Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9760

2026-09-16 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12189745 \ CV EXPL 26-1902
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12189745 \ CV EXPL 26-1902
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Huurrecht. Onder servicekosten vallen ook vergoeding voor roerende zaken, waaronder meubilering en stoffering. Beleidsboek artikel 4.3.3. ziet op waardebepaling en gebruiksvergoeding van roerende zaken. Intercom en elektra opgang worden als onroerende zaak beschouwd en maken deel uit van de kale huurprijs. Schade aan gehuurde bij einde huurovereenkomst. Verhuurder moet deel servicekosten en waarborgsom terugbetalen. Tussenvonnis

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.779 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 12189745 \ CV EXPL 26-1902




Vonnis van 16 september 2026




in de zaak van





[huurder]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: LegalSteps B.V.,



tegen





[verhuurder]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[huurder] heeft van 8 augustus 2023 tot en met 30 september 2025 een woning van [verhuurder] gehuurd, gelegen aan [adres] (productie 1 van [huurder] ).



2.2.

Naast de huurprijs van € 1.400,00 per maand betaalt [huurder] een bedrag van
€ 600,00 per maand aan vergoeding voor meubels en stoffering (artikel 4.5 van de huurovereenkomst).





2.3.
Bij aanvang van de huurovereenkomst heeft [huurder] een borgsom aan [verhuurder] betaald van € 2.000,00.



2.4.
Bij brief van 8 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [huurder] [verhuurder] gesommeerd de betaalde bedragen aan servicekosten over de periode van oktober 2023 tot en met december 2024 terug te betalen en het voorschotbedrag aan maandelijkse servicekosten in 2025 aan te passen.



2.5.
Bij brief van 16 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [huurder] [verhuurder] gesommeerd om (naast de servicekosten) de waarborgsom van € 2.000,00 aan [huurder] terug te betalen.



2.6.
Tot op heden heeft [verhuurder] de betaalde bedragen aan servicekosten en de waarborgsom (deels) niet aan [huurder] terugbetaald.





3Het geschil


3.1.

[huurder] vordert - samengevat -;



[verhuurder] te veroordelen tot betaling van € 8.976,00 aan te veel betaalde servicekosten over de periode van 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2024, vermeerderd met de wettelijke rente,


de servicekosten over de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 september 2025 definitief vast te stellen op € 12,00 per jaar, en [verhuurder] te veroordelen tot betaling van € 5.388,00 aan te veel betaalde servicekosten over de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 september 2025, vermeerderd met de wettelijke rente,



[verhuurder] te veroordelen tot betaling van € 2.000,00 aan borgsom, vermeerderd met de wettelijke rente,


de veroordeling van [verhuurder] tot betaling van € 885,00 aan buitengerechtelijke kosten,


de veroordeling van [verhuurder] in de proceskosten met BTW, vermeerderd met de wettelijke rente.





3.2.

[verhuurder] voert verweer. [verhuurder] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [huurder] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [huurder] in de kosten van deze procedure.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



Servicekosten




4.1.

Volgens [huurder] is het door haar betaalde bedrag aan servicekosten per maand van € 600,00 onterecht in rekening gebracht. [verhuurder] heeft de posten wandbekleding, elektra opgang en intercom in rekening gebracht, terwijl deze posten als onroerende zaken dienen te worden beschouwd en daarom verondersteld worden deel uit te maken van de kale huurprijs, aldus [huurder] . Voor de overige opgevoerde posten geldt volgens [huurder] dat [verhuurder] op grond van artikel 7:259 BW verplicht is om jaarlijks een duidelijke specificatie te verstrekken, met de mogelijkheid om onder meer de aanschafwaarde, aanschafdatum en afschrijving te controleren. [verhuurder] heeft niet voldaan aan haar informatieplicht door enkel een Excel sheet te verstrekken en een grote hoeveelheid facturen over te leggen, zodat [huurder] de in rekening gebrachte servicekosten niet kan verifiëren.
Omdat [huurder] niet heeft aangetoond dat de in rekening gebrachte servicekosten terecht en correct zijn, moet worden uitgegaan van het wettelijk vastgesteld standaardbedrag van
€ 12,00 per jaar. [huurder] vordert daarom over de periode 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2024 het te veel betaalde bedrag van € 9.000,00 minus de werkelijke kosten van
€ 24,00 is € 8.976,00 terug. Daarnaast vordert zij over de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 september 2025 het teveel betaalde bedrag van € 5.400,00 minus de werkelijke kosten van € 12,00 is € 5.388,00 terug.




4.2.

Volgens [verhuurder] is het overeengekomen bedrag van € 600,00 per maand voor meubilering en stoffering een vaste overeengekomen vergoeding per maand, die zich niet kwalificeert als een voorschot op servicekosten zoals geregeld in artikel 7 van de huurovereenkomst.
De kantonrechter is van oordeel dat dit standpunt van [verhuurder] niet kan slagen.
In artikel 7:237 lid 3 BW is geregeld dat zaken en diensten worden aangewezen waarvoor de vergoeding moet worden aangemerkt als servicekosten. In de bijlage bij het Besluit servicekosten, onderdeel 3, volgt dat onder servicekosten onder meer de volgende roerende zaken vallen: meubilering, stoffering en overige inboedel. In het Beleidsboek Servicekosten van de Huurcommissie (hierna genoemd ‘het Beleidsboek’) is toegelicht wat hieronder moet worden verstaan. Roerende zaken kunnen weggenomen worden zonder beschadiging van betekenis aan de zaak of de woonruimte te veroorzaken. Voorbeelden hiervan zijn tapijt, laminaat, gordijnen, lampen, koelkast, wasmachine, magnetron en meubilair.
Dat betekent dat de in huurovereenkomst tussen partijen opgenomen vergoeding voor meubels en stoffering in beginsel onder de servicekosten vallen.




4.3.


[verhuurder] stelt zich daarnaast op het standpunt dat de vergoeding voor meubilering en stoffering een vaste contractuele component van de huurprijs betreft die niet afhankelijk is van aanschafwaarde, afschrijving of levensduur van de betreffende zaken.
Dit standpunt van [verhuurder] kan niet slagen.
In artikel 7:259 lid 2 BW is bepaald dat de verhuurder uiterlijk zes maanden na elk kalenderjaar een naar de soort uitgesplitst overzicht aan de huurder verstrekt van de in rekening gebracht servicekosten. Op verzoek van de huurder dient de verhuurder ook inzage te geven in de betreffende facturen en andere bescheiden.
Daarnaast is in het Beleidsboek onder artikel 4.3.3. ten aanzien van de waardebepaling en gebruiksvergoeding van roerende zaken het volgende opgenomen:

Waardebepaling


De waarde van de roerende zaken wordt bepaald op basis van de aankoopfacturen van de verhuurder. Als geen facturen beschikbaar zijn, maar wel inzicht is gegeven in de samenstelling van de roerende zaken, wordt de waarde op basis daarvan geschat. Het gaat dan om een schatting van de verkoopwaarde aan het begin van het boekjaar. Als ook die gegevens niet beschikbaar zijn wordt uitgegaan van het wettelijk vastgestelde standaardbedrag van € 12,00 per jaar.










Gebruiksvergoeding


De gebruiksvergoeding die in rekening gebracht mag worden is afhankelijk van de verwachte levensduur van de zaak. De Huurcommissie gaat over het algemeen uit van een geschatte levensduur van vijf jaar. In dat geval mag jaarlijks 20% van de waarde als gebruiksvergoeding berekend worden. Bij zaken met een geschatte levensduur van tien jaar bedraagt de jaarlijkse gebruiksvergoeding 10% van de waarde. Bij zaken met een geschatte levensduur van vijftien jaar, zoals zonnepanelen, bedraagt de jaarlijkse gebruiksvergoeding 6,67% van de waarde.





4.4.

Uit het als productie 2 door [huurder] overgelegde Excel-overzicht volgt dat [verhuurder] de volgende servicekosten per maand bij [huurder] in rekening heeft gebracht in de periode van 2023 tot en met 2025;
Wandbekleding € 236,77
Vloerbekleding € 48,94
Verlichting € 11,17
Roerende zaken keuken € 67,44
Wasmachine € 9,48
Meubilair € 160,38
Roerende zaken opgang € 22,46
Intercom € 15,04
Electra opgang € 16,50
Gemeente belastingen € 13,37 in 2023, €13,90 in 2024 en € 15,43 in 2025.




4.5.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 4.3.15 van het Beleidsboek volgt dat belastingen en/of heffingen geen onderdeel uitmaken van de servicekosten.
In artikel 8.1 van de huurovereenkomst is opgenomen welke belastingen en andere heffingen voor rekening van de huurder komen.
Een huurder is uitsluitend verplicht deze heffingen aan de verhuurder te betalen wanneer deze de heffingen op eigen naam voor de huurder heeft voldaan (gebruikersbelasting).
De kantonrechter zal [verhuurder] , nu zij zonder gemachtigde procedeert, in de gelegenheid stellen gespecifieerd per jaar aan te tonen welke door haar bij [huurder] in rekening gebrachte gemeentelijke belastingen gebruikerslasten van [huurder] zijn.
De kantonrechter zal de overige posten, die onder servicekosten vallen, hierna achtereenvolgens beoordelen.




Wandbekleding





4.6.


[huurder] stelt zich op het standpunt dat deze post als onroerende zaak moet worden beschouwd en de kosten hiervan worden verondersteld deel uit te maken van de kale huurprijs. Volgens [verhuurder] ziet de wandbekleding op schilderijen, wandverlichting, brandvertragende en zonwerende gordijnen, boekenplanken en shutters. Dit betreft volgens haar roerende zaken en kunnen worden weggehaald zonder noemenswaardige beschadiging van het pand. [verhuurder] verwijst naar de door haar overgelegde facturen, van onder meer de shutters. Volgens [verhuurder] heeft zij per jaar een afschrijving van 20% van de aanschafprijs in rekening gebracht. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de post wandbekleding roerende zaken omvat, welke onder de servicekosten vallen.

[verhuurder] heeft deze post echter onvoldoende met stukken heeft gespecificeerd.
Het overleggen van een pak facturen, waarin de kantonrechter zelf moet zoeken welke factuur op welke (onderdeel van een) post van toepassing is, zoals [verhuurder] dat in de procedure heeft voldaan, is daartoe onvoldoende.

[verhuurder] zal daarom in de gelegenheid worden gesteld deze post van € 236,77 per maand te specificeren, door middel van het verstrekken van een duidelijk overzicht van de onderdelen waaruit deze post is opgebouwd en hoe de berekening per onderdeel tot stand is gekomen, onder overlegging van de bijbehorende facturen.
Bovendien dienen de nog in te dienen stukken duidelijk leesbaar te zijn, dat wil zeggen dat ze niet vaag afgedrukt dienen te zijn.




Vloerbekleding, verlichting en roerende zaken keuken





4.7.

Ten aanzien van deze posten geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen. [verhuurder] verwijst ten aanzien van de post vloerbekleding uitsluitend naar een van de vier vloerkleden en de berekening die zij hierbij heeft gemaakt. Het is onduidelijk hoe de onderdelen van deze post en van de andere posten (verder) is opgebouwd en hoe de berekening tot stand is gekomen.

[verhuurder] zal in de gelegenheid worden gesteld de post vloerbekleding van € 48,94 per maand, de post verlichting van € 11,17 per maand en de post roerende zaken keuken van € 67,44 per maand te specificeren, door middel van het verstrekken van een duidelijk overzicht van de onderdelen waaruit deze posten zijn opgebouwd en hoe de berekening per onderdeel tot stand is gekomen, onder overlegging van de bijbehorende facturen.




Wasmachine





4.8.


[verhuurder] heeft ten aanzien van de post wasmachine van € 9,48 per maand verwezen naar de factuur van € 586,00. Deze factuur is terug te vinden onder productie 4, pagina 6 van de conclusie van antwoord. Dit betreft een factuur van Cool Blue van 13 augustus 2020 van een Samsung wasmachine voor een bedrag van € 586,00. De Huurcommissie gaat uit van een geschatte levensduur van tien jaar voor duurzame zaken zoals wasmachines. Voor een nieuwe wasmachine kan een jaarlijkse gebruiksvergoeding in rekening worden gebracht van 10%, zijnde € 58,60 per jaar. Nu [verhuurder] (uitgaande van een maandelijks bedrag van
€ 9,48) hiervoor jaarlijks € 113,76 bij [huurder] in rekening heeft gebracht, heeft zij jaarlijks een bedrag van € 55,16, dat wil zeggen € 4,60 per maand, te veel in rekening gebracht. [verhuurder] dient het totaalbedrag aan teveel in rekening gebrachte servicekosten voor de wasmachine over de periode van oktober 2023 tot en met september 2025 van (24 maanden maal € 4,60 is) € 110,40 aan [huurder] terug te betalen.




Meubilair en roerende zaken opgang





4.9.
Ten aanzien van de posten meubilair en roerende zaken opgang geldt eveneens dat onduidelijk is waar deze posten uit bestaan, hoe de onderdelen van deze posten zijn opgebouwd en hoe de berekening is gemaakt. [verhuurder] zal in de gelegenheid worden gesteld de post meubilair van € 160,38 per maand en de post roerende zaken opgang van € 22,46 te specificeren, door middel van het verstrekken van een duidelijk overzicht van de onderdelen waaruit deze posten zijn opgebouwd en hoe de berekening per onderdeel tot stand is gekomen, onder overlegging van de bijbehorende facturen.







Intercom





4.10.


[huurder] stelt zich op het standpunt dat deze post als onroerende zaak moet worden beschouwd en de kosten hiervan worden verondersteld deel uit te maken van de kale huurprijs. Dit is niet door [verhuurder] weersproken. [verhuurder] heeft ook niet gesteld of onderbouwd op grond waarvan deze kosten als roerende zaak moeten worden beschouwd. Dat betekent dat [verhuurder] de kostenpost van € 15,04 per maand niet bij [huurder] in rekening had mogen brengen, omdat deze deel uitmaken van de kale huurprijs.
Het totaalbedrag over de periode van oktober 2023 en met september 2025 van
(24 maanden maal € 15.04 is) € 360,96 moet [verhuurder] aan [huurder] terugbetalen.




Electra opgang





4.11.
Ten aanzien van de post elektra opgang heeft [huurder] eveneens onweersproken gesteld dat deze post als onroerende zaak moet worden beschouwd en de kosten hiervan worden verondersteld deel uit te maken van de kale huurprijs. Dat betekent dat [verhuurder] de kostenpost van € 16,50 per maand niet bij [huurder] in rekening had mogen brengen, omdat deze deel uitmaken van de kale huurprijs. Het totaalbedrag over de periode van oktober 2023 en met september 2025 van (24 maanden maal € 16,50 is) € 396,00 moet [verhuurder] aan [huurder] terugbetalen.



Conclusie servicekosten





4.12.

[huurder] heeft een bedrag teveel aan servicekosten betaald. Dit deel van de vordering zal eerst in het eindvonnis worden toegewezen.



4.13.
De kantonrechter zal [verhuurder] in de gelegenheid stellen bij akte stukken in het geding te brengen ten aanzien van hetgeen is overwogen in overweging 4.5. over de post gemeentelijke belastingen, overweging 4.6. over de post wandbekleding, overweging 4.7. over de posten vloerbekleding, verlichting en roerende zaken keuken, en overweging 4.9. over de posten meubilair en roerende zaken opgang.



Waarborgsom





4.14.


[huurder] stelt zich op het standpunt dat conform artikel 7:261b BW de volledige borgsom van € 2.000,00 aan haar dient te worden terugbetaald. Volgens [huurder] heeft er geen gezamenlijke inspectie plaatsgevonden bij de start van de huurperiode noch aan het einde van de huurperiode. [huurder] heeft de woning opgeleverd, zoals zij deze bij aanvang van de huurperiode heeft ontvangen, aldus [huurder]

[verhuurder] betwist dit. Volgens [verhuurder] heeft [huurder] de woning met gebreken opgeleverd. Volgens [verhuurder] heeft er een gezamenlijke begininspectie plaatsgevonden en op 30 september 2025 een gezamenlijke eindinspectie. Volgens [verhuurder] is onder meer het bed ernstig beschadigd en heeft [huurder] de schade ook erkend. Zij verwijst naar haar e-mailbericht van 8 oktober 2025 aan [huurder] waarin zij de schade opsomt en naar de reactie hierop van [huurder] bij e-mailbericht van 8 oktober 2025.

[verhuurder] verwijst verder naar de herstelwerkzaamheden die zijn opgenomen in haar e-mailbericht aan [huurder] van 27 oktober 2025 (productie 9a van [verhuurder] ).




In dit overzicht staan de volgende herstelkosten opgenomen:

Borg 2023 € 2.000,00


Bed € 273,39


Schoonmaak & onderhoud € 961,95


Sleutel druppel € 15,83


Deur € 489,00


Stofzuiger
€ 85,66


€ 1.825,83 saldo borg € 174,17


[verhuurder] heeft de totale schade met de waarborgsom verrekend en het resterende bedrag van
€ 174,17 aan [huurder] terugbetaald, aldus [verhuurder] (productie 9b).




4.15.

In artikel 7:261b lid 3 BW is bepaald dat de borgsom moet worden terugbetaald, tenzij er sprake is van schade als bedoeld in artikel 7:218 BW.
In artikel 7:224 lid 2 BW is bepaald dat als bij aanvang van de huurovereenkomst geen beschrijving van het gehuurde is opgemaakt, het vermoeden geldt dat de huurder de woning heeft ontvangen zoals die bij het einde van de huurovereenkomst is opgeleverd.
Indien er wel sprake is van een beschrijving als bedoeld in artikel 7:224 lid 2 BW moet hierin de toestand van de verschillende onderdelen van het gehuurde zodanig concreet en nauwkeurig zijn aangegeven, dat daaruit kan worden afgeleid in welke staat de huurder het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst heeft aanvaard. Uit de beschrijving dient te blijken hoe het gehuurde aan het einde van de huurovereenkomst opgeleverd moet worden. De kantonrechter stelt vast dat [verhuurder] geen beschrijving van het gehuurde heeft overgelegd die door beide partijen is opgemaakt bij aanvang van het gehuurde. [verhuurder] heeft weliswaar foto’s overgelegd als productie 8b die volgens haar afkomstig zijn van de folder Lindenstraat 80A/2023, doch enkel het overleggen van foto’s is onvoldoende om te spreken van een voldoende duidelijke beschrijving. Dit betekent dat ervan wordt uitgegaan dat er geen beschrijving van het gehuurde is opgemaakt. Dat heeft tot gevolg dat [huurder] , met uitzondering van tegenbewijs (uit de wetsgeschiedenis volgt dat is bedoeld dat de verhuurder het tegendeel dient te bewijzen), wordt verondersteld het gehuurde te hebben ontvangen in de staat zoals deze bij het einde van de huurovereenkomst was.
Op [verhuurder] rust de bewijslast dat met betrekking tot de door [huurder] betwiste posten de staat van het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst anders was dan de staat waarin [huurder] het gehuurde heeft opgeleverd.
De kantonrechter is van oordeel dat [verhuurder] haar schade echter onvoldoende heeft onderbouwd, zodat zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan, om te worden toegelaten tot bewijslevering.




4.16.


[verhuurder] verwijst, ter onderbouwing van haar stelling dat [huurder] de schade heeft erkend, naar het e-mailbericht van 8 oktober 2025 van 17.43 uur van [huurder] (productie 9a). Hierin schrijft [huurder] het volgende:
“ Thanks for sending the Overview!

Looking at all the elements that you listed we agree with the following:





broken bed in small bedroom – please send us an invoice of the bed that was in there from the beginning so we count a fair cost for it




1 missing card key – please attach an invoice




1 door damage (the one from where the laundry washer is) – please attach an in invoice with the repairing cost (door does not need to be replaced)






In terms of cleaning elements we agree to pay the cleaning fee for the oven, the laundry washer, and the bathtub drain. Please bear in mind that these items work perfectly fine so there is no need tot replace or fix them, so therefore no extra cost with the exception of cleaning.


Additional notes:





The fact that the fridge was not defrosted does not imply any additional cost as it works perfectly fine, if you would’ve told us from the start to defrost it we would’ve done so but this was not communicated to us beforehand.




We have flagged to you in the past that from the beginning that the vacuum cleaner does not work properly and your response to that was to use the neighbours vacuum cleaner. Given that you refused to provide us a new one we will not count this cost in.




The hooks on the doors have been there since day 1 and weren’t placed by us – probably by old tenants of not you.






For all the rest of the elements we do not agree with as they are false accusations. (..).”




4.17.

De kantonrechter is van oordeel dat uit het voorgaande e-mailbericht van [huurder] volgt dat [huurder] erkent gedurende de huurperiode schade te hebben veroorzaakt aan een bed en een deur. Daarnaast volgt hier ook uit dat een sleuteldruppel ontbreekt.
Daarnaast heeft zij ook erkend dat er door [verhuurder] schoonmaakkosten zijn gemaakt voor de oven, de wasmachine en de afvoer van het bad. De overige opgevoerde posten heeft [huurder] in voornoemd e-mailbericht betwist. Geoordeeld wordt daarom als volgt.




4.18.

Voor wat betreft de kosten van het bed heeft [verhuurder] een factuur overgelegd van een bed van [winkel] van 23 juli 2020 ten bedrage van € 273,39 (productie 9c) Doordat [huurder] het bed heeft beschadigd en bij de oplevering van het gehuurde beschadigd heeft opgeleverd, is zij toerekenbaar tekortgeschoten en schadeplichtig geworden. [huurder] heeft zich niet verweerd tegen de hoogte van deze schadevordering, zodat [verhuurder] op terechte gronden het schadebedrag van € 273,39 met de borgsom heeft verrekend.
De kantonrechter is van oordeel dat hetzelfde geldt met de verrekening van de schade voor wat betreft het ontbreken van de sleuteldruppel van € 15,83.




4.19.

Uit voornoemd e-mailbericht van [huurder] volgt dat zij ook erkent aansprakelijk te zijn voor de schade aan de deur, doch uitsluitend voor de herstelkosten en niet voor de aanschafkosten van een nieuwe deur. [verhuurder] heeft een factuur overgelegd van de Bouwmarktshop.nl van 21 oktober 2025 van een nieuwe deur ten bedrage van € 489,00. [verhuurder] heeft echter niet onderbouwd waarom herstel van de deur niet meer mogelijk was.

[huurder] stelt zich op het standpunt dat [verhuurder] geen herstelnota’s of andere bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Zodoende zal de kantonrechter de kosten van herstel van de deur begroten op de helft van de kosten van een nieuwe deur, zijnde € 244,50. Dit bedrag heeft [verhuurder] op terechte gronden verrekend met de borgsom.




4.20.

Ten aanzien van de post schoonmaak- en onderhoudskosten overweegt de kantonrechter dat [huurder] in haar e-mailbericht van 8 oktober 2025 weliswaar erkend schoonmaakkosten verschuldigd te zijn voor de oven, de wasmachine en de afvoer van het bad, doch dat de in rekening gebrachte kosten ad € 961,95 niet in verhouding staan met deze werkzaamheden. [verhuurder] heeft haar stelling, dat deze kosten zijn gemaakt omdat [huurder] het gehuurde niet heeft opgeleverd in de staat waarin het zich bij aanvang van de huurovereenkomst bevond ook niet verder onderbouwd.
De kantonrechter zal de kosten voor schoonmaak van de oven, de wasmachine en de afvoer van het bad daarom begroten op een bedrag van € 100,00.




Conclusie waarborgsom





4.21.

Op grond van het voorgaande is [verhuurder] gerechtigd een totaalbedrag van € 633,72 te verrekenen met de door [huurder] betaalde borgsom van € 2.000,00, zodat een bedrag resteert van € 1.366,28. Nu [verhuurder] een betalingsbewijs heeft overgelegd van 27 oktober 2025 van terugbetaling van de borgsom ter hoogte van € 174,17, wordt dit bedrag in mindering gebracht. [verhuurder] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 1.192,11
aan borgsom. Dit deel van de vordering zal eerst in het eindvonnis worden toegewezen.




Aanhouding van de zaak





4.22.
De kantonrechter zal de zaak, zoals overwogen in overweging 4.13, verwijzen voor akte indienen stukken aan de zijde van [verhuurder] en voor antwoordakte aan de zijde van [huurder] .



4.23.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 14 oktober 2026 voor het nemen van een akte door [huurder] over wat is vermeld onder overweging 4.13, waarna de wederpartij op de rol van 4 weken daarna een antwoordakte kan nemen,



5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.









Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.