Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9679
2026-09-16
Civiel recht
C/03/350128 / HA ZA 26-92
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Staat wordt aansprakelijk gesteld voor gevolgen overstroming in Limburg in juli 2021. Eisers stellen dat een zogenoemde sifon onvoldoende capaciteit had en daarom een gebrekkige opstal was als bedoeld in artikel 6:174 BW. Ook doen zij een beroep op het schenden van een zorgvuldigheidsnorm. Vordering wordt afgewezen omdat het gestelde gebrek niet op grond van de capaciteit van de sifon kan worden aangenomen en de eveneens gestelde verstopping van de sifon niet in oorzakelijk verband stond met de overstroming.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.546 tekens)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/350128 / HA ZA 26-92
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats] ,2. [eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M.M.J.P. Penners,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. F.J. Lewis.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht van 22 juni 2026 met producties van [eisers] ,- het bericht van 1 juli 2026 met productie van [eisers] ,- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juli 2026,
- de bij gelegenheid van de mondeling behandeling voorgedragen spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De rivier de Geul kruist bij Bunde het Julianakanaal en wordt daar middels een zogenoemde sifon onder het kanaal doorgeleid om daarna uit te monden in de rivier de Maas. De sifon bestaat uit 5 parallele buizen van 2,5 meter breed en 76 meter lang.
2.2.
In juli 2021 is de provincie Limburg door grote wateroverlast getroffen, waarbij onder meer de Geul buiten haar oevers is getreden. Daardoor is water in de tuin behorende bij de woning van [eisers] gestroomd. Tijdens de wateroverlast is de capaciteit van de sifon onvoldoende gebleken om het door de Geul stromende water ter plaatse te verwerken, wat (mede) het buiten de oevers treden van de Geul tot gevolg heeft gehad.
2.3.
[eisers] hebben de Staat aansprakelijk gesteld voor de door hen als gevolg van de overstroming in hun tuin veroorzaakte schade voor zover deze niet door verzekering is gedekt. De Staat heeft aansprakelijkheid afgewezen.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vorderen – samengevat – dat de rechtbank:
- voor recht verklaart dat de Staat aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de wateroverlast in juli 2021,
- de Staat veroordeelt tot betaling van € 25.045,35 en € 1.025,45 te vermeerderen met wettelijke rente,
met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
De Staat voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
[eisers] baseren hun vorderingen op de stelling dat de Staat aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de overstroming van hun tuin. Zij begroten deze schade, voor zover nog niet vergoed, op € 25.045,35. Daarnaast is de Staat volgens [eisers] aansprakelijk voor de door [eisers] gemaakte buitengerechtelijke kosten, die zij begroten op € 1.025,45.
4.2.
Ter onderbouwing van hun standpunt stellen [eisers] dat de de Staat de bezitter is van de sifon die als een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW zou moeten worden geduid dan wel dat de Staat een zorgplicht hebben geschonden. Bij de beoordeling van deze stellingen is de in opdracht van het Waterschap Limburg door Deltares gemaakte analyse van de overstromingen in de Geulmonding relevant. Zowel [eisers] als de Staat verwijzen naar die analyse. In het daarvan opgemaakte rapport is onder meer het volgende te lezen:
[onder 1 Inleiding -> 1.2. Casestudie Geulmonding]
Bij de monding van de Geul stroomt het water van de Geul via een sifon onder het Julianakanaal door naar de Maas. Ten oosten van dit kanaal (bovenstrooms van de sifon) zijn de waterstanden extreem hoog geworden, resulterend in overstroming van Bunde, Brommelen, Westbroek, [plaats] en Broekhoven. De waterstanden zijn hier hoog geworden door het samenspel van de hoge waterstand op de Maas, de hoge afvoer op de Geul, en de
opstuwende werking van de sifon. De capaciteit van de sifon zou mogelijk beperkt zijn door verstoppingen met sediment en drijfhout. In dit onderzoek wordt de bijdrage van de verschillende belastingen en onderdelen van het systeem op de hoge waterstanden onderzocht.’
[onder 2 Gebiedsbeschrijving -> 2.3. Toegepaste normering en stresstesten]
Het is belangrijk om op te merken dat de berekeningen die ten grondslag liggen aan de kaarten in Figuur 2.5 gebaseerd zijn op statistische analyse van gemodelleerde historische buien tussen 1906 en 2010, in combinatie met de bijbehorende waterstanden op de Maas. Het samenvallen van een hoge Geulafvoer met een extreem hoge waterstand op de Grensmaas is in de gemodelleerde periode echter niet opgetreden. Hieruit kan ook geconcludeerd worden dat condities zoals in juli 2021 over deze periode (sinds 1906) een kans hebben die kleiner is dan 1:100 per jaar, en dat de waterstanden dus hoger zijn geworden dan in de overstroming van 1:100 in Figuur 2.5 (zie ook paragraaf 3.3.4).3 Een mogelijke (gedeeltelijke) verstopping van de sifon met drijfvuil, huisraad of sediment zou de waterstand nog verder opstuwen dan blijkt uit deze overstromingsbeelden.’
[onder 3 Evaluatie hoogwater juli 2021 -> 3.3.4 Waterstand en herhalingstijd opstuwing sifon]
De hoge waterstand op de Maas, in combinatie met de hoge afvoer op de Geul, heeft bovenstrooms van de sifon onder het Julianakanaal gezorgd voor een grote opstuwing. Deze opstuwing is nog eens versterkt door de gedeeltelijke verstopping van enkele openingen in de sifon. Ten gevolge van de opstuwing werden waterstanden in de Geul tot ongeveer 45 m+NAP bereikt (schatting op basis van waarnemingsverslagen). Het samenvallen van het hoogwater op de Geul en de Maas heeft in belangrijke mate bij gedragen aan deze extreem hoge waterstanden, met zeer kleine kans van voorkomen.
[onder 3 Evaluatie hoogwater juli 2021 -> 3.3.5 Conclusie]
Op basis van de beschikbare historische en modelmatige gegevens wordt de overschrijdingskans van de waterstanden en afvoeren in de Geul van juli 2021 ingeschat tussen de 1:100 en 1:1000 per jaar. Doordat de meeste neerslag in het bovenstroomse deel van het stroomgebied is gevallen, is de overschrijdingskans daar het kleinst: ongeveer 1:900 per jaar. Door de overstromingen en de beperktere aanvoer van water in het Nederlandse
traject is het mogelijk dat de waterstanden in het benedenstroomse deel een iets grotere overschrijdingskans hadden (minder extreem waren) dan in België. Geheel benedenstrooms, bij de sifon, zijn de waterstanden door opstuwing vanuit de Maas zo hoog geworden dat deze een veel kleinere kans van voorkomen hebben gehad. Om voor dit gebied te komen tot een betere inschatting van de overschrijdingskans is het nodig om meer te weten over de kans op samenvallen met het hoogwater op de Maas (coïncidentie). Duidelijk is echter wel dat de
norm waarop het gebied is ontworpen (1:25 tot 1:100 per jaar, zie paragraaf 2.3) bij het hoogwater is overschreden.
[onder 4 Beschouwing sifon Julianakanaal – 4.2 Opstuwing door sifon en hoge waterstand Maas]
In de praktijk wordt vaak gesproken over de capaciteit van de sifon. Deze capaciteit wordt hier gedefinieerd als de maximale afvoer die door de sifon kan worden afgevoerd voordat de Geul buiten haar oevers treedt. Dit gebeurt bij een waterstand van 44.7 m+NAP (stippellijn in Figuur 4.4). Uit de resultaten blijkt dat bij normale (en lage) waterstanden op de Maas dit moment bereikt wordt bij een afvoer van 85 m3/s, vrijwel gelijk aan het moment dat benedenstrooms van de sifon de Geul buiten haar oevers treedt. Pas bij extreme waterstanden op de Maas neemt de capaciteit van de sifon verder af. Bij een Maaswaterstand van 44 m+NAP is de capaciteit afgenomen tot 50 m3/s.
Omdat de Maaswaterstand in juli ruim 44 m+NAP bedroeg en de afvoer van de Geul ver boven de 50 m3/s lag, kan worden geconcludeerd dat de capaciteit van de sifon tijdens het hoogwater van juli 2021 onvoldoende was. Omdat de afvoer van de Geul zelfs meer dan 85 m3/s bedroeg, zou ze ook buiten haar oevers zijn getreden als de waterstand op de Maas laag was geweest. De hoge waterstand op de Maas heeft er wel voor gezorgd dat er veel
meer water naar de overstroomde gebieden stroomde en ook gedurende een veel langere periode.
[onder 4 Beschouwing sifon Julianakanaal – 4.3 Effect verstopping]
Reeds voor het hoogwater was bekend dat onderhoud aan de sifon noodzakelijk was vanwege gedeeltelijke verstopping van enkele openingen. Het aantal openingen dat sterk verstopt was en daardoor de stroming reduceerde, wordt op basis van discussies en analyse van video’s (zie Figuur 4.8) ingeschat op 2 openingen. De mate waarin de overige openingen de doorstroming ten tijde van het hoogwater verhinderden is echter hieruit niet in te schatten. Wel is bekend dat er bij het onderhoud van december 2021/januari 2022 ongeveer de volgende hoeveelheden zijn verwijderd: 840 ton slib, 19 ton hout en 9 ton BSA (Bouw- en sloopafval) (Rijkswaterstaat, 2022). Het is echter niet bekend in welke mate dit vuil al aanwezig was voorafgaand aan het hoogwater, of pas tijdens en na het hoogwater de situatie hebben verergerd. Door de hoge stroomsnelheden tijdens het hoogwater kan ook juist een deel van het sediment in de sifon weer zijn meegevoerd, waardoor de doorstroming tijdens het hoogwater verbeterde. De wisselwerking van deze processen maakt het niet mogelijk een schatting van de verstopping te maken.
In deze analyse wordt daarom theoretisch onderzocht in hoeverre een verstopping van de opening bij zou dragen aan de opstuwing van de waterstanden. Figuur 4.5 geeft schematisch enkele vormen van opstuwing door slib en drijfhout. De belangrijkste component van opstuwing wordt veroorzaakt door slib dat zich heeft verzameld in de onderkant van de sifon (Figuur 4.5-A). Bij lage stroomsnelheden kan dit slib achterblijven, bij hoge stroomsnelheden kan het weer meegevoerd worden met de stroming. Door de combinatie van langdurige
slibafzetting en overig drijfvuil (zoals plastic) kan een opening volledig verstopt komen te
zitten (Figuur 4.5-B).
Daarnaast wordt tijdens het hoogwater ook veel extra drijfhout en -vuil aangevoerd. Dit verzamelt zich bij de bovenstroomse opening van de sifon en drijft vooral aan de oppervlakte (figuur Figuur 4.5-C en Figuur 4.6). Ook dit geeft enige opstuwing, maar het effect hiervan is significant minder dan ten gevolge van verstoppingen van volledige openingen. In deze rapportage wordt op deze vorm van opstuwing niet verder ingegaan.
Omdat de exacte condities van de sifon tijdens het hoogwater onbekend zijn, wordt in deze paragraaf volstaan met een gevoeligheidsanalyse. Hierbij wordt enkel het aantal openingen gevarieerd, en wordt ervan uitgegaan dat iedere opening volledig doorstroombaar was. In navolging van de voorgaande paragraaf wordt de capaciteit gedefinieerd als de afvoer waarbij de bovenstroomse waterstand hoger wordt dan 44.7 m+NAP en de Geul zal
overstromen. Deze resultaten van berekeningen zijn gegeven in Figuur 4.7.
Er is een lineaire relatie tussen het aantal openingen en de capaciteit van de sifon. Bij een waterstand benedenstrooms van de sifon van 44.3 m+NAP (ongeveer gelijk aan het hoogwater van juli 2021) neemt de afvoercapaciteit hierdoor af van 50 m3/s bij 5 openingen, naar 30 m3/s bij 3 openingen (afname doorstroomoppervlak met 40%).
Omdat de capaciteit ook al werd overschreden in de berekening zonder verstopping, valt uit deze berekening niet te zeggen of deze verstopping daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Enige mate van verstopping blijft echter aannemelijk op basis van de video’s en verslagen. Iedere vorm van verstopping zal ervoor gezorgd hebben dat één tot enkele kilometers bovenstrooms van de sifon de waterstanden hoger waren, en er daardoor meer water naar de overstroomde gebieden stroomde en gedurende een langere periode.
[onder 4 Beschouwing sifon Julianakanaal –> 4.4 Conclusies]
Uit analytisch onderzoek is gebleken dat de situatie in juli 2021 zo extreem was dat de capaciteit van de sifon onvoldoende was en land overstroomde vanuit de Geul. De zeer hoge afvoer op de Geul zou ook bij lage waterstanden op de Maas, en zonder verstoppingen van de openingen de capaciteit van de sifon overschreden hebben. Bij de hoge afvoer op de Geul van juli 2021 zouden dus sowieso overstromingen zijn opgetreden ten oosten van het Julianakanaal. Door de hoge waterstanden op de Maas is de hoeveelheid water naar het
overstroomde gebied wel sterk toegenomen, waardoor zowel de waterdiepte als het overstroomde gebied zouden zijn toegenomen. Dit is nog extra versterkt door de gedeeltelijke verstopping van de sifon.
[onder 7 Conclusies en aanbevelingen -> Conclusies]
Op basis van de beschikbare historische en modelmatige gegevens wordt de overschrijdingskans van de waterstanden en afvoeren in de Geul ingeschat tussen de 1:100 en 1:1000 per jaar (onderzoeksvraag 3). Doordat de meeste neerslag in het bovenstroomse deel van het stroomgebied is gevallen en er langs de Geul overstromingen hebben plaats gevonden, is het mogelijk dat de waterstanden in het benedenstroomse deel een iets grotere overschrijdingskans hadden (minder extreem waren). Geheel benedenstrooms, bij de sifon,
zijn de waterstanden door opstuwing vanuit de Maas zo hoog geworden dat deze een veel kleinere kans van voorkomen hebben gehad. Hoewel de exacte kans van voorkomen niet nauwkeurig kan worden bepaald, kan wel worden gesteld dat sprake was van extreme omstandigheden ver boven de veiligheidsnorm waarop het watersysteem is ingericht.
Capaciteit sifon
4.3.
[eisers] stelt dat uit de analyse van Deltares kan worden afgeleid dat de maximale capaciteit van de sifon onvoldoende was voor het verwerken van de afvoer van de Geul in juli 2021 en dat deze capaciteit dus ondermaats is. Alleen al om die reden zou er sprake zijn van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW.
4.4.
De Staat betwist dat het enkele feit dat de sifon onvoldoende capaciteit had, maakt dat deze gebrekkig is. Er is volgens de Staat altijd een constructieve bovengrens aan (de capaciteit van) een sifon terwijl de natuur zich daaraan niet houdt. De redenering van [eisers] volgend zou daarmee iedere sifon per definitie gebrekkig zijn, aldus de Staat. Dat standpunt kan volgens hem niet worden aanvaard. De Staat voert verder aan dat het debiet van de Geul normaal gesproken 4 m/s bedraagt en dat de capaciteit van de sifon (dus) vele malen hoger is. In het verlengde daarvan stelt hij dat de omstandigheden in juli 2021 extreem en uitzonderlijk waren en dat het watersysteem, waarvan de sifon deel uitmaakt, daarop niet ingericht was en hoefde zijn. De Staat wijst daarbij op de volgens Deltares statistisch zeer kleine kans dat de omstandigheden die tot de overstromingen hebben geleid zich voordoen: tussen eens per 100 jaar en eens per 1.000 jaar, waarbij de omstandigheden rondom de sifon een kleinere kans hadden (dus meer richting de eens per 1.000 jaar). Omdat de kans op verwezenlijking van het aan een opstal klevende gevaar een relevante omstandigheid is bij de beantwoording van de vraag of de opstal gebrekkig is, draagt deze vaststelling volgens de Staat bij aan de conclusie dat de sifon niet gebrekkig was.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat, bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, het aankomt op de — naar objectieve maatstaven te beantwoorden — vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.
4.6.
Het verweer van de Staat houdt – kort gezegd – onder andere in dat:
- het enkele feit dat de sifon onvoldoende capaciteit bleek te hebben, niet maakt dat de sifon gebrekkig was gegeven het feit dat iedere sifon per definitie een maximum capaciteit heeft, en
- dat de capaciteit van de sifon in [plaats] geacht moest worden te volstaan, gezien de normale doorstroom, en
- dat de situatie die zich voordeed in juli 2012 vanwege het extreme en uitzonderlijke karakter ervan, niet was te voorzien.
4.7.
De Staat heeft met dit verweer de relevante onderdelen uit het hiervoor geschetste kader in verbinding gebracht met de feiten van dit geval. [eisers] zijn daar niet meer concreet op ingegaan. De rechtbank kan daarom niet aannemen dat de sifon op zichzelf gebrekkig was in de zin van artikel 6:174 BW terwijl de stellingen van [eisers] evenmin aanleiding geven daar verder onderzoek naar te doen.
Onvoldoende onderhoud / verstopping sifon
4.8.
Aan het beroep op artikel 6:174 BW en het beroep op het schenden van een zorgvuldigheidsnorm, leggen [eisers] mede ten grondslag dat er sprake van gebrekkig onderhoud aan de sifon en dat deze daardoor verstopt was (mede) als gevolg van sedimentvorming. Dit zou tot een grotere wateroverlast zou hebben geleid. [eisers] verwijzen daartoe naar de analyse van Deltares en berekeningen van ene Keijsers.
4.9.
De Staat stelt dat er wel voldoende onderhoud aan de sifon had plaatsgevonden. Dat enige sedimentvorming was opgetreden, is volgens de Staat inherent aan het feit dat de sifon het water van de rivier doorgeleidt. Voor zover [eisers] de stelling innemen dat de sifon te allen tijde ‘schoon’ moet zijn, kan die volgens de Staat niet worden aanvaard omdat dat een onrealistische inzet van mankracht en financiële middelen zo eisen. Dat de sifon (deels) verstopt was en/of dat dit zou hebben geleid tot een verdere beperking van de capaciteit van de sifon en vergroting van de wateroverlast, kan volgens de Staat niet worden afgeleid uit de analyse van Deltares. De conclusies van Keijsers worden weersproken, onder verwijzing naar in opdracht van de Staat gemaakte analyses door Sweco Nederland B.V. van de analyses van Keijsers.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de analyse van Deltares op zijn minst suggereert dat de sifon ten tijde van de overstromingen deels verstopt was. Als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat dit vaststaat, is voor toewijzing van (een of meer van) de vorderingen van [eisers] vereist dat:
1) het deels verstopt zijn van de sifon kwalificeert als een gebrek van de sifon en/of als het gevolg van onzorgvuldig handelen van de Staat, en
2) het gebrek en/of het onzorgvuldig handelen van de Staat in een oorzakelijk verband staat met de door [eisers] geleden schade.
4.10.1.
Naar aanleiding van het verweer van de Staat ter zake van punt 1 zou nader onderzoek nodig zijn naar de daadwerkelijke omvang van de verstopping en welke inspanningen redelijkerwijs van de Staat verwacht mochten worden om verstopping tegen te gaan. Daarover is op dit moment onvoldoende duidelijkheid.
4.10.2.
Ten aanzien van punt 2 geldt dat op basis van de stellingen van [eisers] geen oorzakelijk verband kan worden vastgesteld en dat – integendeel – daaruit veeleer moet worden afgeleid dat er geen oorzakelijk verband is.
[eisers] beroepen zich immers mede op de analyse van Deltares en de daarin opgenomen vaststelling dat – gegeven de maximale capaciteit van de sifon als zodanig – de sifon de afvoer van het water van de Geul in geen geval aan had gekund, zodat de Geul sowieso buiten haar oevers zou zijn getreden.
[eisers] hebben niet gesteld dat – laat staan toegelicht op grond waarvan kan worden aangenomen – hun tuin niet zou zijn overstroomd als de sifon schoon of schoner was geweest, terwijl dat uit de bekende informatie ook niet kan worden afgeleid. De analyse van Deltares laat met name zien dat de combinatie van het extreme weer en de hoge stand van de Maas heeft geleid tot de overschrijden van de capaciteit van de sifon. Er wordt door Deltares weliswaar ook aangegeven dat verstoppingen van de sifon ervoor hebben gezorgd dat er meer water naar de overstroomde gebieden stroomde en gedurende een langere periode, maar daarmee is niet gezegd dat [eisers] gespaard zouden zijn gebleven ingeval de sifon geen verstoppingen had gehad. En [eisers] hebben dat dus ook niet gesteld. Sterker nog: zij hebben zich er juist op beroepen dat de capaciteit van de sifon op zichzelf al onvoldoende was en dat dit heeft geleid tot de overstroming van hun tuin. Zij stellen daarmee expliciet niet dat hun tuin niet was overstroomd als de sifon schoon of schoner was geweest.
De conclusie is dat de aan de Staat gemaakte verwijten over het onvoldoende schoon houden van de sifon, niet kunnen leiden tot de vaststelling dat daardoor de tuin van [eisers] is overstroomd en dus ook niet tot het oordeel dat de Staat aansprakelijk is.
Toekomstbestendigheid sifon
4.11.
[eisers] hebben ter onderbouwing van hun beroep op artikel 6:174 BW en (mogelijk ook) het schenden van een zorgvuldigheidsnorm gesteld dat de Staat onder meer vanwege de klimaatverandering en de ouderdom van de sifon had moeten nagaan of de sifon thans en in de nabije toekomst aan de te stellen eisen voldoet. Wat er verder ook zij van die verder niet toegelichte stelling, ziet dat op aangenomen verplichtingen van de Staat van na de overstromingen zodat het niet relevant is voor dit geschil. Als [eisers] bedoeld hebben te stellen dat de Staat voorafgaand aan de overstroming op dit punt onvoldoende heeft gedaan, heeft zij die stelling onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verwijst naar 4.5. - 4.7. en 4.13. - 4.15.
Duikers
4.12.
[eisers] hebben ter onderbouwing van het beroep op het schenden van een zorgvuldigheidsnorm gesteld dat twee zogenoemde duikers in [plaats] verstopt zouden zijn geweest, wat tot meer (verder niet geduide) schade zou hebben geleid. Zij hebben niet gesteld dat de Staat verantwoordelijk is voor de duikers, wat de Staat expliciet heeft betwist. Dit onderwerp kan daarom verder onbesproken blijven.
Voorzorgmaatregelen
4.13.
De Staat heeft volgens [eisers] ook in strijd gehandeld met een zorgvuldigheidsnorm door onvoldoende voorzorgsmaatregelen te nemen, zoals het ‘flushen’ van de sifon.
4.14.
De Staat heeft er terecht op gewezen dat deze stellingname van [eisers] voortborduurt op de stelling dat de sifon gebrekkig was, welke stelling niet wordt aanvaard. Verder voert hij aan dat de wateroverlast niet ruim van tevoren voorzienbaar was. De problemen ontstonden in juli 2021 razendsnel en op een enorme schaal, aldus de Staat. Er was volgens hem geen tijd meer om te reageren. Gelet op de problemen in heel Limburg en de volgens de Staat zeer beperkte mogelijkheden om nog in te grijpen, kan de Staat naar eigen zeggen geen onzorgvuldigheid worden verweten. Over het ‘flushen’ merkt de Staat nog op dat dit in de gegeven omstandigheden onverstandig zou zijn geweest omdat daarvoor de buizen afgesloten hadden moeten worden, met een afname van de capaciteit van de sifon als gevolg.
4.15.
[eisers] zijn niet meer concreet ingegaan op de verweren van de Staat maar hebben volstaan met het herhalen van hun standpunt. Daarmee hebben zij hun stellingen onvoldoende onderbouwd, zeker in het licht van het verweer.
Conclusies
4.16.
De sifon was geen gebrekkige opstal zoals bedoeld in artikel 6:174 BW vanwege de capaciteit ervan. Voor zover er sprake was van verstopping van de sifon, stond dat niet in oorzakelijk verband met de overstroming van de tuin van [eisers] . Voor het overige kan De Staat geen onzorgvuldigheid worden verweten. De Staat is dus niet aansprakelijk ten opzichte van [eisers] . De vorderingen van [eisers] moeten worden afgewezen. Aan de beoordeling van stellingen over de omvang van de schade en het verband met de overstromingen als gevolg van het overschrijden van de capaciteit van de sifon, wordt niet toegekomen.
4.17.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
€
3.083,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.944,00
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.19.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.944,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
een onderzoeksinstituut op het gebied van water en ondergrond
productie 4 van [eisers]
over overstromingskans in de gemeente Meerssen, waar [plaats] onder valt
producties 5 en 15 van [eisers]
waarvan er een is overgelegd als productie 3 van de Staat
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/350128 / HA ZA 26-92
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats] ,2. [eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M.M.J.P. Penners,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. F.J. Lewis.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht van 22 juni 2026 met producties van [eisers] ,- het bericht van 1 juli 2026 met productie van [eisers] ,- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juli 2026,
- de bij gelegenheid van de mondeling behandeling voorgedragen spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De rivier de Geul kruist bij Bunde het Julianakanaal en wordt daar middels een zogenoemde sifon onder het kanaal doorgeleid om daarna uit te monden in de rivier de Maas. De sifon bestaat uit 5 parallele buizen van 2,5 meter breed en 76 meter lang.
2.2.
In juli 2021 is de provincie Limburg door grote wateroverlast getroffen, waarbij onder meer de Geul buiten haar oevers is getreden. Daardoor is water in de tuin behorende bij de woning van [eisers] gestroomd. Tijdens de wateroverlast is de capaciteit van de sifon onvoldoende gebleken om het door de Geul stromende water ter plaatse te verwerken, wat (mede) het buiten de oevers treden van de Geul tot gevolg heeft gehad.
2.3.
[eisers] hebben de Staat aansprakelijk gesteld voor de door hen als gevolg van de overstroming in hun tuin veroorzaakte schade voor zover deze niet door verzekering is gedekt. De Staat heeft aansprakelijkheid afgewezen.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vorderen – samengevat – dat de rechtbank:
- voor recht verklaart dat de Staat aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de wateroverlast in juli 2021,
- de Staat veroordeelt tot betaling van € 25.045,35 en € 1.025,45 te vermeerderen met wettelijke rente,
met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
De Staat voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
[eisers] baseren hun vorderingen op de stelling dat de Staat aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de overstroming van hun tuin. Zij begroten deze schade, voor zover nog niet vergoed, op € 25.045,35. Daarnaast is de Staat volgens [eisers] aansprakelijk voor de door [eisers] gemaakte buitengerechtelijke kosten, die zij begroten op € 1.025,45.
4.2.
Ter onderbouwing van hun standpunt stellen [eisers] dat de de Staat de bezitter is van de sifon die als een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW zou moeten worden geduid dan wel dat de Staat een zorgplicht hebben geschonden. Bij de beoordeling van deze stellingen is de in opdracht van het Waterschap Limburg door Deltares gemaakte analyse van de overstromingen in de Geulmonding relevant. Zowel [eisers] als de Staat verwijzen naar die analyse. In het daarvan opgemaakte rapport is onder meer het volgende te lezen:
[onder 1 Inleiding -> 1.2. Casestudie Geulmonding]
Bij de monding van de Geul stroomt het water van de Geul via een sifon onder het Julianakanaal door naar de Maas. Ten oosten van dit kanaal (bovenstrooms van de sifon) zijn de waterstanden extreem hoog geworden, resulterend in overstroming van Bunde, Brommelen, Westbroek, [plaats] en Broekhoven. De waterstanden zijn hier hoog geworden door het samenspel van de hoge waterstand op de Maas, de hoge afvoer op de Geul, en de
opstuwende werking van de sifon. De capaciteit van de sifon zou mogelijk beperkt zijn door verstoppingen met sediment en drijfhout. In dit onderzoek wordt de bijdrage van de verschillende belastingen en onderdelen van het systeem op de hoge waterstanden onderzocht.’
[onder 2 Gebiedsbeschrijving -> 2.3. Toegepaste normering en stresstesten]
Het is belangrijk om op te merken dat de berekeningen die ten grondslag liggen aan de kaarten in Figuur 2.5 gebaseerd zijn op statistische analyse van gemodelleerde historische buien tussen 1906 en 2010, in combinatie met de bijbehorende waterstanden op de Maas. Het samenvallen van een hoge Geulafvoer met een extreem hoge waterstand op de Grensmaas is in de gemodelleerde periode echter niet opgetreden. Hieruit kan ook geconcludeerd worden dat condities zoals in juli 2021 over deze periode (sinds 1906) een kans hebben die kleiner is dan 1:100 per jaar, en dat de waterstanden dus hoger zijn geworden dan in de overstroming van 1:100 in Figuur 2.5 (zie ook paragraaf 3.3.4).3 Een mogelijke (gedeeltelijke) verstopping van de sifon met drijfvuil, huisraad of sediment zou de waterstand nog verder opstuwen dan blijkt uit deze overstromingsbeelden.’
[onder 3 Evaluatie hoogwater juli 2021 -> 3.3.4 Waterstand en herhalingstijd opstuwing sifon]
De hoge waterstand op de Maas, in combinatie met de hoge afvoer op de Geul, heeft bovenstrooms van de sifon onder het Julianakanaal gezorgd voor een grote opstuwing. Deze opstuwing is nog eens versterkt door de gedeeltelijke verstopping van enkele openingen in de sifon. Ten gevolge van de opstuwing werden waterstanden in de Geul tot ongeveer 45 m+NAP bereikt (schatting op basis van waarnemingsverslagen). Het samenvallen van het hoogwater op de Geul en de Maas heeft in belangrijke mate bij gedragen aan deze extreem hoge waterstanden, met zeer kleine kans van voorkomen.
[onder 3 Evaluatie hoogwater juli 2021 -> 3.3.5 Conclusie]
Op basis van de beschikbare historische en modelmatige gegevens wordt de overschrijdingskans van de waterstanden en afvoeren in de Geul van juli 2021 ingeschat tussen de 1:100 en 1:1000 per jaar. Doordat de meeste neerslag in het bovenstroomse deel van het stroomgebied is gevallen, is de overschrijdingskans daar het kleinst: ongeveer 1:900 per jaar. Door de overstromingen en de beperktere aanvoer van water in het Nederlandse
traject is het mogelijk dat de waterstanden in het benedenstroomse deel een iets grotere overschrijdingskans hadden (minder extreem waren) dan in België. Geheel benedenstrooms, bij de sifon, zijn de waterstanden door opstuwing vanuit de Maas zo hoog geworden dat deze een veel kleinere kans van voorkomen hebben gehad. Om voor dit gebied te komen tot een betere inschatting van de overschrijdingskans is het nodig om meer te weten over de kans op samenvallen met het hoogwater op de Maas (coïncidentie). Duidelijk is echter wel dat de
norm waarop het gebied is ontworpen (1:25 tot 1:100 per jaar, zie paragraaf 2.3) bij het hoogwater is overschreden.
[onder 4 Beschouwing sifon Julianakanaal – 4.2 Opstuwing door sifon en hoge waterstand Maas]
In de praktijk wordt vaak gesproken over de capaciteit van de sifon. Deze capaciteit wordt hier gedefinieerd als de maximale afvoer die door de sifon kan worden afgevoerd voordat de Geul buiten haar oevers treedt. Dit gebeurt bij een waterstand van 44.7 m+NAP (stippellijn in Figuur 4.4). Uit de resultaten blijkt dat bij normale (en lage) waterstanden op de Maas dit moment bereikt wordt bij een afvoer van 85 m3/s, vrijwel gelijk aan het moment dat benedenstrooms van de sifon de Geul buiten haar oevers treedt. Pas bij extreme waterstanden op de Maas neemt de capaciteit van de sifon verder af. Bij een Maaswaterstand van 44 m+NAP is de capaciteit afgenomen tot 50 m3/s.
Omdat de Maaswaterstand in juli ruim 44 m+NAP bedroeg en de afvoer van de Geul ver boven de 50 m3/s lag, kan worden geconcludeerd dat de capaciteit van de sifon tijdens het hoogwater van juli 2021 onvoldoende was. Omdat de afvoer van de Geul zelfs meer dan 85 m3/s bedroeg, zou ze ook buiten haar oevers zijn getreden als de waterstand op de Maas laag was geweest. De hoge waterstand op de Maas heeft er wel voor gezorgd dat er veel
meer water naar de overstroomde gebieden stroomde en ook gedurende een veel langere periode.
[onder 4 Beschouwing sifon Julianakanaal – 4.3 Effect verstopping]
Reeds voor het hoogwater was bekend dat onderhoud aan de sifon noodzakelijk was vanwege gedeeltelijke verstopping van enkele openingen. Het aantal openingen dat sterk verstopt was en daardoor de stroming reduceerde, wordt op basis van discussies en analyse van video’s (zie Figuur 4.8) ingeschat op 2 openingen. De mate waarin de overige openingen de doorstroming ten tijde van het hoogwater verhinderden is echter hieruit niet in te schatten. Wel is bekend dat er bij het onderhoud van december 2021/januari 2022 ongeveer de volgende hoeveelheden zijn verwijderd: 840 ton slib, 19 ton hout en 9 ton BSA (Bouw- en sloopafval) (Rijkswaterstaat, 2022). Het is echter niet bekend in welke mate dit vuil al aanwezig was voorafgaand aan het hoogwater, of pas tijdens en na het hoogwater de situatie hebben verergerd. Door de hoge stroomsnelheden tijdens het hoogwater kan ook juist een deel van het sediment in de sifon weer zijn meegevoerd, waardoor de doorstroming tijdens het hoogwater verbeterde. De wisselwerking van deze processen maakt het niet mogelijk een schatting van de verstopping te maken.
In deze analyse wordt daarom theoretisch onderzocht in hoeverre een verstopping van de opening bij zou dragen aan de opstuwing van de waterstanden. Figuur 4.5 geeft schematisch enkele vormen van opstuwing door slib en drijfhout. De belangrijkste component van opstuwing wordt veroorzaakt door slib dat zich heeft verzameld in de onderkant van de sifon (Figuur 4.5-A). Bij lage stroomsnelheden kan dit slib achterblijven, bij hoge stroomsnelheden kan het weer meegevoerd worden met de stroming. Door de combinatie van langdurige
slibafzetting en overig drijfvuil (zoals plastic) kan een opening volledig verstopt komen te
zitten (Figuur 4.5-B).
Daarnaast wordt tijdens het hoogwater ook veel extra drijfhout en -vuil aangevoerd. Dit verzamelt zich bij de bovenstroomse opening van de sifon en drijft vooral aan de oppervlakte (figuur Figuur 4.5-C en Figuur 4.6). Ook dit geeft enige opstuwing, maar het effect hiervan is significant minder dan ten gevolge van verstoppingen van volledige openingen. In deze rapportage wordt op deze vorm van opstuwing niet verder ingegaan.
Omdat de exacte condities van de sifon tijdens het hoogwater onbekend zijn, wordt in deze paragraaf volstaan met een gevoeligheidsanalyse. Hierbij wordt enkel het aantal openingen gevarieerd, en wordt ervan uitgegaan dat iedere opening volledig doorstroombaar was. In navolging van de voorgaande paragraaf wordt de capaciteit gedefinieerd als de afvoer waarbij de bovenstroomse waterstand hoger wordt dan 44.7 m+NAP en de Geul zal
overstromen. Deze resultaten van berekeningen zijn gegeven in Figuur 4.7.
Er is een lineaire relatie tussen het aantal openingen en de capaciteit van de sifon. Bij een waterstand benedenstrooms van de sifon van 44.3 m+NAP (ongeveer gelijk aan het hoogwater van juli 2021) neemt de afvoercapaciteit hierdoor af van 50 m3/s bij 5 openingen, naar 30 m3/s bij 3 openingen (afname doorstroomoppervlak met 40%).
Omdat de capaciteit ook al werd overschreden in de berekening zonder verstopping, valt uit deze berekening niet te zeggen of deze verstopping daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Enige mate van verstopping blijft echter aannemelijk op basis van de video’s en verslagen. Iedere vorm van verstopping zal ervoor gezorgd hebben dat één tot enkele kilometers bovenstrooms van de sifon de waterstanden hoger waren, en er daardoor meer water naar de overstroomde gebieden stroomde en gedurende een langere periode.
[onder 4 Beschouwing sifon Julianakanaal –> 4.4 Conclusies]
Uit analytisch onderzoek is gebleken dat de situatie in juli 2021 zo extreem was dat de capaciteit van de sifon onvoldoende was en land overstroomde vanuit de Geul. De zeer hoge afvoer op de Geul zou ook bij lage waterstanden op de Maas, en zonder verstoppingen van de openingen de capaciteit van de sifon overschreden hebben. Bij de hoge afvoer op de Geul van juli 2021 zouden dus sowieso overstromingen zijn opgetreden ten oosten van het Julianakanaal. Door de hoge waterstanden op de Maas is de hoeveelheid water naar het
overstroomde gebied wel sterk toegenomen, waardoor zowel de waterdiepte als het overstroomde gebied zouden zijn toegenomen. Dit is nog extra versterkt door de gedeeltelijke verstopping van de sifon.
[onder 7 Conclusies en aanbevelingen -> Conclusies]
Op basis van de beschikbare historische en modelmatige gegevens wordt de overschrijdingskans van de waterstanden en afvoeren in de Geul ingeschat tussen de 1:100 en 1:1000 per jaar (onderzoeksvraag 3). Doordat de meeste neerslag in het bovenstroomse deel van het stroomgebied is gevallen en er langs de Geul overstromingen hebben plaats gevonden, is het mogelijk dat de waterstanden in het benedenstroomse deel een iets grotere overschrijdingskans hadden (minder extreem waren). Geheel benedenstrooms, bij de sifon,
zijn de waterstanden door opstuwing vanuit de Maas zo hoog geworden dat deze een veel kleinere kans van voorkomen hebben gehad. Hoewel de exacte kans van voorkomen niet nauwkeurig kan worden bepaald, kan wel worden gesteld dat sprake was van extreme omstandigheden ver boven de veiligheidsnorm waarop het watersysteem is ingericht.
Capaciteit sifon
4.3.
[eisers] stelt dat uit de analyse van Deltares kan worden afgeleid dat de maximale capaciteit van de sifon onvoldoende was voor het verwerken van de afvoer van de Geul in juli 2021 en dat deze capaciteit dus ondermaats is. Alleen al om die reden zou er sprake zijn van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW.
4.4.
De Staat betwist dat het enkele feit dat de sifon onvoldoende capaciteit had, maakt dat deze gebrekkig is. Er is volgens de Staat altijd een constructieve bovengrens aan (de capaciteit van) een sifon terwijl de natuur zich daaraan niet houdt. De redenering van [eisers] volgend zou daarmee iedere sifon per definitie gebrekkig zijn, aldus de Staat. Dat standpunt kan volgens hem niet worden aanvaard. De Staat voert verder aan dat het debiet van de Geul normaal gesproken 4 m/s bedraagt en dat de capaciteit van de sifon (dus) vele malen hoger is. In het verlengde daarvan stelt hij dat de omstandigheden in juli 2021 extreem en uitzonderlijk waren en dat het watersysteem, waarvan de sifon deel uitmaakt, daarop niet ingericht was en hoefde zijn. De Staat wijst daarbij op de volgens Deltares statistisch zeer kleine kans dat de omstandigheden die tot de overstromingen hebben geleid zich voordoen: tussen eens per 100 jaar en eens per 1.000 jaar, waarbij de omstandigheden rondom de sifon een kleinere kans hadden (dus meer richting de eens per 1.000 jaar). Omdat de kans op verwezenlijking van het aan een opstal klevende gevaar een relevante omstandigheid is bij de beantwoording van de vraag of de opstal gebrekkig is, draagt deze vaststelling volgens de Staat bij aan de conclusie dat de sifon niet gebrekkig was.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat, bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, het aankomt op de — naar objectieve maatstaven te beantwoorden — vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.
4.6.
Het verweer van de Staat houdt – kort gezegd – onder andere in dat:
- het enkele feit dat de sifon onvoldoende capaciteit bleek te hebben, niet maakt dat de sifon gebrekkig was gegeven het feit dat iedere sifon per definitie een maximum capaciteit heeft, en
- dat de capaciteit van de sifon in [plaats] geacht moest worden te volstaan, gezien de normale doorstroom, en
- dat de situatie die zich voordeed in juli 2012 vanwege het extreme en uitzonderlijke karakter ervan, niet was te voorzien.
4.7.
De Staat heeft met dit verweer de relevante onderdelen uit het hiervoor geschetste kader in verbinding gebracht met de feiten van dit geval. [eisers] zijn daar niet meer concreet op ingegaan. De rechtbank kan daarom niet aannemen dat de sifon op zichzelf gebrekkig was in de zin van artikel 6:174 BW terwijl de stellingen van [eisers] evenmin aanleiding geven daar verder onderzoek naar te doen.
Onvoldoende onderhoud / verstopping sifon
4.8.
Aan het beroep op artikel 6:174 BW en het beroep op het schenden van een zorgvuldigheidsnorm, leggen [eisers] mede ten grondslag dat er sprake van gebrekkig onderhoud aan de sifon en dat deze daardoor verstopt was (mede) als gevolg van sedimentvorming. Dit zou tot een grotere wateroverlast zou hebben geleid. [eisers] verwijzen daartoe naar de analyse van Deltares en berekeningen van ene Keijsers.
4.9.
De Staat stelt dat er wel voldoende onderhoud aan de sifon had plaatsgevonden. Dat enige sedimentvorming was opgetreden, is volgens de Staat inherent aan het feit dat de sifon het water van de rivier doorgeleidt. Voor zover [eisers] de stelling innemen dat de sifon te allen tijde ‘schoon’ moet zijn, kan die volgens de Staat niet worden aanvaard omdat dat een onrealistische inzet van mankracht en financiële middelen zo eisen. Dat de sifon (deels) verstopt was en/of dat dit zou hebben geleid tot een verdere beperking van de capaciteit van de sifon en vergroting van de wateroverlast, kan volgens de Staat niet worden afgeleid uit de analyse van Deltares. De conclusies van Keijsers worden weersproken, onder verwijzing naar in opdracht van de Staat gemaakte analyses door Sweco Nederland B.V. van de analyses van Keijsers.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de analyse van Deltares op zijn minst suggereert dat de sifon ten tijde van de overstromingen deels verstopt was. Als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat dit vaststaat, is voor toewijzing van (een of meer van) de vorderingen van [eisers] vereist dat:
1) het deels verstopt zijn van de sifon kwalificeert als een gebrek van de sifon en/of als het gevolg van onzorgvuldig handelen van de Staat, en
2) het gebrek en/of het onzorgvuldig handelen van de Staat in een oorzakelijk verband staat met de door [eisers] geleden schade.
4.10.1.
Naar aanleiding van het verweer van de Staat ter zake van punt 1 zou nader onderzoek nodig zijn naar de daadwerkelijke omvang van de verstopping en welke inspanningen redelijkerwijs van de Staat verwacht mochten worden om verstopping tegen te gaan. Daarover is op dit moment onvoldoende duidelijkheid.
4.10.2.
Ten aanzien van punt 2 geldt dat op basis van de stellingen van [eisers] geen oorzakelijk verband kan worden vastgesteld en dat – integendeel – daaruit veeleer moet worden afgeleid dat er geen oorzakelijk verband is.
[eisers] beroepen zich immers mede op de analyse van Deltares en de daarin opgenomen vaststelling dat – gegeven de maximale capaciteit van de sifon als zodanig – de sifon de afvoer van het water van de Geul in geen geval aan had gekund, zodat de Geul sowieso buiten haar oevers zou zijn getreden.
[eisers] hebben niet gesteld dat – laat staan toegelicht op grond waarvan kan worden aangenomen – hun tuin niet zou zijn overstroomd als de sifon schoon of schoner was geweest, terwijl dat uit de bekende informatie ook niet kan worden afgeleid. De analyse van Deltares laat met name zien dat de combinatie van het extreme weer en de hoge stand van de Maas heeft geleid tot de overschrijden van de capaciteit van de sifon. Er wordt door Deltares weliswaar ook aangegeven dat verstoppingen van de sifon ervoor hebben gezorgd dat er meer water naar de overstroomde gebieden stroomde en gedurende een langere periode, maar daarmee is niet gezegd dat [eisers] gespaard zouden zijn gebleven ingeval de sifon geen verstoppingen had gehad. En [eisers] hebben dat dus ook niet gesteld. Sterker nog: zij hebben zich er juist op beroepen dat de capaciteit van de sifon op zichzelf al onvoldoende was en dat dit heeft geleid tot de overstroming van hun tuin. Zij stellen daarmee expliciet niet dat hun tuin niet was overstroomd als de sifon schoon of schoner was geweest.
De conclusie is dat de aan de Staat gemaakte verwijten over het onvoldoende schoon houden van de sifon, niet kunnen leiden tot de vaststelling dat daardoor de tuin van [eisers] is overstroomd en dus ook niet tot het oordeel dat de Staat aansprakelijk is.
Toekomstbestendigheid sifon
4.11.
[eisers] hebben ter onderbouwing van hun beroep op artikel 6:174 BW en (mogelijk ook) het schenden van een zorgvuldigheidsnorm gesteld dat de Staat onder meer vanwege de klimaatverandering en de ouderdom van de sifon had moeten nagaan of de sifon thans en in de nabije toekomst aan de te stellen eisen voldoet. Wat er verder ook zij van die verder niet toegelichte stelling, ziet dat op aangenomen verplichtingen van de Staat van na de overstromingen zodat het niet relevant is voor dit geschil. Als [eisers] bedoeld hebben te stellen dat de Staat voorafgaand aan de overstroming op dit punt onvoldoende heeft gedaan, heeft zij die stelling onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verwijst naar 4.5. - 4.7. en 4.13. - 4.15.
Duikers
4.12.
[eisers] hebben ter onderbouwing van het beroep op het schenden van een zorgvuldigheidsnorm gesteld dat twee zogenoemde duikers in [plaats] verstopt zouden zijn geweest, wat tot meer (verder niet geduide) schade zou hebben geleid. Zij hebben niet gesteld dat de Staat verantwoordelijk is voor de duikers, wat de Staat expliciet heeft betwist. Dit onderwerp kan daarom verder onbesproken blijven.
Voorzorgmaatregelen
4.13.
De Staat heeft volgens [eisers] ook in strijd gehandeld met een zorgvuldigheidsnorm door onvoldoende voorzorgsmaatregelen te nemen, zoals het ‘flushen’ van de sifon.
4.14.
De Staat heeft er terecht op gewezen dat deze stellingname van [eisers] voortborduurt op de stelling dat de sifon gebrekkig was, welke stelling niet wordt aanvaard. Verder voert hij aan dat de wateroverlast niet ruim van tevoren voorzienbaar was. De problemen ontstonden in juli 2021 razendsnel en op een enorme schaal, aldus de Staat. Er was volgens hem geen tijd meer om te reageren. Gelet op de problemen in heel Limburg en de volgens de Staat zeer beperkte mogelijkheden om nog in te grijpen, kan de Staat naar eigen zeggen geen onzorgvuldigheid worden verweten. Over het ‘flushen’ merkt de Staat nog op dat dit in de gegeven omstandigheden onverstandig zou zijn geweest omdat daarvoor de buizen afgesloten hadden moeten worden, met een afname van de capaciteit van de sifon als gevolg.
4.15.
[eisers] zijn niet meer concreet ingegaan op de verweren van de Staat maar hebben volstaan met het herhalen van hun standpunt. Daarmee hebben zij hun stellingen onvoldoende onderbouwd, zeker in het licht van het verweer.
Conclusies
4.16.
De sifon was geen gebrekkige opstal zoals bedoeld in artikel 6:174 BW vanwege de capaciteit ervan. Voor zover er sprake was van verstopping van de sifon, stond dat niet in oorzakelijk verband met de overstroming van de tuin van [eisers] . Voor het overige kan De Staat geen onzorgvuldigheid worden verweten. De Staat is dus niet aansprakelijk ten opzichte van [eisers] . De vorderingen van [eisers] moeten worden afgewezen. Aan de beoordeling van stellingen over de omvang van de schade en het verband met de overstromingen als gevolg van het overschrijden van de capaciteit van de sifon, wordt niet toegekomen.
4.17.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
€
3.083,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.944,00
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.19.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.944,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
een onderzoeksinstituut op het gebied van water en ondergrond
productie 4 van [eisers]
over overstromingskans in de gemeente Meerssen, waar [plaats] onder valt
producties 5 en 15 van [eisers]
waarvan er een is overgelegd als productie 3 van de Staat