durf je zo tegen mij te praten, mafkees. Dit gaat hier om mijn toekomst. Ik wraak deze
rechtbank, ik vind dat jij mij niet serieus neemt en ik wil een andere rechter en ook een
andere psychiater en een andere casemanager.”
2.2.
De advocaat van [verzoeker] heeft als toelichting hierop aangegeven dat [verzoeker]
tijdens de zitting geen reële gelegenheid heeft gekregen van de rechter om zijn standpunt toe te lichten. Op het moment dat [verzoeker] iets wilde zeggen, begon de rechter te zuchten, te puffen, met zijn hoofd te schudden en trok de rechter zijn wenkbrauwen op.
[verzoeker] raakte hierdoor geagiteerd. Van de rechter mag verlangd worden dat hij [verzoeker] (juist in een Wvggz-procedure) op een rustige en respectvolle wijze in staat stelt om gehoord te worden. Hierna heeft de rechter [verzoeker] aangesproken met “meneertje”.
[verzoeker] voelde zich niet serieus genomen en had geen vertrouwen meer in eerlijke onpartijdige rechtspraak door een onpartijdige rechter.
Deze gedragingen van de rechter in onderlinge samenhang bezien leiden ertoe dat er sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid
3De beoordeling
3.1.
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn als uit dat wat de rechter doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of die vrees objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
3.3.
De wrakingsgronden zien op i) de door de rechter niet geboden reële gelegenheid aan [verzoeker] om zijn standpunt toe te lichten, ii) de door de advocaat van [verzoeker] gestelde non-verbale communicatie van de rechter (zoals hiervoor beschreven) en iii)
de door de rechter gemaakte opmerking “meneertje” naar [verzoeker] . Deze verwijten aan de rechter zijn naar het oordeel van de wrakingskamer niet zodanig van aard dat aangenomen dient te worden dat sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid bij de rechter. De wrakingskamer merkt hierbij op dat de rechter volgens het proces-verbaal van de zitting met de psychiater in debat was op het moment dat [verzoeker] het verzoek tot wraking deed. De rechter was er tot op dat moment nog niet aan toegekomen [verzoeker] het woord te geven. Daarnaast ontkent de rechter de door [verzoeker] gestelde non-verbale communicatie van zijn kant. De rechter erkent wel dat hij heeft gezegd “hé meneertje, effe dimmen graag, ja?”.
3.4.
Al met al is de wrakingskamer van oordeel dat de klachten van [verzoeker] in de kern betrekking hebben op de bejegening door de rechter tijdens de zitting. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening partijdigheid van de rechter tegen verzoeker besloten ligt of dat sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, heeft [verzoeker] verder niet aangevoerd.
3.5.
De wrakingskamer zal daarom het verzoek afwijzen.
4De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. Schreurs-van de Langemheen, voorzitter, mr. Beije en mr. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.